ECLI:NL:RBNNE:2026:292

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
9 januari 2026
Publicatiedatum
4 februari 2026
Zaaknummer
11652281 BU VERZ 25-793
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Mondelinge uitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 4 Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpmartikel 13a, tweede lid, onder a, WahvWet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Kantonrechter matigt boete wegens schending redelijke termijn bij verkeersovertreding

Betrokkene kreeg een boete van €119 opgelegd voor het niet stoppen voor een stopstreep op 24 november 2023. Tegen deze boete werd beroep ingesteld bij de officier van justitie, die de feitcode wijzigde maar het beroep verder ongegrond verklaarde. Betrokkene ging vervolgens in beroep bij de kantonrechter.

Tijdens de mondelinge behandeling op 9 januari 2026 was niemand aanwezig. De kantonrechter constateerde dat betrokkene de zekerheid te laat had betaald, maar dit had geen juridische gevolgen. Een verzoek om een dwangsom werd afgewezen omdat de officier van justitie de beslistermijn tijdig had verlengd.

De kantonrechter oordeelde dat de boete terecht was opgelegd voor het niet stoppen voor de stopstreep en matigde de boete met 25% vanwege schending van de redelijke termijn, aangezien meer dan twee jaar was verstreken tussen het moment waarop betrokkene een boete kon verwachten en de uitspraak. De officier van justitie werd veroordeeld in de proceskosten van €116,75, waarbij een extra wegingsfactor werd toegepast conform de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm.

Uitkomst: Beroep gegrond verklaard, boete gematigd tot €91,50 en officier van justitie veroordeeld in proceskosten van €116,75.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
beschikkingsnummer: 262689991
zaaknummer: 11652281 BU VERZ 25-793
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak gedaan op de openbare zitting van 9 januari 2026
in de zaak van

[betrokkene] (de betrokkene),

die woont in [woonplaats] ,
(gemachtigde: G. Debije, Meesterboete.nl).

Inleiding

1. Aan betrokkene is een boete opgelegd op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv). De verkeersovertreding waarvoor de boete is opgelegd is: ‘niet stoppen voor een stopstreep’, verricht op 24 november 2023, om 14:31 uur, op de Sontweg op de kruising met de Europaweg in Groningen, met een personenauto, met kenteken [kenteken] . De opgelegde boete bedraagt € 119,00 (inclusief administratiekosten).
1.1.
Betrokkene heeft tegen de boete beroep ingesteld bij de officier van justitie. Deze heeft de feitcode gewijzigd en het beroep voor het overige ongegrond verklaard. Tegen die beslissing heeft betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
1.2.
De kantonrechter heeft het beroep daarom op 9 januari 2026 op de zitting behandeld. Daarbij was niemand aanwezig.
1.3.
Na afloop van de behandeling heeft de kantonrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beoordeling door de kantonrechter

