Betrokkene kreeg een boete van €119 opgelegd voor het niet stoppen voor een stopstreep op 24 november 2023. Tegen deze boete werd beroep ingesteld bij de officier van justitie, die de feitcode wijzigde maar het beroep verder ongegrond verklaarde. Betrokkene ging vervolgens in beroep bij de kantonrechter.
Tijdens de mondelinge behandeling op 9 januari 2026 was niemand aanwezig. De kantonrechter constateerde dat betrokkene de zekerheid te laat had betaald, maar dit had geen juridische gevolgen. Een verzoek om een dwangsom werd afgewezen omdat de officier van justitie de beslistermijn tijdig had verlengd.
De kantonrechter oordeelde dat de boete terecht was opgelegd voor het niet stoppen voor de stopstreep en matigde de boete met 25% vanwege schending van de redelijke termijn, aangezien meer dan twee jaar was verstreken tussen het moment waarop betrokkene een boete kon verwachten en de uitspraak. De officier van justitie werd veroordeeld in de proceskosten van €116,75, waarbij een extra wegingsfactor werd toegepast conform de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm.