ECLI:NL:RBNNE:2026:2795

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
14 juli 2026
Publicatiedatum
14 juli 2026
Zaaknummer
LEE 25/4361
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30g AWRArt. 8:7 AwbArt. 8:13 AwbArt. 9 Invorderingswet 1990Art. 15 AWR
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering belastingrente erfbelasting na onjuiste aangifte en latere aanslag

Eiseres maakte bezwaar tegen de belastingrente die de inspecteur in rekening bracht bij de erfbelastingaanslag over 2022. Hoewel tijdig aangifte was gedaan, bleek deze onjuist, waardoor de aanslag hoger uitviel dan de aangifte. De rechtbank bevestigt dat belastingrente verschuldigd is omdat de aanslag niet overeenkomstig de aangifte is vastgesteld.

De rechtbank stelt vast dat de inspecteur de belastingrente berekende over het verschil tussen de aanslag en de volgens de aangifte verschuldigde erfbelasting, wat in het voordeel van eiseres is. De rechtbank vermindert de belastingrente verder omdat de inspecteur aanvankelijk een te laag bedrag aan erfbelasting volgens de aangifte hanteerde.

De rechtbank wijst de argumenten van eiseres af dat de belastingrente te hoog is vanwege het werkelijke rendement, de duur van de aanslagregeling of betaling vóór de uiterste datum. De rechtbank vernietigt de uitspraak op bezwaar en vermindert de belastingrente tot € 4.805. Tevens wordt het griffierecht aan eiseres vergoed.

Uitkomst: Belastingrente terecht berekend maar verminderd tot € 4.805 wegens correctie grondslag.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 25/4361

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 14 juli 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: [naam 1] ),
en
de inspecteur van de Belastingdienst, Schenk- en erfbelasting, kantoor Zwolle, de inspecteur
(gemachtigden: [naam 2] en [naam 3] ).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 6 oktober 2025.
1.1.
De inspecteur heeft aan eiseres voor het jaar 2022 een aanslag in de erfbelasting opgelegd.
1.2.
Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag heeft de inspecteur eiseres € 5.449 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking).
1.3.
Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen de belastingrentebeschikking.
1.4.
De inspecteur heeft het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
1.5.
De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.6.
Eiseres heeft nadere stukken ingediend.
1.7.
De rechtbank heeft het beroep op 17 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van de inspecteur. Eiseres en haar gemachtigde waren – zonder bericht van verhindering – niet aanwezig.
De griffier van de rechtbank heeft op 29 april 2026 in het digitale dossier van de gemachtigde van eiseres een bericht geplaatst waarbij eiseres onder vermelding van tijd en plaats is uitgenodigd voor de mondelinge behandeling van de zitting op 17 juni 2026. Omdat de gemachtigde van eiseres niet digitaal procedeert heeft de griffier op 29 april 2026 een afschrift van dit bericht aangetekend verstuurd naar het adres van de gemachtigde. Uit informatie uit het track & trace-systeem van PostNL blijkt dat de uitnodiging op 30 april 2026 op het adres van de gemachtigde is uitgereikt en dat is getekend voor ontvangst. Eiseres is dus op de juiste wijze uitgenodigd voor de zitting. De rechtbank heeft de zitting daarom doorgang laten vinden.

Feiten

2.1.
Op 15 mei 2022 is [erflaatster] (erflaatster) overleden.
2.2.
Op 9 december 2022 heeft [weduwnaar van erflaatster] , weduwnaar van erflaatster, aangifte voor de erfbelasting gedaan.
2.3.
Volgens de aangifte is het zuiver saldo van de nalatenschap € 1.599.892. Volgens de aangifte erfbelasting bedraagt het erfdeel van eiseres € 111.992 (7%) en is de belaste verkrijging € 90.433. De daarover verschuldigde erfbelasting bedraagt € 9.043.
2.4.
Naar aanleiding van de ingediende aangifte erfbelasting heeft vanaf mei 2024 tot en met april 2025 correspondentie plaatsgevonden tussen de inspecteur en gemachtigde.
2.5.
Naar aanleiding van de correspondentie is het zuiver saldo van de nalatenschap door de inspecteur vastgesteld op € 2.272.900 en de te verdelen erfenis € 2.092.461. Ook de erfdelen zijn door de inspecteur anders vastgesteld dan in de aangifte opgenomen.
2.6.
De aanslag erfbelasting is opgelegd met dagtekening 28 april 2028. De aanslag is als volgt vastgesteld:
Totale verkrijging uit de erfenis
290.014
Vrijstelling
21.559
-/-
Belaste verkrijging uit de erfenis
268.455
De aanslag
40.648
In rekening gebrachte belastingrente
5.449
+/+
Te betalen
46.097
2.7.
De belastingrente bij de aanslag erfbelasting is berekend met de volgende uitgangspunten:
op basis van de aangifte zou € 4.835 erfbelasting verschuldigd zijn;
de grondslag voor de belastingrente is de volgens de aanslagen verschuldigde erfbelasting minus de erfbelasting die verschuldigd zou zijn indien de aangifte gevolgd was (€ 40.648 -/- € 4.835 = € 35.813);
het tijdvak waarover de belastingrente is berekend is vanaf 15 januari 2023 tot en met 9 juni 2025;
het percentage van de belastingrente is 4,0% tot 1 juli 2023, 6,0% vanaf 1 juli 2023 tot 1 januari 2024, 7,5% voor heel 2024, en 6,5% vanaf januari 2025;
de belastingrente is enkelvoudig berekend (geen rente over verschuldigde rente).