Standpunten

2. Gemachtigde voert aan dat betrokkene het verkeerslicht niet heeft gepasseerd. De inleidende beschikking had daarom aangepast moeten worden naar het niet stoppen voor de stopstreep. Daarnaast verzoekt gemachtigde om een dwangsom. Verder voert gemachtigde aan dat de officier van justitie de Wet herwaardering proceskosten WOZ en bpm onjuist heeft toegepast. Hierdoor vindt namelijk een dubbele matiging plaats van de waardering van de proceskosten.
3. De vertegenwoordigster is van mening dat de boete met 25% gematigd moet worden, omdat de redelijke termijn is geschonden. Voor het overige dient het beroep ongegrond te worden verklaard.
Overwegingen
4. De kantonrechter stelt allereerst vast dat betrokkene te laat de zekerheid heeft betaald. Betrokkene heeft de zekerheid op 23 september 2024 betaald. De laatste dag om te betalen was 3 september 2024. Deze termijnoverschrijding levert geen problemen op en leidt niet tot juridische gevolgen. [1]
5. Betrokkene heeft geen recht op een dwangsom. De officier van justitie heeft de beslistermijn op 2 mei 2024 tijdig met tien weken verlengd. De officier van justitie had daarom tot 20 juli 2024 de tijd om een beslissing te nemen. De ingebrekestelling van gemachtigde is op 10 juli 2024 binnengekomen en daarom prematuur.
6. Vervolgens constateert de kantonrechter dat de officier van justitie de wet herwaardering proceskosten terecht niet heeft toegepast. Daarom kan ook niet aan de orde komen of de officier van justitie deze wet al dan niet correct heeft toegepast.
7. De kantonrechter ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de gegevens in het dossier. De feitcode is in administratief beroep al gewijzigd naar het niet stoppen voor de stopstreep. Deze gedraging wordt verder ook niet ontkend. De gedraging kan daarom worden vastgesteld. Vervolgens is de vraag of er feiten en omstandigheden zijn die aanleiding geven tot een wijziging van de boete.
8. De kantonrechter zal de boete matigen met 25% tot € 91,50 (inclusief administratiekosten), omdat de redelijke termijn is geschonden. [2] In deze zaak is namelijk meer dan twee jaar verstreken tussen het moment waarop betrokkene kon verwachten dat hij een boete zou krijgen en deze uitspraak. De kantonrechter zal het beroep daarom gegrond verklaren.
9. Omdat de kantonrechter het beroep gegrond zal verklaren in verband met de schending van de redelijke termijn, zal hij de officier van justitie veroordelen in de proceskosten van betrokkene in de kantonfase. Hij zal één punt toekennen voor het indienen van het beroepschrift bij de kantonrechter met een waarde van € 934,00. Gelet op de aard van de zaak past de kantonrechter de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toe. Omdat de beslissing van de officier van justitie na 31 december 2023 is bekendgemaakt, past de kantonrechter de extra wegingsfactor uit artikel 13a, tweede lid, onder a, Wahv toe op de kantonfase. [3]
10. Over de toepassing van de extra wegingsfactor staat het volgende in de Memorie van Toelichting bij de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm: “Dat betekent dat de hoogte van de proceskostenvergoeding voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor WOZ- en bpm-zaken wordt bepaald door (i) de punten per verrichte proceshandeling te vermenigvuldigen met (ii) de waarde per punt (€ 296 voor bezwaar en € 837 voor beroep, hoger beroep en cassatie), (iii) de zwaarte van de zaak (variërend van «zeer licht» tot «zeer zwaar») en (iv) de in het voorstel genoemde factor van 0,25 of 0,10.” [4]
11. De berekening is daarom als volgt: 1 (procespunt) x € 934,00 (tarief) x 0,5 (wegingsfactor, licht) x 0,25 (extra wegingsfactor herwaardering proceskostenvergoeding) = € 116,75. Hij zal de officier van justitie veroordelen in de kosten van € 116,75.

Conclusie

De kantonrechter:
  • verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond;
  • vernietigt die beslissing;
  • wijzigt de inleidende beschikking en matigt de sanctie tot € 91,50 (inclusief administratiekosten);
  • bepaalt dat betrokkene het teveel betaalde aan zekerheidstelling terugkrijgt;
  • veroordeelt de officier van justitie in de proceskosten van betrokkene van € 116,75;
  • wijst het verzoek tot toekenning van een door de officier van justitie te verbeuren dwangsom af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Bastin, kantonrechter, in aanwezigheid van D.W. Veenstra, griffier.
griffier kantonrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Als u het met de beslissing op uw beroep niet eens bent, dan kunt u binnen zes weken na de hieronder vermelde datum van toezending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het
gerechtshof Arnhem - Leeuwarden, maar alleen als:
a. de u opgelegde administratieve boete meer dan € 110,00 bedraagt, of
b. uw beroep niet-ontvankelijk is verklaard omdat u geen (of niet op tijd) zekerheid heeft gesteld.
Het (hoger) beroepschrift moet worden ingediend bij de rechtbank Noord-Nederland, Afdeling Bestuursrecht, locatie Groningen (Postbus 150, 9700 AD Groningen). U dient daarbij het zaaknummer te vermelden.
De wet gaat uit van een geheel schriftelijke procedure, tenzij door u bij het (hoger) beroepschrift uitdrukkelijk om een zitting is gevraagd.

Voetnoten

1.Hof Arnhem-Leeuwarden 21 februari 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:1294.
2.Artikel 6, eerste lid, van het EVRM.
3.Artikel 4, onderdeel a, van de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm.