ECLI:NL:RBNNE:2026:265

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
3 februari 2026
Publicatiedatum
3 februari 2026
Zaaknummer
18.271445.25
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 45 SrArt. 57 SrArt. 141 SrArt. 287 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling poging tot doodslag en openlijk geweld bij uitgaansincident in Groningen

Op 12 oktober 2025 vond in Groningen een uitgaansincident plaats waarbij verdachte meerdere malen het slachtoffer tegen het hoofd en lichaam sloeg en schopte, ook toen het slachtoffer op de grond lag. Verdachte werd beschuldigd van poging tot doodslag en openlijk geweld samen met een medeverdachte.

De rechtbank oordeelde dat verdachte voorwaardelijk opzet had op de dood van het slachtoffer, gezien de aard en ernst van het geweld en zijn staat van dronkenschap en drugsgebruik. Medeplegen werd verworpen omdat de medeverdachte minder zwaar geweld gebruikte en vooral gericht was op een ander slachtoffer.

Verdachte werd veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 18 maanden, met aftrek van voorarrest. De rechtbank kende deels schadevergoeding toe aan de slachtoffers, waarbij rekening werd gehouden met provocerend gedrag en onvoldoende onderbouwing van sommige schadeposten. De schadevergoedingen zijn hoofdelijk verbonden met de medeverdachte.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 18 maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor poging tot doodslag en openlijk geweld, medeplegen vrijgesproken, deels toegewezen schadevergoedingen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht
Locatie Groningen
parketnummer 18.271445.25
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 3 februari 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1998 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 20 januari 2026. Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. J. Boelstra, advocaat te Groningen.
Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. D. Roggen.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1
primair
hij op of omstreeks 12 oktober 2025 te Groningen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten
[slachtoffer 2] van het leven te beroven, die [slachtoffer 2] meerdere malen heeft geslagen tegen het hoofd en/of het lichaam en/of (vervolgens), toen die [slachtoffer 2] op de grond lag, meerdere malen (met kracht, met geschoeide voet) tegen het hoofd en/of een of meer andere delen van het lichaam heeft geschopt en/of getrapt en/of gestampt en/of met kracht met gebalde vuisten tegen het hoofd en/of het lichaam heeft gestompt en/of geslagen,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair
hij op of omstreeks 12 oktober 2025 te Groningen, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [slachtoffer 2] meerdere malen heeft geslagen tegen het hoofd en/of het lichaam en/of (vervolgens), toen die [slachtoffer 2] op de grond lag, meerdere malen (met
kracht, met geschoeide voet) tegen het hoofd en/of een of meer andere delen van het lichaam heeft geschopt en/of getrapt en/of gestampt en/of met kracht met gebalde vuisten tegen het hoofd en/of het lichaam heeft gestompt en/of geslagen,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
meer subsidiair
hij op of omstreeks 12 oktober 2025 te Groningen op de openbare weg ter hoogte van de [adres] , in elk geval openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer personen, te weten tegen [slachtoffer 2] welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit
  • meermaals slaan tegen het hoofd en/of het lichaam en/of
  • ( vervolgens), toen die [slachtoffer 2] op de grond lag, meerdere malen (met kracht,
met geschoeide voet) tegen het hoofd en/of een of meer andere delen van het lichaam schoppen en/of trappen en/of stampen en/of met kracht met gebalde vuisten tegen het hoofd en/of het lichaam slaan en/of stompen,
terwijl het door verdachte gepleegde geweld enig lichamelijk letsel ten gevolge had;
2
hij op of omstreeks 12 oktober 2025 te Groningen op de openbare weg ter hoogte van de [adres] , in elk geval openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer personen, te weten [slachtoffer 1] welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit het meerdere malen slaan en/of stompen tegen het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer 1] ,
terwijl het door verdachte gepleegde geweld enig lichamelijk letsel ten gevolge had.
Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor de feiten 1 primair en 2. Ten aanzien van feit 1 primair heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat sprake is van medeplegen. Zij heeft daartoe aangevoerd dat het medeverdachte [medeverdachte] is die voorop loopt als de confrontatie wordt gezocht. Hij doet dit op een moment wanneer verdachte al meermalen behoorlijk geweld heeft gebruikt richting aangever. Medeverdachte wist dus, of had zich dit op zijn minst moeten realiseren, dat het opnieuw opzoeken van de confrontatie tot nieuw geweld zou leiden. Als dat gebeurt, doet hij ook meteen mee. Als aangever [slachtoffer 1] probeert er tussen te komen, houdt medeverdachte hem op afstand, waardoor verdachte verder los kan gaan op aangever [slachtoffer 2] . En als medeverdachte afstand heeft gecreëerd, gaat hij ook verder met waarvoor ze kennelijk kwamen: geweld tegen [slachtoffer 2] . Als aangever omhoog probeert te komen is het medeverdachte die trapt en uithaalt. Hoewel het meeste geweld door verdachte wordt gepleegd, is de bijdrage van medeverdachte van voldoende gewicht om van medeplegen te kunnen spreken.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van de feiten 1 primair en 1 subsidiair. Zij heeft daartoe aangevoerd dat niet bewezen kan worden dat verdachte de (voorwaardelijke) opzet op de dood of op zwaar lichamelijk letsel van aangever had. Op grond van het letsel van aangever en de camerabeelden kan niet worden vastgesteld met hoeveel kracht verdachte aangever op welke plek heeft geraakt en of dat de dood of zwaar lichamelijk letsel tot gevolg had kunnen hebben.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
Ieder bewijsmiddel is -ook in onderdelen- slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
1. De door verdachte ter zitting van 20 januari 2026 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:
Ik was op 12 oktober 2025 onder invloed van alcohol en drugs. Ik was de controle kwijt. Ik ben als bokser gewend om rake klappen uit te delen. Het is mogelijk dat ik twaalf keer achter elkaar naar aangever [slachtoffer 2] heb uitgehaald. Ik heb op de camerabeelden gezien dat ik
hem tegen het hoofd heb geraakt. Op de beelden is ook te zien dat ik hem drie keer heb gestampt.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte
d.d. 12 oktober 2025, opgenomen op pagina 119 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2025277050 d.d. 18 november 2025, inhoudend als verklaring van verdachte:
Ik was met [medeverdachte] . Ik begon te vechten. Ik sloeg met mijn vuist in zijn gezicht (
de rechtbank begrijpt: in het gezicht van aangever [slachtoffer 2]). Ik weet niet hoe hard dit was. Ik kan zelf niet bepalen of het te veel was of niet. Hoe vaak weet ik niet precies. In ieder geval vier keer. Hij viel op de grond. Ik schopte hem. Bij hem was ook een vriend (
de rechtbank begrijpt: aangever [slachtoffer 1]).
Deze vriend heb ik ook een keer geslagen.
Vraag verbalisant (V): De politie heeft met getuigen gesproken. Getuige [getuige] verklaarde: "Ik stond buiten en ik stond naast een man. Ik zag ineens dat die man werd geslagen door een andere man. De man werd geslagen tegen zijn hoofd. Dit meerdere keren. Ook werd de man geschopt tegen zijn hoofd. Dit toen die op de grond lag. Dit ook meerdere keren". Reageer hier eens op.
Antwoord verdachte: Dat is precies zoals ik het nu ook aan u heb verteld. V: Dus wat de getuige heeft verklaard, dat klopt?
Opmerking verbalisant: Verdachte knikt ja.
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal aangifte d.d. 12 oktober 2025 met bijlagen, opgenomen op pagina 8 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 2] :
Op 11 oktober 2025 ben ik rond 21.00 uur naar Groningen gegaan. Om 01.00 uur of 02.00 uur gingen we naar [nachtbar] . Ik was samen met mijn vriend [slachtoffer 1] (
de rechtbank begrijpt: aangever [slachtoffer 1]). In [nachtbar] heb ik een man aan de bar ontmoet. Er was nog een man bij. Ze zeiden dat ze uit Oekraïne kwamen.
