ECLI:NL:RBNNE:2026:289

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
5 februari 2026
Publicatiedatum
4 februari 2026
Zaaknummer
18/274191-25
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen onttrekking en verbergen minderjarige met taakstraf en voorwaardelijke gevangenisstraf

De rechtbank Noord-Nederland heeft op 5 februari 2026 uitspraak gedaan in de zaak tegen verdachte, die werd beschuldigd van medeplegen van onttrekking aan het gezag en het verbergen van een minderjarige. De feiten vonden plaats in oktober 2025, waarbij verdachte samen met anderen de minderjarige onttrok aan het wettig gezag en hem verborgen hield, waardoor hij aan de nasporing van justitie en politie onttrok.

De rechtbank achtte de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen, mede door de duidelijke bekentenis van verdachte en diverse proces-verbalen. Er was sprake van een voortgezette handeling, waarbij de gedragingen in twee perioden nauw met elkaar samenhingen en uiting waren van één wilsbesluit.

De rechtbank hield rekening met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze plaatsvonden en de persoonlijke situatie van verdachte, die onder meer gestopt is met harddrugsgebruik en ondersteuning ontvangt. Ondanks begrip voor de emoties van verdachte achtte de rechtbank zijn handelen onjuist en onverantwoordelijk, omdat hij zijn zoon stimuleerde weg te lopen en hem meerdere dagen alleen liet.

De rechtbank veroordeelde verdachte tot een taakstraf van 80 uur, vervangbaar door 40 dagen hechtenis, en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden met een proeftijd van 3 jaar. Er werd geen contactverbod opgelegd, omdat de civielrechtelijke omgangsregeling voldoende waarborgen biedt. De opgelegde straf dient als waarschuwing om herhaling te voorkomen.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot een taakstraf van 80 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden met een proeftijd van 3 jaar wegens medeplegen van onttrekking en verbergen van een minderjarige.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht
Locatie Groningen
parketnummer 18/274191-25
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 5 februari 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1985 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 22 januari 2026. Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. P.Th. van Jaarsveld, advocaat te Groningen.
Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. P. van der Vliet.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1
hij in de periode van 7 tot en met 8 oktober 2025 te Groningen en/of Slagharen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk een minderjarige, [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2012, heeft onttrokken aan het wettig over hem gesteld gezag en/of aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over hem uitoefende;
2
hij in de periode van 7 tot en met 8 oktober 2025 te Groningen en/of Slagharen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk, een minderjarige, [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2012, die onttrokken was of zich onttrokken had aan het wettig over hem gesteld gezag of aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over hem uitoefende, heeft verborgen en/of aan de nasporing van de ambtenaren van de justitie of politie heeft onttrokken;
3
hij in de periode van 9 tot en met 16 oktober 2025 te Coevorden en/of [plaats] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk een minderjarige, [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2012, heeft onttrokken aan het wettig over hem gesteld gezag en/of aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over hem uitoefende;
4
hij in de periode van 9 tot en met 16 oktober 2025 te Coevorden en/of [plaats] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk, een minderjarige, [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2012, die onttrokken was of zich onttrokken had aan het wettig over hem gesteld gezag of aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over hem uitoefende, heeft verborgen en/of aan de nasporing van de ambtenaren van de justitie of politie heeft onttrokken.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor de ten laste gelegde feiten.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte deze feiten duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin,
van het Wetboek van Strafvordering. Ieder bewijsmiddel is -ook in onderdelen- slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
Deze opgave luidt als volgt:
de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 22 januari 2026;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 8 oktober 2025, opgenomen op pagina 13 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2025272870 d.d. 1 december 2025, inhoudend de verklaring van [naam] namens Jeugdbescherming Noord;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 13 oktober 2025, opgenomen op pagina 34 van voornoemd dossier, inhoudend het relaas van verbalisant;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 16 oktober 2025, opgenomen op pagina 45 van voornoemd dossier, inhoudend het relaas van verbalisanten.
Voortgezette handeling
De rechtbank is van oordeel dat er sprake is van een voortgezette handeling ten aanzien van zowel feiten 1 en 2 als feiten 3 en 4. De gedragingen van feiten 1 en 2 alsmede van feiten 3 en 4 hangen zo nauw met elkaar samen dat zij in beide gevallen de uiting zijn van één ongeoorloofd wilsbesluit.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
1
hij in de periode van 7 tot en met 8 oktober 2025 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk een minderjarige, [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2012, heeft onttrokken aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over hem uitoefende;
2
hij in de periode van 7 tot en met 8 oktober 2025 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk, een minderjarige, [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2012, die onttrokken was aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over hem uitoefende, heeft verborgen en aan de nasporing van de ambtenaren van de justitie of politie heeft onttrokken;
3
hij in de periode van 9 tot en met 16 oktober 2025 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk een minderjarige, [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2012, heeft onttrokken aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over hem uitoefende;
4
hij in de periode van 9 tot en met 16 oktober 2025 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk, een minderjarige, [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2012, die onttrokken was aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over hem uitoefende, heeft verborgen en aan de nasporing van de ambtenaren van de justitie of politie heeft onttrokken.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:
de voortgezette handeling van:
medeplegen van opzettelijk een minderjarige onttrekken aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over hem uitoefent.
medeplegen van opzettelijk een minderjarige die onttrokken is aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over hem uitoefent, verbergen en aan de nasporing van de ambtenaren van justitie of politie onttrekken.
de voortgezette handeling van:
3. medeplegen van opzettelijk een minderjarige onttrekken aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over hem uitoefent.
4. medeplegen van opzettelijk een minderjarige die onttrokken is aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over hem uitoefent, verbergen en aan de nasporing van de ambtenaren van justitie of politie onttrekken.
Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de ten laste gelegde feiten wordt veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 80 uur, met aftrek van voorarrest, en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden, met een proeftijd van 3 jaren, en met daaraan een contactverbod met zijn zoon [slachtoffer] , tenzij er toestemming is voor contact van de
jeugdbescherming, als bijzondere voorwaarde verbonden.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft gepleit voor de oplegging van een lagere taakstraf.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich, samen met zijn ex-partner (medeverdachte), twee keer schuldig gemaakt aan onttrekking van zijn minderjarige zoon [slachtoffer] aan het opzicht van de jeugdbescherming. Ook heeft hij [slachtoffer] opzettelijk verborgen en onttrokken aan de nasporing van ambtenaren van justitie of politie. Hoewel de rechtbank begrijpt dat verdachte zijn zoon erg mist door de uithuisplaatsing en zich de emoties bij verdachte kan voorstellen, acht de rechtbank het handelen van verdachte onjuist en onverantwoordelijk. Verdachte heeft zijn zoon gestimuleerd om weg te lopen. Hij nam voor lief dat [slachtoffer] zich moest verstoppen, meerdere dagen alleen thuis is geweest en door de politie uit huis werd gehaald. Met zijn handelen heeft verdachte niet bijgedragen aan het welzijn en een positieve ontwikkeling van zijn zoon. De rechtbank rekent verdachte dit aan.
De reclassering heeft geen contact kunnen krijgen met verdachte en heeft daardoor geen advies kunnen uitbrengen. Ter zitting is de rechtbank gebleken dat verdachte zich heeft gerealiseerd dat hij verkeerd heeft gehandeld. Verdachte heeft een baan, krijgt ondersteuning van een Wmo-consulent en is op eigen kracht gestopt met het gebruiken van harddrugs. De rechtbank heeft acht geslagen op deze persoonlijke omstandigheden van verdachte.
Alles afwegende acht de rechtbank een taakstraf voor de duur van 80 uur, te vervangen door 40 dagen hechtenis, en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden, met een proeftijd van 3 jaren, passend en geboden. Het voorwaardelijke strafdeel dient daarbij als waarschuwing aan verdachte, teneinde te voorkomen dat verdachte zich nogmaals schuldig maakt aan (soortgelijke) strafbare feiten. De rechtbank ziet thans geen aanleiding om contact tussen verdachte en zijn zoon te verbieden en gaat ervan uit dat de omgangsregeling in het civielrechtelijk kader voldoende waarborgen biedt.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47, 56, 57, 279 en 280 van het Wetboek van Strafrecht. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank
Verklaart de ten laste gelegde feiten bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden.

Bepaalt dat deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op 3 jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

een taakstraf voor de duur van 80 uren.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 40 dagen zal worden toegepast.
Beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 uren per dag inverzekeringstelling/voorlopige hechtenis.
Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.
Dit vonnis is gewezen door mr. H. van der Werff, voorzitter, mr. C. Brouwer en
mr. K. Offerein-Hulshoff, rechters, bijgestaan door mr. M.M. Peters, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 5 februari 2026.
Mr. K. Offerein-Hulshoff is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.