ECLI:NL:RBNNE:2026:27

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
9 januari 2026
Publicatiedatum
9 januari 2026
Zaaknummer
18.152308.25
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Meervoudige strafzaak tegen verdachte wegens meerdere delicten met vuurwapen en bedreiging

In deze strafzaak heeft de rechtbank Noord-Nederland op 9 januari 2026 uitspraak gedaan in een meervoudige kamer over een verdachte die zich schuldig heeft gemaakt aan meerdere delicten, waaronder bedreiging met een vuurwapen en diefstal. De verdachte, geboren in 1990 en thans gedetineerd, heeft in de periode van 15 tot en met 17 mei 2025 in Groningen een aantal ernstige misdrijven gepleegd. Hij heeft onder invloed van drugs een semiautomatisch pistool gebruikt om meerdere slachtoffers te bedreigen en heeft goederen van hen gestolen. Tijdens zijn eerste bezoek aan de woning van het eerste slachtoffer heeft hij het vuurwapen getoond en bedreigingen geuit. Op een later moment heeft hij opnieuw met het vuurwapen gedreigd en is hij achter een slachtoffer aangerend. De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden, waarbij de ernst van de feiten en het gebruik van een vuurwapen zwaar zijn meegewogen. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte eerder is veroordeeld voor vermogensdelicten en dat hij geen verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn daden. De officier van justitie had een hogere straf geëist, maar de rechtbank heeft de straf gematigd. De rechtbank heeft ook een schadevergoeding toegewezen aan het eerste slachtoffer voor immateriële schade, maar de materiële schade is niet bewezen verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht
Locatie Groningen
parketnummer 18.152308.25
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 9 januari 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1990 te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] ,
thans gedetineerd te [instelling] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 19 december 2025. Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. D.C. Vlielander, advocaat te Utrecht.
Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. A.H. Veltkamp.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
1.
hij in of omstreeks de periode 15 mei 2025 tot en met 16 mei 2025 te Groningen opzettelijk en wederrechtelijk de lamellen en het raam van de woning aan [adres] te Groningen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;
2.
hij in of omstreeks de periode 15 mei 2025 tot en met 17 mei 2025 te Groningen een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een semi-automatisch centraalvuur pistool, van het merk/type automatic Bruni 96, kaliber 9 mm zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool
en/of
  • een patroonmagazijn, bestemd en passend in voornoemd vuurwapen, zijnde/althans een wapen van categorie III en/of
  • munitie van categorie II, te weten drie centraalvuur kogelpatronen van het kaliber 9mm (PAK) voorhanden heeft gehad;
3.
hij in of omstreeks de periode 15 mei 2025 tot en met 17 mei 2025 te Groningen een koptelefoon, horloge, broek en/of jas, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door (op korte afstand) een vuurwapen aan die [slachtoffer 1] te tonen en/of met dat vuurwapen op die [slachtoffer 1] te richten;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij in of omstreeks de periode 15 mei 2025 tot en met 17 mei 2025 te Groningen [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door (op korte afstand) een vuurwapen aan die [slachtoffer 1] te tonen en/of met dat vuurwapen op die [slachtoffer 1] te richten;
4.
hij op of omstreeks 16 mei 2025 te Groningen [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door (op korte afstand) een vuurwapen aan die [slachtoffer 2] te tonen en/of met dat vuurwapen op die [slachtoffer 2] te richten en/of (daarbij) de woorden te roepen: “Jij gaat dood vandaag vriendje, dood!” en/of “Je gaat tot tien tellen, je gaat dood!”, althans woorden van gelijke dreigende strekking;
5.
hij op of omstreeks 16 mei 2025 te Groningen [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door (op korte afstand) een vuurwapen aan die [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 3] te tonen en/of met dat vuurwapen op die [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 3] te richten.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd van feit 1.
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor feiten 2, 3 primair, 4 en 5.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van feiten 1, 3 primair en 5. Daartoe heeft hij het volgende aangevoerd.