Ik ging samen met [slachtoffer 1] naar buiten om een sigaret te roken. Zelf weet ik nog dat ik op de grond viel door een klap. Dit was een klap in mijn gezicht. Daarna had ik overal pijn. Ik viel op de grond. Het volgende wat ik weet is dat ik in het ziekenhuis ben. Op dit moment heb ik heel veel pijn over mijn hele lijf. In het ziekenhuis is een hersenschudding/misschien hersenbeschadiging en mogelijke jukbeenbreuk geconstateerd. Ik heb de papieren van de arts van de spoedeisende hulp meegenomen en deze mag u bij de aangifte toevoegen. U mag foto's van mijn letsel maken en bij de aangifte voegen.
4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal aangifte d.d. 12 oktober 2025, opgenomen op pagina 18 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 1] :
Op 11 oktober 2025 gingen wij rond 18.00 uur de stad Groningen in. Met mijn vriend [slachtoffer 2] (
de rechtbank begrijpt: aangever [slachtoffer 2]) ging ik naar een nachtbar, [nachtbar] . We hebben daar een man gesproken. Hij droeg een wit T-shirt. De tweede had een tattoo en hij was met een vriendin. Ik heb gehoord dat ze Oekraïens met elkaar praatten. [slachtoffer 2] en ik gingen naar buiten om te roken. Toen kwam de man die in de club was ook naar buiten. De man die met zijn vriendin was kwam ook naar buiten. Er was ineens een conflictsituatie tussen ons allemaal maar vooral tussen [slachtoffer 2] en die man met zijn vriendin. Toen begonnen ze te slaan. De man met vriendin en tattoo begon als eerste te slaan, later sloeg de andere man ook. Ik weet niet meer wie er eerst geslagen werd, ik of mijn vriend. Ik zag dat mijn vriend op de grond viel en ze hem door bleven slaan. Ik ben wel zeker twee keer geslagen, een keer tegen mijn rechter wang en een keer tegen mijn linker wang. Ik ben ook tegen mijn neus geslagen, ik weet niet precies wanneer dit is geweest maar mijn neus ging bloeden. De man met de tattoo heeft mij sowieso een keer geslagen. Toen ik nog een keer geslagen werd lag mijn vriend al op de grond, ik weet niet zeker wie mij toen heeft geslagen. Ik had pijn toen ik werd geslagen.
Door een slag in het gezicht viel mijn vriend op de grond. Ik zag dat hij toen meerdere malen geschopt werd tegen zijn borst, ruggengraat, bij zijn nieren en zeker zijn gezicht. De man met wit T-shirt en de man met de tattoo, zij hebben hem geschopt. Toen ik hem wilde beschermen gingen ze mij slaan.
Op mijn rechter- en linker jukbeen is het gezwollen. Ik heb ook een scheurtje boven mijn lip.
5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 20 oktober 2025, opgenomen op pagina 48 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant:
Ik heb de beelden afkomstig van een beveiligingscamera in het centrum van Groningen aan de [adres] bewerkt met een programma dat de mogelijkheid bood om de beelden in te zoomen.
00:06:34 Ik zag dat [medeverdachte] , gevolgd door [verdachte] , in de richting van slt1 (
de rechtbank begrijpt: aangever [slachtoffer 1]) en slt2 (
de rechtbank begrijpt: aangever [slachtoffer 2]) liep.
00:06:50 Ik zag dat [verdachte] zijn rechter arm naar achter haalde en slt2 in zijn gezicht sloeg. 00:06:54 Ik zag dat [verdachte] met zijn rechter vuist, slt2 twaalf keer achter elkaar sloeg, terwijl [medeverdachte] en slt1 tegenover elkaar in vechthouding stonden.
00:06:57 Ik zag dat [medeverdachte] en slt1 elkaar sloegen. 00:07:00 Ik zag dat [verdachte] slt2 naar de grond werkte.
00:07:08 Ik zag dat [verdachte] slt2 tegen zijn rug trapte.
00:07:09 Ik zag dat [verdachte] met zijn rechtervoet op de onderrug van slt2 trapte.
00:07:11 Ik zag dat [verdachte] over slt2 heen stapte en met zijn rechter arm een slag naar het gezicht van slt1 maakte.
00:07:17 Ik zag dat [verdachte] slt2 recht in zijn gezicht trapte met zijn rechter been.