Overwegingen betreffende de bevoegdheid van de rechtbank

3.1.
Na het sluiten van het onderzoek is gebleken dat eiseres haar woonplaats niet heeft binnen het rechtsgebied van Rechtbank Noord-Nederland. Door de verhuizing van eiseres vanuit [plaats] (dat valt onder de relatieve competentie van Rechtbank Noord-Nederland) naar [plaats] ná oplegging van de aanslag, maar voor indiening van het beroep was op grond van artikel 8:7, tweede lid, eerste volzin, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) Rechtbank Noord-Holland bevoegd de zaak te behandelen. Dit is niet tijdig door de rechtbank onderkend.
3.2.
De gemachtigde van eiseres heeft in één beroepschrift namens meerdere eisers beroep ingesteld bij Rechtbank Noord-Nederland. In dit beroepschrift zijn ten aanzien van alle eisers dezelfde gronden aangevoerd. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat eiseres geen persoonlijk belang heeft bij het doorzenden van het beroepschrift naar de Rechtbank Noord-Holland. Zou de rechtbank het beroep wel doorzenden dan zou, gelet op de verwevenheid met de andere zaken, naar alle waarschijnlijkheid het beroep op grond van artikel 8:13, eerste lid, van de Awb alsnog naar Rechtbank Noord-Nederland worden verwezen. Gelet op het stadium waarin de behandeling zich bevond toen werd onderkend dat een andere rechtbank bevoegd is de zaak te behandelen - pas na sluiting van het onderzoek - is er geen redelijk belang mee gediend indien de rechtbank zich enkel in deze zaak onbevoegd zou verklaren en de zaak zou doorzenden naar Rechtbank Noord-Holland. De rechtbank ziet hiervan dan ook af en zal het beroep inhoudelijk beoordelen.

Beoordeling door de rechtbank

4. De rechtbank beoordeelt de in rekening gebrachte belastingrente. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
5. De rechtbank is van oordeel dat terecht belastingrente in rekening is gebracht. De belastingrente is echter te hoog berekend
.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Wat vindt eiseres?
6.1.
Eiseres stelt ten eerste dat ten onrechte belastingrente in rekening is gebracht. Daarvoor geeft ze de volgende argumenten. Alhoewel er tijdig aangifte voor de erfbelasting is gedaan heeft de inspecteur verzuimd om binnen drie maanden een (voorlopige) aanslag op te leggen. Daarom is er geen belastingrente verschuldigd.
6.2.
Voor het geval de rechtbank van oordeel is dat er terecht belastingrente in rekening is gebracht stelt eiseres dat er teveel belastingrente in rekening is gebracht. Daarvoor geeft eiseres de volgende argumenten. De in rekening gebracht belastingrente is veel meer dan het rendement dat de betaler van de belasting – de weduwnaar van erflaatster – over de nalatenschap heeft ontvangen. Het rendement over het vermogen was gemiddeld 1%. De belastingrente is grotendeels veroorzaakt doordat de inspecteur het druk had en het daarom lang heeft geduurd voordat de aanslag opgelegd werd. De aanslagregeling heeft stilgelegen vanaf 23 mei 2024 tot 3 september 2024. In de jaren waarover belastingrente is berekend is door de weduwnaar van erflaatster ook in box 3 belasting betaald over de nalatenschap. Er is belastingrente berekend tot 8 juni 2025 terwijl de aanslag is betaald op 28 mei 2025, en de aanslag dagtekening 4 april 2025 heeft.
Wat vindt de inspecteur?
7.1.
De inspecteur stelt – samengevat – het volgende. Er is terecht belastingrente in rekening gebracht. Het klopt dat tijdig aangifte erfbelasting is gedaan, maar de volgens de aanslag verschuldigde belasting is hoger dan de verschuldigde belasting die volgt uit de ingediende aangifte erfbelasting. De uitzondering van artikel 30g, vierde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR), op grond waarvan geen rente wordt berekend bij een tijdige aangifte, gaat dan niet op. Dat niet binnen drie maanden een aanslag is opgelegd, betekent niet dat er geen belastingrente in rekening gebracht mag worden. De drie maanden voor het opleggen van een (voorlopige) aanslag is een streven. De wettelijke termijn waarbinnen de aanslag moet worden opgelegd is in beginsel drie jaar na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan.
7.2.
De inspecteur vindt wel dat er teveel belastingrente in rekening is gebracht, maar niet om de redenen die eiseres stelt. Daarvoor geeft de inspecteur de volgende argumenten. De termijn voor het berekenen van de belastingrente moet aanvangen op 16 januari 2023 in plaats van 15 januari 2023 (dus één dag later). De belastingrente wordt enkel berekend over het verschil tussen de volgens de ingediende aangifte verschuldigde erfbelasting en de werkelijk verschuldigde erfbelasting. De volgens de ingediende aangifte verschuldigde erfbelasting moet bij nader inzien hoger berekend moet worden. Die moet op € 9.043 gesteld worden in plaats van € 4.835. Daarom moet de belastingrentebeschikking verlaagd worden. Over de hoogte van het percentage van de belastingrente is een massaal bezwaarprocedure gevoerd. De Hoge Raad heeft inmiddels geoordeeld dat het percentage van de belastingrente niet te hoog is (ECLI:NL:HR:2026:59).
Wat vindt de rechtbank er van?
8. Bij de beoordeling van dit beroep is artikel 30g van de AWR van belang. De tekst van dit artikel is in de bijlage opgenomen. Op grond van de eerste twee leden van dit artikel wordt belastingrente in rekening gebracht bij een aanslag erfbelasting. Daarbij vangt het tijdvak voor de berekening van de belastingrente aan acht maanden na het overlijden, en loopt tot de dag voorafgaand aan de dag waarop de belastingaanslag invorderbaar is. De grondslag is het te betalen bedrag aan erfbelasting. De berekeningswijze is enkelvoudig.
Is terecht belastingrente in rekening gebracht?
9. Omdat tussen partijen niet in geschil is dat (i) sprake is van een aanslag erfbelasting en (ii) die is opgelegd meer dan acht maanden na het overlijden, is op grond van artikel 30g, eerste en tweede lid, van de AWR belastingrente verschuldigd.
10. Artikel 30g van de AWR bevat in het derde en vierde lid uitzonderingen op de eerste twee leden. Die uitzonderingen zien echter alleen op de situatie waarin de aanslag wordt opgelegd overeenkomstig de aangifte. Daar is in dit geval geen sprake van. Bij het opleggen van de aanslag is immers op verschillende punten afgeweken van de aangifte. Het zuiver saldo van de nalatenschap is namelijk circa € 673.000
hogervastgesteld dan in de aangifte was opgenomen en ook het erfdeel is aanzienlijk hoger (zie 2.3, 2.5 en 2.6).
11. De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat terecht belastingrente in rekening is gebracht. Hetgeen eiseres aanvoert – dat zij tijdig aangifte heeft gedaan – maakt dat niet anders. Aan de andere voorwaarde voor het niet berekenen van belastingrente – dat de aanslag wordt opgelegd
overeenkomstigde aangifte – is immers niet voldaan. Het andere argument dat eiseres heeft aangevoerd – dat niet binnen drie maanden na de aangifte een aanslag is opgelegd – maakt ook niet dat geen belastingrente berekend mag worden. De wet geeft de inspecteur namelijk drie jaar de tijd na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan om de aanslag op te leggen. [1] De eerste beroepsgrond van eiseres (zie 6.1) slaagt dus niet. De rechtbank zal daarom hierna de tweede beroepsgrond van eiseres beoordelen.
Is de belastingrente op het juiste bedrag berekend?
12. De rechtbank stelt voorop dat op grond van de tekst van artikel 30g, eerste en tweede lid, van de AWR, de grondslag voor de belastingrente het bedrag van de aanslag erfbelasting is. De hoogte van de aanslag erfbelasting is niet in geschil. De aanslag bedraagt € 40.648. Het tijdvak waarover de rente wordt berekend is 16 januari 2023 (acht maanden na 15 mei 2022) tot 9 juni 2025 (zes weken na dagtekening van de aanslag).
13. Als de belastingrente volgens de letter van de wet was berekend, was deze hoger geweest. De wet schrijft namelijk voor dat het volledige bedrag van de aanslag de grondslag vormt. De belastingrente zou dan uitkomen op ongeveer € 6.180.
14. De inspecteur heeft de grondslag van de belastingrente op een andere wijze berekend. Ter zitting heeft de inspecteur toegelicht dat deze afwijking is gebaseerd is op recente rechtspraak en punt 30 van de voorjaarsnota 2025. [2] Op grond van dit beleid heeft de inspecteur de belastingrente berekend door op het bedrag van de aanslag het bedrag dat volgens hem op grond van de aangifte verschuldigd zou zijn in mindering te brengen (zie 2.7). In beroep stelt de inspecteur dat de grondslag nog iets verder verlaagd moet worden, omdat hij de volgens de aangifte verschuldigde belasting te laag had berekend.
15. De rechtbank kan de berekeningswijze van de inspecteur rekenkundig volgen. Ook stelt de rechtbank vast dat met deze wijze van berekenen van de belastingrente onder de streep enkel belastingrente berekend wordt over het bedrag aan erfbelasting waarvoor niet (tijdig) aangifte is gedaan. Dat is in het voordeel van eiseres. De in rekening gebrachte belastingrente wordt dan eigenlijk enkel nog veroorzaakt doordat in de aangifte erfbelasting op een aantal punten onjuiste informatie is aangeleverd.
16. De vermindering van de belastingrente die de inspecteur in beroep stelt, is ook het gevolg van de afwijkende berekeningswijze. Eiseres heeft een stuk ingebracht waaruit volgt dat de volgens de aangifte verschuldigde erfbelasting € 9.043 bedraagt (zie 2.3), en niet de € 4.835 waar de inspecteur in eerste instantie rekening mee heeft gehouden (zie 2.7). De belastingrente moet daardoor verminderd worden tot € 4.805.
17. De verdere argumenten die eiseres heeft aangevoerd over de hoogte van de belastingrente treffen eveneens geen doel. De rechtbank legt hierna uit waarom.
18. Dat het werkelijke rendement dat de weduwnaar van erflaatster heeft behaald minder was dan de belastingrente maakt niet dat de belastingrente te hoog is. De belastingrente is namelijk niet afhankelijk van het werkelijke rendement. De rechtbank merkt daarbij op dat de Hoge Raad recent over het percentage van de belastingrente in 2022 en 2023 heeft geoordeeld dat het niet in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. [3] De rechtbank ziet, mede gelet op hetgeen de Hoge Raad in dat arrest heeft overwogen, geen aanleiding om anders te oordelen voor de jaren 2024 en 2025.
19. Dat in de periode waarover de belastingrente is berekend over de nalatenschap bij de weduwnaar van erflaatster ook inkomstenbelasting is geheven, is geen relevant gegeven voor de belastingrente die aan eiseres in rekening is gebracht. Er is geen rechtsregel die daaraan in de weg staat.
20. Traagheid van de kant van de inspecteur bij het opleggen van een aanslag kan in sommige gevallen leiden tot beperking van de belastingrente. [4] Als sprake is van beleid op grond waarvan de inspecteur binnen drie maanden na het ontvangen van een aangifte een aanslag oplegt, maar de inspecteur dat niet doet, dan kan het zorgvuldigheidsbeginsel er aan in de weg staan dat meer belastingrente wordt berekend dan wanneer de aanslag wel binnen drie maanden opgelegd was. In dit geval zou dat echter betekenen dat de belastingrente dan moet worden berekend zoals de inspecteur die al heeft berekend. Dus met aftrek van de volgens de volgens de aangifte verschuldigde belasting. Dat de aanslagregeling een tijd stil heeft gelegen kan dus niet voor een verdere vermindering van de belastingrente zorgen dan hiervoor al berekend (zie 16).
21. Dat eiseres de aanslag erfbelasting heeft betaald voor de uiterste betaaldatum maakt niet dat dan minder belastingrente is verschuldigd. Over dit punt heeft de Hoge Raad ook al eens geoordeeld. [5] Dat oordeel komt er op neer dat de belastingrente tot de uiterste betaaldatum berekend mag worden, en dat betalen voor de uiterste betaaldatum de belastingrente niet vermindert.

