Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 14 juli 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
Inleiding
Feiten
Beoordeling door de rechtbank
.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
hogervastgesteld dan in de aangifte was opgenomen en ook het erfdeel is aanzienlijk hoger (zie 2.3, 2.5 en 2.6).
overeenkomstigde aangifte – is immers niet voldaan. Het andere argument dat eiser heeft aangevoerd – dat niet binnen drie maanden na de aangifte een aanslag is opgelegd – maakt ook niet dat geen belastingrente berekend mag worden. De wet geeft de inspecteur namelijk drie jaar de tijd na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan om de aanslag op te leggen. [1] De eerste beroepsgrond van eiser (zie 5.1) slaagt dus niet. De rechtbank zal daarom hierna de tweede beroepsgrond van eiser beoordelen.
Conclusie en gevolgen
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vermindert de belastingrentebeschikking naar € 4.805;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van de bestreden uitspraak op bezwaar;
- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 53,- aan eiser moet vergoeden.