00:07:20 Ik zag dat [verdachte] slt1 met zijn rechter arm in het gezicht sloeg.
00:07:22 Ik zag dat [verdachte] met zijn rechter arm een slag maakte naar slt1 (
de rechtbank leest: slt 2) die op de grond lag.
6. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte
d.d. 13 oktober 2025, opgenomen op pagina 88 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van verdachte [medeverdachte] :
Ik was in Groningen. Ik weet niet wat ik heb gedaan toen er werd gevochten. Op de beelden is te zien dat ik wel meedeed.
Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten ten aanzien van feit 1 overweegt de rechtbank het volgende.
Om tot een bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde te komen, dient de rechtbank vast te stellen of verdachte opzet heeft gehad om aangever van het leven te beroven. De rechtbank is van oordeel dat zich in het dossier geen aanknopingspunten bevinden waaruit blijkt dat sprake was van vol opzet bij verdachte. Wel vindt de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte door zijn gedragingen voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van aangever. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg zoals de dood is aanwezig als verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten, dat wil zeggen om een reële, niet onwaarschijnlijke kans.
De rechtbank is van oordeel dat er sprake is geweest van voorwaardelijk opzet van verdachte om aangever van het leven te beroven en overweegt daartoe het volgende.
Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte aangever tegen het hoofd en andere delen van het lichaam heeft geslagen en geschopt, ook toen aangever weerloos op de grond lag.
De rechtbank stelt voorop dat het een feit van algemene bekendheid is dat het hoofd meerdere bijvoorbeeld aan de zijkant ter hoogte van de slaap kwetsbare plekken bevat en dat met kracht uitgevoerde geweldshandelingen tegen/op het hoofd fatale gevolgen kunnen hebben.
Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij beheerst heeft geslagen, omdat hij dat als bokser gewend is te doen. Deze verklaring vindt echter geen steun in de ter terechtzitting getoonde camerabeelden van het incident. Verdachte was bovendien onder invloed van alcohol en cocaïne. Dat hij zichzelf op dat moment zo onder controle had dat hij beheerst kon slaan, acht de rechtbank niet aannemelijk. De rechtbank is dan ook van oordeel dat een reële, niet onwaarschijnlijke kans bestond dat aangever zodanig ernstig gewond zou raken dat hij daaraan zou komen te overlijden. De gedragingen van verdachte waren naar de uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op het bewerkstelligen van de dood, dat hieruit volgt dat hij die aanmerkelijke kans ook bewust heeft aanvaard. Van aanwijzingen voor het tegendeel is niet gebleken.
De officier van justitie heeft gesteld dat sprake is van medeplegen (van poging tot doodslag) door verdachte en medeverdachte. De rechtbank merkt hiertoe op dat het medeplegen niet expliciet is ten laste gelegd. Nu het kennelijk wel de bedoeling is geweest om medeplegen ten laste te leggen, gaat de
rechtbank uit van een kennelijke misslag. De rechtbank zal de tenlastelegging aldus lezen dat verdachte medeplegen wordt verweten.
De rechtbank stelt vast dat uit de camerabeelden blijkt dat het door de medeverdachte toegepaste geweld niet was gericht op het hoofd van [slachtoffer 2] . Het door verdachte gebruikte geweld is veel heviger geweest, terwijl medeverdachte op dat moment vooral gericht was op aangever [slachtoffer 1] . De rechtbank is daarom van oordeel dat de handelingen van de medeverdachte van onvoldoende gewicht zijn om van medeplegen te kunnen spreken, zodat verdachte van dit onderdeel van de tenlastelegging wordt vrijgesproken.