Voor wat betreft feit 3 primair ontbreekt wettig en overtuigend bewijs dat verdachte de goederen heeft gestolen. De jas is niet uit diefstal afkomstig, want deze is aan hem geretourneerd en behoort dus aan hem toe. Van de overige goederen is onduidelijk of die in de woning hebben gelegen. Daarvan zijn geen bonnetjes beschikbaar en deze spullen zijn niet (onder verdachte) teruggevonden. Daarbij komt dat op het filmpje niet waarneembaar is dat spullen worden gepakt noch dat verdachte heeft bevolen spullen aan hem te geven. De intentie van verdachte was slechts de bedreiging van [slachtoffer 2] met een vuurwapen om hem een achterstallige betaling van drugsgeld (ter hoogte van 200,-) te voldoen. Daarnaast hebben getuigen [getuige 1] en [getuige 2] geweigerd verklaringen af te leggen.
Voorts is de verklaring van aangever [slachtoffer 1] onbetrouwbaar, want deze is inconsistent. Aangever was onder invloed van verdovende middelen en het is een feit van algemene bekendheid dat die het geheugen aantasten. Hij is pas op 21 mei 2025 door de politie gehoord, waardoor in de tussentijd overleg met verschillende personen kan hebben plaatsgevonden.
Met betrekking tot feit 5 kunnen de bedreigingen niet wettig en overtuigend worden bewezen. Aangevers [slachtoffer 4] en [slachtoffer 3] hebben anders verklaard over de gebeurtenis(sen). Bovendien hebben deze personen niet zelf met 112 gebeld en zijn er geen camerabeelden die hun verklaringen ondersteunen. Weliswaar is op het gezicht van [slachtoffer 4] bloed gezien, maar een mishandeling is niet ten laste gelegd. Het verhaal van verdachte moet worden gevolgd; dat hij aangevers heeft gezien en daar is geweest, maar dat hij niemand heeft bedreigd.
De raadsman heeft zich ten aanzien van feiten 2 en 4 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van feit 1:
De rechtbank acht feit 1 niet wettig en overtuigend bewezen, zodat verdachte hiervan zal worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende.
Enkel uit de aangifte van [slachtoffer 1] volgt dat verdachte in de nacht van 15 op 16 mei 2025 in de woonkamer van de woning aan [adres] te Groningen heeft geschoten en dat de kogel door het raam is gegaan. De aangifte wordt niet ondersteund door andere getuigenverklaringen. Verder hebben verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] op 16 mei 2025 aan het eind van de ochtend gezien dat er een gat in het raam naast de voordeur van de woning en een gat op dezelfde hoogte in de band van lamellen zat; echter niet is forensisch onderzocht of het kogelgaten betroffen. Naar aanleiding hiervan is de rechtbank van oordeel dat het onder 1 tenlastegelegde feit niet wettig en overtuigend kan worden bewezen.
Ten aanzien van feiten 2 en 4:
De rechtbank acht feiten 2 en 4 wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte deze feiten duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.
Deze opgave luidt als volgt:
de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 19 december 2025;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 23 mei 2025, opgenomen op pagina 103 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2025131046 d.d. 16 juli 2025, inhoudend het relaas van verbalisant [verbalisant] ;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal onderzoek wapen d.d. 25 juni 2025, opgenomen op pagina 159 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant] .
Ten aanzien van feit 3 primair:
Betrouwbaarheid verklaring aangever [slachtoffer 1]
De rechtbank dient eerst de vraag te beantwoorden of de verklaring van aangever [slachtoffer 1] betrouwbaar is en zij overweegt daartoe als volgt.
De rechtbank stelt vast dat de door aangever beschreven incidenten op 16 mei 2025 (aan het begin van de nacht) en 17 mei 2025 op onderdelen steun vinden in de getuigenverklaring van [slachtoffer 2] en diverse bevindingen van de politie.