Conclusie en gevolgen

22. Het beroep is gegrond omdat de belastingrente verminderd moet worden (zie 16). Dit betekent dat de rechtbank de belastingrente zal verminderen overeenkomstig de berekening van de inspecteur. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraak op bezwaar.
23. Omdat het beroep gegrond is moet de inspecteur het griffierecht aan eiseres vergoeden. Eiseres heeft geen proceskosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt de uitspraak op bezwaar;
  • vermindert de belastingrentebeschikking naar € 4.805;
  • bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van de bestreden uitspraak op bezwaar;
  • bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 53,- aan eiseres moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Praamstra, rechter, in aanwezigheid van mr. J.P. Raateland, griffier.
griffier
rechter
Uitgesproken op 14 juli 2026.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage

Artikel 30g van de AWR (tekst 1 januari 2020 tot en met 31 december 2025):
1. Indien met betrekking tot de erfbelasting een belastingaanslag met een door de belastingplichtige te betalen bedrag aan belasting wordt vastgesteld, wordt met betrekking tot die belastingaanslag rente - belastingrente - in rekening gebracht.
2. De belastingrente wordt enkelvoudig berekend:
a. indien het betreft een belastingaanslag ter zake van een overlijden: over het tijdvak dat aanvangt 8 maanden na het overlijden en eindigt op de dag voorafgaand aan de dag waarop de belastingaanslag invorderbaar is ingevolge artikel 9 van Pro de Invorderingswet 1990;
b. indien het betreft een belastingaanslag ter zake van een verkrijging ten gevolge van de vervulling van een voorwaarde: over het tijdvak dat aanvangt acht maanden na de dag van de vervulling van de voorwaarde en eindigt op de dag voorafgaand aan de dag waarop de belastingaanslag invorderbaar is ingevolge artikel 9 van Pro de Invorderingswet 1990;
c. indien het betreft een belastingaanslag als bedoeld in artikel 8, vijfde lid, van de Natuurschoonwet 1928: over het tijdvak dat aanvangt op de dag dat zich een van de gevallen, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Natuurschoonwet 1928, voordoet en eindigt op de dag voorafgaand aan de dag waarop de belastingaanslag invorderbaar is ingevolge artikel 9 van Pro de Invorderingswet 1990.
De renteberekening heeft als grondslag het te betalen bedrag aan belasting.
3. Indien de belastingaanslag is vastgesteld overeenkomstig een verzoek of overeenkomstig de aangifte, eindigt het tijdvak waarover de belastingrente wordt berekend in afwijking in zoverre van het tweede lid uiterlijk 14 weken na de datum van ontvangst van het verzoek, onderscheidenlijk 19 weken na de datum van ontvangst van de aangifte. Ingeval het betreft een navorderingsaanslag die is vastgesteld naar aanleiding van een verzoek, eindigt het tijdvak waarover de belastingrente wordt berekend in afwijking in zoverre van de eerste volzin uiterlijk 12 weken na de datum van de ontvangst van het verzoek.
4. Geen belastingrente wordt in rekening gebracht ingeval de belastingaanslag ter zake van een overlijden is vastgesteld overeenkomstig een verzoek of overeenkomstig een ingediende aangifte indien het verzoek, onderscheidenlijk de aangifte, is ontvangen voor de eerste dag van de negende maand na het overlijden.
5. Indien een belastingaanslag ter zake waarvan belastingrente in rekening is gebracht naar aanleiding van een bezwaarschrift, een daaropvolgende gerechtelijke procedure of een ambtshalve vermindering wordt verminderd of wordt vernietigd, wordt de eerder in rekening gebrachte rente naar evenredigheid verminderd, onderscheidenlijk vernietigd.
6. Voor de toepassing van dit artikel geldt als het te betalen bedrag aan belasting, het bedrag na de verrekening ingevolge artikel 15.
7. Met betrekking tot het tweede lid, onderdelen a en b, en het vierde lid is artikel 45, tweede en derde lid, van de Successiewet 1956 van overeenkomstige toepassing.

Voetnoten

1.Zie artikel 11, derde lid, van de AWR.
2.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 725, nr. 1, pagina 38.
3.Hoge Raad 16 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:59, overwegingen 4.11.1 tot en met 4.11.7.
4.Vergelijk Hoge Raad 25 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ8524.
5.Hoge Raad 18 november 2022, ECLI:NL:HR:2022:1673, overweging 3.3.4.