De rechtbank acht ook feit 2 bewezen, met dien verstande dat niet is komen vast te staan dat het letsel van aangever door het door verdachte zelf gepleegde geweld is ontstaan. Verdachte zal daarom van dit - strafverzwarende- onderdeel van de tenlastelegging worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht de feiten 1 primair en 2 wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
1
primair
hij op 12 oktober 2025 te Groningen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer 2] van het leven te beroven, die
[slachtoffer 2] meerdere malen heeft geslagen tegen het hoofd en het lichaam en vervolgens, toen die [slachtoffer 2] op de grond lag, meerdere malen met geschoeide voet tegen het hoofd en andere delen van het lichaam heeft geschopt en/of getrapt en/of gestampt en/of met kracht met gebalde vuisten tegen het hoofd en/of het lichaam heeft gestompt en/of geslagen,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; 2
hij op 12 oktober 2025 te Groningen op de openbare weg, de [adres] , in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1] , welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit het meerdere malen slaan tegen het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer 1] .
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:
1
primairpoging tot doodslag;
2 openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.
Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van feit 1 primair en 2 wordt veroordeeld tot een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 24 maanden met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht rekening te houden met de volgende omstandigheden. Verdachte heeft geen strafblad, houdt zich aan de voorwaarden die hem bij de schorsing van de voorlopige hechtenis zijn opgelegd en wil zo snel mogelijk aan het werk. Zijn vriendin is zwanger en verdachte heeft een vaderrol voor de zoon van zijn vriendin.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de rapportage van Reclassering Nederland van 24 december 2025, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag door zijn slachtoffer meermalen tegen het hoofd en het lichaam te slaan en te trappen, ook toen het slachtoffer op de grond lag. Door dit extreem geweld heeft verdachte een zeer ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. De rechtbank is van oordeel dat een gevangenisstraf voor een dergelijk strafbaar feit de enige passende reactie is.
Daarnaast heeft verdachte, samen met de medeverdachte, geweld gepleegd tegen een vriend van het slachtoffer, die probeerde om de vechtende partijen uit elkaar te houden.
In strafverzwarende zin weegt mee dat de feiten gepleegd zijn in de openbare ruimte nabij een uitgaansgelegenheid. Hierdoor waren verschillende mensen ongevraagd getuige van het uitgaansgeweld.
Afgezien van het feit dat verdachte geen strafblad heeft, geven de persoonlijke omstandigheden van verdachte geen aanleiding om daarmee in strafverminderende zin rekening te houden. Wel is enigszins strafmatigend de omstandigheid dat aangever [slachtoffer 2] zich die avond provocerend heeft gedragen.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 18 maanden moet worden opgelegd. De tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht, zal hierop in mindering worden gebracht.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van Pro het Wetboek van Strafvordering.

Benadeelde partijen

De volgende personen hebben zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding:
[slachtoffer 2] , tot een bedrag van 573,- ter vergoeding van materiële schade en 5.000,- ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan;
[slachtoffer 1] , tot een bedrag van 218,82 ter vergoeding van materiële schade en 1.500,- ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van [slachtoffer 2] toewijsbaar is tot een bedrag van 5.553,-. De verhoging van de zorgkosten wegens het niet tijdig betalen ( 20,-), komt niet voor rekening en risico van verdachten. De vordering van [slachtoffer 1] is volledig toewijsbaar.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht om de gevorderde immateriële schade voor [slachtoffer 2] vast te stellen op maximaal 500,- en voor [slachtoffer 1] op 150,-. Beide benadeelde partijen hebben zelf ook het gevecht gezocht en flink geprovoceerd. Bovendien is deze schade op geen enkele manier onderbouwd met jurisprudentie en wijken ze flink af van de Letsellijst Schadefonds Geweldsmisdrijven.
De raadsvrouw heeft gesteld dat de door [slachtoffer 2] gevorderde materiële schade niet- ontvankelijk moet worden verklaard omdat deze schade op geen enkele manier is onderbouwd. De door [slachtoffer 1] gevorderde post taxibon is toewijsbaar. Met betrekking tot de posten trui en ketting heeft de raadsvrouw niet-ontvankelijkheid verzocht. Deze posten zijn onvoldoende onderbouwd en bovendien is sprake van eigen schuld.