Ten aanzien van 16 mei 2025 heeft [slachtoffer 2] evenals [slachtoffer 1] verklaard dat verdachte aangever en de andere aanwezigen in diens woonkamer heeft bedreigd door een wapen op hen te richten en vervolgens spullen te pakken en te vertrekken. Daarnaast is geverbaliseerd dat verdachte op dezelfde dag en rond hetzelfde tijdstip in die woning met de telefoon van [slachtoffer 1] een filmpje heeft opgenomen, waarop (onder meer) zichtbaar is dat verdachte in de woonkamer [slachtoffer 2] heeft
bedreigd door een pistool op hem te richten.
Met betrekking tot 17 mei 2025 heeft [naam] , nadat [slachtoffer 1] met hem contact had opgenomen, de politie gebeld met de mededeling dat [slachtoffer 1] hem had aangegeven dat er iemand met een vuurwapen in de woning was. Hierbij klonk [naam] angstig. Bovendien is de gele Airforce jas nadien onder verdachte aangetroffen.
Gelet op het hiervoor overwogene acht de rechtbank de verklaring van aangever geloofwaardig. De constatering dat aangever onder invloed van verdovende middelen was doet hieraan niet af. Uit het dossier blijken geen verdere feiten en omstandigheden die nopen tot een ander oordeel.
Bewijsmiddelen
De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring van feit 3 primair redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
1. De door verdachte ter zitting van 19 december 2025 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:
Op 16 mei 2025 ergens tussen 01:00 en 02:30 ben ik in de woning van [slachtoffer 1] geweest. Daar heb ik [slachtoffer 2] met een vuurwapen bedreigd. Op 17 mei 2025 ben ik met een vuurwapen in die woning teruggekomen.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal aangifte d.d. 21 mei 2025, opgenomen op pagina 72 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2025131046 d.d. 16 juli 2025, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 1] :
Op 15 mei 2025 was ik in mijn woning aan [adres] te Groningen. De politie is gebeld en wij zijn toen stuk voor stuk uit de woning gehaald. Daarna is de politie weggegaan en zijn wij weer naar binnen gegaan. Een uur later is [verdachte] teruggekomen met een doorgeladen vuurwapen. Hij kwam achterom de woning in. Toen [verdachte] de woonkamer binnenkwam heeft hij iedereen die aanwezig was met het vuurwapen bedreigd, hij heeft op een ieder gericht. Hij haalde de slede naar achteren en richtte op ons. Je hoorde “klik klik” en dat het vuurwapen doorlaadde. Iedereen lag op de grond, in elkaar gedoken. Tijdens het dreigen met het vuurwapen richtte hij op ons allemaal, een stukje van ons hoofd. [verdachte] heeft tijdens dit gedrag een tas gepakt en daar deed hij een West Ham United broek, een Galaxy Watch horloge en een koptelefoon van Yealink in. Dit zijn mijn eigendommen. [verdachte] is de enige die mijn woning heeft verlaten toen.
Op 17 mei 2025 zaten we weer in mijn woning. Op een gegeven moment heeft [verdachte] geprobeerd de deur te flipperen en riep dat die deur open moest. Ik wilde hem er niet in hebben dus deed de deur niet open. De Poolse jongen heeft de deur geopend en hij stormde gelijk naar binnen, [verdachte] dus. In de woonkamer deed [verdachte] weer “klik klik”, het vuurwapen doorladen. Kort hierna heeft [verdachte] mijn woning verlaten, vermoedelijk via de achterdeur. Hij is zelfs gearresteerd met mijn gele Airforce jas aan.
Met vuurwapen ben ik heel bang voor hem.
Alle weggenomen goederen van mij zijn: jas, koptelefoon, Galaxy Watch en West Ham United broek.
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 20 mei 2025, opgenomen op pagina 81 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 2] :
V: Wat is er gebeurd op 15 mei 2025 in de woning aan [adres] te Groningen?
A: Dat was op 15 mei 2025, rond 22:00 uur. We zijn toen naar het huis van [slachtoffer 1] gegaan. A: Later kwam [verdachte] weer aan [adres] te Groningen. Ik was daar ook nog steeds.
V: Hoe laat was dat?
A: Ik denk rond 02.00 uur in de nacht. V: Wat deed [verdachte] ?
A: Ik zag dat hij een wapen in zijn hand had en naar ons richtte en riep iets over spullen. V: Waar was dat in de woning?
A: Gewoon in de woonkamer. V: Hoe ging het verder?
A: [verdachte] heeft mijn jas gepakt en nog wat andere spullen en is daarna weer weggegaan.
4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 23 mei 2025, opgenomen op pagina 116 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] :
Op 23 mei 2025 waren wij in de [instelling] . [verdachte] werd door het personeel bij ons gebracht alsmede de gele Airforce jas. Wij namen deze jas in beslag.
Op grond van bovengenoemde bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat het onder 3 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen is.
Ten aanzien van feit 5:
De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring van feit 5 redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
1. De door verdachte ter zitting van 19 december 2025 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:
Op 16 mei 2025 ben ik [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] bij de nachtwinkel tegengekomen. Ik heb daar met hen gepraat.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal aangifte d.d. 22 mei 2025, opgenomen op pagina 130 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2025131046 d.d. 16 juli 2025, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 3] :
Op 16 mei 2025, was ik voor [adres] te Groningen. Dit betreft een Day and Night shop (nachtwinkel/supermarkt). Ik was hier samen met die vriend van mij, [slachtoffer 4] [de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 4] ]. Ik zag dat [verdachte] op mij af kwam lopen en hoorde dat hij mij begroette. [verdachte] zei tegen mij dat hij 200 euro van mij zou krijgen. Ik zag dat, uit het niets, [verdachte] zijn rechterarm met kracht naar mijn gezicht bewoog. Ik kon de klap van [verdachte] afweren met mijn arm. Ik zag dat [verdachte] vervolgens zijn jas omhoog deed en met zijn rechterhand naar zijn broeksriem greep. Ik zag dat [verdachte] een vuurwapen uit zijn broeksriem trok. Ik zag dat [verdachte] het vuurwapen omhoog bewoog en met zijn linkerhand de slede naar achteren trok om hem door te laden. Ik zag dat [verdachte] vervolgens het wapen verder omhoog bewoog en het vuurwapen op mij richtte. Ik draaide mij heel snel om en ben heel hard weggerend, in de richting van de McDonalds Westerhaven. Door deze handeling voelde ik mij zeer bedreigd en vreesde voor mijn leven. Ik was bang dat [verdachte] daadwerkelijk de trekker over zou halen en mij neer dan wel dood zou schieten.
Toen ik wegrende bleef [slachtoffer 4] staan.
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal aangifte d.d. 22 mei 2025, opgenomen op pagina 124 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 4] :
Op 16 mei 2025 omstreeks 2.00 uur fietsten [slachtoffer 3] en ik richting de Westerhaven. Op de Westersingel ter hoogte van de nachtwinkel stond die jongen.
Ik zag dat [slachtoffer 3] en de man elkaar een box of iets dergelijks gaven en toen uit het niets sloeg het om en begon de man over zijn twee “barkie” die hij nog tegoed had van [slachtoffer 3] . Ik zag dat die man [slachtoffer 3] duwde en probeerde te slaan, maar [slachtoffer 3] verdedigde zichzelf. Daarna zag ik dat [slachtoffer 3] wegrende in de richting van de Westerhaven. Ik zag dat die man eerst achter [slachtoffer 3] aanrende en daarna weer terugkwam.
Toen liep hij naar mij toe en zei: “Jij gaat nu regelen dat hij die twee barkies betaalt” en zette een pistool op m'n keel. Daarna kreeg ik een klap in mijn gezicht. Ik werd geraakt op mijn neus. Hierdoor voelde direct pijn en ik had bloedneus. Ik voelde mij niet veilig, ik had echt het idee dat hij mij neer kon schieten, daarom ben ik hard weggerend. Ik ben richting de stad gerend en daar heeft een beveiliger de politie gebeld.
4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 23 mei 2025, opgenomen op pagina 128 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant] :
Op 16 mei 2025 omstreeks 02.15 uur kregen wij de opdracht van onze centralist om te gaan naar de Westerhaven. Via de horecatelefoon was er een melding bij hem binnengekomen dat er een persoon was bedreigd met een vuurwapen.
Ik ging met collega's ter plaatse bij het slachtoffer. Het slachtoffer stond op de Brugstraat voor studentenvereniging Albertus Magnus bij een beveiliger die zei dat hij de politie had gebeld. Ter plaatse spraken wij met het slachtoffer, [slachtoffer 4] . Hij vertelde mij het verhaal zoals beschreven in zijn aangifte. Hij was zeer aangeslagen en bang door de bedreiging en wilde zo snel mogelijk naar huis. Ik zag dat [slachtoffer 4] een druppel bloed, vermoedelijk van zijn bloedneus, op zijn wang had. Hierna zijn wij met hem meegelopen naar de Westersingel omdat zijn fiets daar nog stond en hij bang was om de verdachte weer te treffen.
Bewijsoverweging
Verdachte heeft verklaard dat hij [slachtoffer 4] en [slachtoffer 3] voor de nachtwinkel heeft gesproken. Zowel [slachtoffer 4] als [slachtoffer 3] hebben verklaard dat zij binnen een zeer kort tijdsbestek - enkele minuten - met een vuurwapen door verdachte zijn bedreigd. [slachtoffer 4] heeft vrijwel direct daarna een beveiliger aangesproken en hij heeft hem verteld dat hij was bedreigd met een vuurwapen, waarna de politie ter plaatste is gekomen en heeft geconstateerd dat [slachtoffer 4] zeer overstuur was. Gelet hierop acht de rechtbank op basis van de voormelde bewijsmiddelen feit 5, ten aanzien van [slachtoffer 4] en [slachtoffer 3] , wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht feiten 2, 3 primair, 4 en 5 wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
2.
hij in de periode 15 mei 2025 tot en met 17 mei 2025 te Groningen een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een semi-automatisch centraalvuur pistool, van het merk/type
automatic Bruni 96, kaliber 9 mm zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool en
  • een patroonmagazijn, bestemd en passend in voornoemd vuurwapen, zijnde een wapen van categorie III onder 1 van de Wet wapen en munitie en
  • munitie van categorie II onder 4 van de Wet wapens en munitie, te weten drie centraalvuur kogelpatronen van het kaliber 9mm (PAK)
voorhanden heeft gehad;
3 primair.
hij in de periode 15 mei 2025 tot en met 17 mei 2025 te Groningen een koptelefoon, horloge, broek en jas, die geheel aan [slachtoffer 1] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld van bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, door (op korte afstand) een vuurwapen aan die [slachtoffer 1] te tonen en/of met dat vuurwapen op die [slachtoffer 1] te richten;
hij op 16 mei 2025 te Groningen [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door (op korte afstand) een vuurwapen aan die [slachtoffer 2] te tonen en met dat vuurwapen op die [slachtoffer 2] te richten en (daarbij) de woorden te roepen: “Jij gaat dood vandaag vriendje, dood!” en “Je gaat tot tien tellen, je gaat dood!”;
hij op 16 mei 2025 te Groningen [slachtoffer 4] en [slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door (op korte afstand) een vuurwapen aan die [slachtoffer 4] en [slachtoffer 2] te tonen en/of met dat vuurwapen op die [slachtoffer 4] en [slachtoffer 2] te richten.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:
2. handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;
3 primair. diefstal, voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken;
4. bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;
5. bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermaals gepleegd.
Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.
Strafbaarheid van verdachte
De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 42 maanden, met aftrek van de duur van het reeds ondergane voorarrest. Een voorwaardelijk strafdeel met bijzondere voorwaarden wordt niet geëist, want het is passender en effectiever om bij de (eventuele) voorwaardelijke invrijheidstelling te bepalen welke voorwaarden tegen die tijd van toepassing kunnen zijn.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft gepleit voor de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de periode die verdachte in voorarrest heeft gezeten en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 120 dagen waaraan de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden moeten worden gekoppeld. Indien de rechtbank een gevangenisstraf van meer dan twaalf maanden zal opleggen heeft de raadsman een strafoplegging zonder voorwaardelijk deel verzocht, omdat in dat geval beter in het traject van de voorwaardelijke invrijheidstelling naar bijzondere voorwaarden kan worden gekeken.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de rapportages van de reclassering, het uittreksel uit de justitiële documentatie van 26 november 2025, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Verdachte heeft zich in korte tijd schuldig gemaakt aan meerdere delicten, waarbij telkens (onder invloed van drugs) een semiautomatisch (centraalvuur) pistool in het spel is geweest. Op twee achtereenvolgende dagen is verdachte met het doorgeladen pistool in andermans woning geweest, heeft hij dat vuurwapen aan de bewoner getoond dan wel op hem gericht en heeft verdachte een paar kledingstukken, een horloge en een koptelefoon van dit eerste slachtoffer gestolen. Tijdens zijn eerste nachtelijke bezoek aldaar is door verdachte met de telefoon van die bewoner ook gefilmd hoe verdachte het wapen op een in elkaar gedoken tweede slachtoffer richt en hij voortdurend in zijn richting doodsbedreigingen uit. Hierna heeft verdachte voor een nachtwinkel wederom het vuurwapen doorgeladen en op een derde slachtoffer gericht, is verdachte hem achterna gerend, teruggekomen en heeft hij daar het pistool op de keel van een vierde slachtoffer gezet.
Door zijn gedragingen heeft verdachte de slachtoffers vrees aangejaagd dat zij hun levens niet zeker waren. Het ongecontroleerde bezit van een vuurwapen brengt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen mee en versterkt gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving. Daarnaast heeft hij geen enkel respect voor de persoonlijke eigendommen van een ander getoond. Ter zitting heeft verdachte slechts zeer beperkt verantwoordelijkheid voor zijn handelen genomen.
Het voorgaande rekent de rechtbank verdachte aan.
De rechtbank heeft tevens in aanmerking genomen dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld ter zake van met name vermogensdelicten.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 5 december 2025. De reclassering adviseert een (deels) voorwaardelijke straf met daaraan verbonden bijzondere voorwaarden. De reclassering acht een behandeling voor de middelenproblematiek van verdachte en een drugs- en alcoholverbod van belang om het hoge recidiverisico in te perken. Daarnaast is het wenselijk verdachte te plaatsen in een setting van begeleid wonen in combinatie met ambulante verslavingszorg, psychische ondersteuning, dagbesteding en een begeleiding bij het opbouwen van een stabiele woon- en dagstructuur.
Bij het bepalen van de straf en de hoogte daarvan heeft de rechtbank de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (hierna: LOVS) in ogenschouw genomen. De oriëntatiepunten van het LOVS gaan voor het voorhanden hebben van een pistool van categorie III onder 1 in de openbare ruimte en voor bedreiging door middel van het tonen van een vuurwapen uit van gevangenisstraffen van respectievelijk acht maanden en zes maanden. Verdachte heeft meerdere bedreigingen met het vuurwapen gepleegd, alsmede de diefstal onder dreiging van het vuurwapen.
Gelet op de aard en ernst van de feiten is de rechtbank van oordeel dat de oplegging van een gevangenisstraf van 24 maanden passend en geboden is. Gezien de duur van de vrijheidsstraf zal de rechtbank, conform de standpunten van de officier van justitie en de raadsman, daaraan geen voorwaardelijk strafdeel verbinden. Daarbij merkt de rechtbank op dat in het kader van de voorwaardelijke invrijheidstelling nader te bepalen bijzondere voorwaarden kunnen worden gesteld, rechtens de artikelen 6:2:10 en 6:2:11 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv).
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 Sv.

Inbeslaggenomen goederen

Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat het vuurwapen en de munitie dienen te worden onttrokken aan het verkeer.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht de onder verdachte inbeslaggenomen voorwerpen, te weten een pistool (vuurwapen) en kogelpatronen (munitie), vatbaar voor onttrekking aan het verkeer nu met betrekking tot en/of met behulp van welke de bewezenverklaarde feiten zijn begaan en zij van zodanige aard zijn dat het
ongecontroleerde bezit daarvan door verdachte in strijd is met de wet of met het algemeen belang.

Benadeelde partij

Ten aanzien van de feiten 1 en 3 primair heeft [slachtoffer 1] zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van 500,- ter vergoeding van materiële schade en 1.000,- ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het materiële gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Ten aanzien van het immateriële deel van de vordering heeft zij zich op het standpunt gesteld dat een schadevergoeding passend is en bij het bepalen van de hoogte daarvan gebruik te maken van de schattingsbevoegdheid, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit de gehele vordering af te wijzen dan wel niet-ontvankelijk te verklaren. Voor wat betreft de gevorderde immateriële schade is de psychische schade onvoldoende onderbouwd.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht feit 1, waaruit de materiële schade zou zijn ontstaan, niet bewezen. De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in dit gedeelte van de vordering.
De rechtbank is van oordeel dat voldoende aannemelijk is dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 3 primair bewezen verklaarde. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat op twee verschillende momenten telkens in de woning van benadeelde sprake is geweest van een diefstal onder bedreiging met geweld door middel van een vuurwapen. In het verzoek tot schadevergoeding is vermeld dat benadeelde als gevolg hiervan ernstige psychische klachten heeft ontwikkeld. Hierin is opgemerkt dat benadeelde herbelevingen, paniekaanvallen en veel stress ervaart en dat hij zich thuis niet meer veilig voelt en daardoor slaapproblemen heeft ontwikkeld, waarvoor hij medicatie gebruikt. Hoewel benadeelde het vorenbedoelde niet aan de hand van (medische) stukken heeft onderbouwd, brengen de hiervoor weergegeven aard en ernst van de normschending en gevolgen daarvan voor benadeelde mee dat sprake is van een persoonsaantasting. De rechtbank acht daarom de toewijzing van het gevorderde bedrag van 1.000,- redelijk en billijk. De rechtbank zal dit gedeelte van de vordering toewijzen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 17 mei 2025.
Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Toepassing van wetsartikelen
De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36b, 36c, 36f, 57, 63, 285 en 312 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 1 is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 2, 3 primair, 4 en 5 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.
Verklaart onttrokken aan het verkeer de in beslag genomen goederen:
  • Pistool (vuurwapen) (goednummer: 1830072);
  • Munitie (kogelpatronen) (goednummers: 1834514 en 1830417);
Ten aanzien van feit 3 primair:
Wijst de vordering van de benadeelde partij ten aanzien van de immateriële schade toe en veroordeelt verdachte om aan [slachtoffer 1] te betalen:
  • het bedrag van 1.000,- (zegge: duizend euro);
  • de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 17 mei 2025 tot de dag van algehele voldoening;
  • de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.
Verklaart de vordering van [slachtoffer 1] ten aanzien van de materiële schade niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer 1] aan de Staat te betalen een bedrag van 1.000,- (zegge: duizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 mei 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag betreft de immateriële schade.
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 20 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.L.J.M.A. Janssens, voorzitter, mr. H. van der Werff en mr. K. Offerein-Hulshoff, rechters, bijgestaan door mr. M. Huiskamp, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 9 januari 2026.
Mr. K. Offerein-Hulshoff is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.