Oordeel van de rechtbank
ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 2]
De rechtbank is van oordeel dat een deel van de gestelde immateriële schade voldoende aannemelijk is geworden en in zodanig verband staat met het door verdachte gepleegde strafbare feit, dat deze aan hem als een gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend. De rechtbank acht de vordering gegrond en voor toewijzing vatbaar tot een bedrag van
2.500,00 aan immateriële schade. De rechtbank heeft daarbij rekening gehouden met het provocerende gedrag dat de benadeelde partij heeft getoond richting verdachte. Het bedrag zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 oktober 2025. De benadeelde partij zal niet-ontvankelijk worden verklaard in het overige deel van de gevorderde immateriële schade.
De rechtbank beschikt met betrekking tot de gevorderde materiële schade, die door de verdediging is betwist, over onvoldoende informatie om de hoogte van de geleden schade te kunnen vaststellen. Dit deel is onvoldoende onderbouwd waardoor niet eenvoudig is vast te stellen wat de relatie is met het strafbare feit. De rechtbank zal echter niet overgaan tot schorsing van het onderzoek om de hoogte van die schade alsnog te doen aantonen. Dit zal namelijk leiden tot een onevenredige belasting van het strafgeding. De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in dit deel van de vordering. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 1]
De rechtbank is van oordeel dat een deel van de gestelde materiële en immateriële schade voldoende aannemelijk is geworden en in zodanig verband staat met het door verdachte gepleegde strafbare feit, dat deze aan hem als een gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend. De rechtbank acht de vordering gegrond en voor toewijzing vatbaar tot een bedrag van 118,82 aan materiële schade (de posten taxikosten ad 8,82 en trui ad
110,-) en 1.000,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 oktober 2025. De rechtbank is het niet eens met de stelling van de raadsvrouw dat de benadeelde partij zelf deels schuldig is aan de schade. Uit de camerabeelden komt naar voren dat de benadeelde partij juist heeft geprobeerd om de vechtende partijen uit elkaar te houden.
De rechtbank beschikt met betrekking tot het overige deel van de vordering, dat door de verdediging is betwist, over onvoldoende informatie om de hoogte van de geleden schade te kunnen vaststellen. Dit deel is onvoldoende onderbouwd waardoor niet eenvoudig is vast te stellen wat de relatie is met het strafbare feit. De rechtbank zal echter niet overgaan tot schorsing van het onderzoek om de hoogte van die schade alsnog te doen aantonen. Dit zal namelijk leiden tot een onevenredige belasting van het strafgeding. De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in het overige deel van de vordering. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
De rechtbank stelt vast dat verdachte de strafbare feiten, hoewel op verschillende wijze strafrechtelijk gekwalificeerd, samen met een ander heeft gepleegd en dat zij naar civielrechtelijke maatstaven hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade. De rechtbank zal daarom bepalen dat verdachte de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partijen hoeft te betalen indien zijn medeverdachte deze al heeft betaald, en andersom.
Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedings-maatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partijen tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partijen ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moeten maken.
Toepassing van wetsartikelen
De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f, 45, 57, 141 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.
Ten aanzien van feit 1 primair:
Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, om aan
[slachtoffer 2]te betalen:
  • het bedrag van 2.500,- (zegge: vijfentwintighonderd euro);
  • de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 12 oktober 2025 tot de dag van algehele voldoening;
  • de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.
Verklaart de benadeelde partij in diens vordering voor het overige niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Legt aan verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer 2] aan de Staat te betalen een bedrag van 2.500,-(zegge: vijfentwintighonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 oktober 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 25 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat als verdachte of een mededader voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.
Ten aanzien van feit 2:
Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, om aan
[slachtoffer 1]te betalen:
  • het bedrag van 1.118,82 (zegge: elfhonderd achttien euro en tweeëntachtig eurocent);
  • de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 12 oktober 2025 tot de dag van algehele voldoening;
  • de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.
Verklaart de benadeelde partij in diens vordering voor het overige niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Legt aan verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer 1] aan de Staat te betalen een bedrag van 1.118,82 (zegge: elfhonderd achttien euro en tweeëntachtig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 oktober 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit 118,82 aan materiële schade en 1.000,- aan immateriële schade.
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 11 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat als verdachte of een mededader voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.L.J.M.A. Janssens, voorzitter, mr. M.S. van der Kuijl en mr. E.P. van Sloten, rechters, bijgestaan door A.W. ten Have-Imminga, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 3 februari 2026.