ECLI:NL:RBNNE:2026:293

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
5 februari 2026
Publicatiedatum
4 februari 2026
Zaaknummer
18/299808-22
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 420bis SrArt. 420ter SrArt. 63 SrArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor gewoontewitwassen met taakstraf en voorwaardelijke gevangenisstraf

De rechtbank Noord-Nederland heeft verdachte veroordeeld voor het plegen van gewoontewitwassen in de periode van 23 november 2017 tot en met 23 november 2022. Verdachte wist of moest redelijkerwijs vermoeden dat de geldbedragen, ter waarde van ongeveer 98.238 euro, afkomstig waren uit enig misdrijf. De rechtbank achtte het bewezen dat verdachte deze gelden heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen, omgezet en gebruikt.

Het bewijs bestond uit onder meer politieonderzoeken, MMA-meldingen, bankgegevens, verklaringen van verdachte en getuigen, en een analyse van contante stortingen en uitgaven. De verklaringen van verdachte en zijn vader over de herkomst van het geld waren inconsistent en onvoldoende concreet. De levensstijl van verdachte kon niet worden verklaard uit legale inkomsten. De rechtbank concludeerde dat het vermoeden gerechtvaardigd was dat het geld uit illegale bron afkomstig was.

De rechtbank verwierp het verweer van de verdediging dat onvoldoende was onderzocht of het geld een legale herkomst had. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde werd bevestigd, zonder strafuitsluitingsgronden. Gelet op de ernst van het feit, de duur en omvang van het witwassen, en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, legde de rechtbank een taakstraf van 240 uur op, te vervangen door 120 dagen hechtenis, en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 4 maanden met een proeftijd van 2 jaar. De redelijke termijn was overschreden, wat strafverminderend werd meegewogen.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 240 uur taakstraf en 4 maanden voorwaardelijke gevangenisstraf wegens gewoontewitwassen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht
Locatie Groningen
parketnummer 18/299808-22
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 5 februari 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1996 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 22 januari 2026. Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. E.M. Bakx, advocaat te Groningen.
Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. P. van der Vliet.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij in of omstreeks de periode van 23 november 2017 tot en met 23 november 2022 te Groningen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (van) een voorwerp, althans een of meer voorwerpen, te weten een of meer geldbedragen (van een totale waarde van ongeveer 47.278,- + 51.050,- = 98.238,- euro),
Sub b
  • heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet, en/of
  • gebruik heeft gemaakt
terwijl hij, verdachte, wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden dat dat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig (eigen) misdrijf
- en hij, verdachte, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het ten laste gelegde feit.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde feit. Zij heeft daartoe aangevoerd dat, gelet op de verklaring van verdachte en de verklaringen van getuige [getuige] inclusief de door hem overlegde bankafschriften (en het ontbreken van hierop volgend nader onderzoek), onvoldoende kan worden uitgesloten dat de geldbedragen een legale herkomst hebben.
Verdachte heeft in reactie op de kasopstelling een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring gegeven. Onderzoek van het OM weerlegt deze alternatieve herkomst onvoldoende. Verdachte moet daarom worden vrijgesproken van witwassen.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
De door verdachte ter zitting van 22 januari 2026 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend: Het klopt dat ik 100.000,- euro contant geld voorhanden heb gehad.
Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verdenking d.d. 16 november 2022, opgenomen op pagina 142 digitaal e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2022287976 d.d. 21 november 2023, inhoudend als relaas van verbalisant:
Op 14 oktober 2022 ontving de politie een MMA melding: in Groningen is een drugsdealer
actief met kenteken [kenteken 1] . [verdachte] is kentekenhouder van genoemd voertuig. Op 6 november 2022 ontving de politie een MMA melding: door de bestuurder van kenteken
[kenteken 2] wordt met regelmaat in drugs gedeald. Op 11 november 2022 werd door de politie een voertuig gecontroleerd voorzien van kenteken [kenteken 2] . [verdachte] bestuurde genoemd voertuig. Op 14 oktober 2022 werd voertuig voorzien van kenteken [kenteken 3] gecontroleerd. Te naam gestelde van
het voertuig betrof [verdachte] welke tevens optrad als bestuurder. [verdachte] droeg 1500 euro bij zich in coupures van 50 euro. Verdachte heeft antecedenten op het gebied van drugs. Verdachte heeft drie motorrijtuigen op naam gesteld. Op naam gesteld voertuig uit 2021 heeft cataloguswaarde vanaf 73.000 euro. Op naam gesteld voertuig, eveneens uit 2021, heeft cataloguswaarde van 14.099,00 euro. Verdachte huurt sinds het 2e kwartaal 2022 een woning, huurkosten 1.699,00 euro. Verdachte verklaart in 2018 geen werk te hebben en rond te komen met zwartwerk en geleend geld. Verdachte verklaart in 2021 geen werk te hebben. Verdachte verklaart op 13 januari 2022 1000 euro bruto per week te verdienen.
Verdachte verklaart ZZP'er te zijn in de steigerbouw. Verdachte verklaart liever geld op zak te hebben dan op de bank. Veel pintransacties met grote bedragen werden waargenomen. Gezien bovenstaande rijst de verdenking dat verdachte [verdachte] zich schuldig maakt aan witwassen.
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van witwassen d.d. 17 mei 2024, opgenomen op pagina 11 digitaal e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant:
Voor dit proces-verbaal is de onderzoeksperiode van de bankgegevens: 23-11-2017 tot en met 23-11-2022.

Contanten

[verdachte] heeft 56.278 euro gestort. Over 9.000 euro van de gestorte contanten verklaart [verdachte] concreet en verifieerbaar. Over het restant van de contante stortingen kan [verdachte] niet concreet en verifieerbaar verklaren. [verdachte] heeft zodoende 47.278 euro (56.278 - 9.000) uit onbekende herkomst contant ter beschikking gehad. De verklaringen van [verdachte] over ontvangen giften zijn in strijd met elkaar. Verklaringen van getuige [getuige] en verdachte [verdachte] over mogelijk geschonken contante geldbedragen komen niet overeen. Beiden verklaren weliswaar verifieerbaar (ze noemen elkaar als gever en ontvanger van de contanten), maar nauwelijks concreet. Bij verificatie blijkt dat de verklaringen van beiden sterk uiteenlopen. Ook blijkt bij verificatie van de bankgegevens van getuige [getuige] dat de verklaringen van [getuige] niet kloppen. [verdachte] stelt verder nog met zwart werken wat geld te hebben verdiend. Ook dit is een oncontroleerbare verklaring.

Excessieve uitgaven

[verdachte] heeft 60.050 euro contant voorhanden gehad om de aanschaf van meerdere voertuigen te kunnen betalen. 9.000 euro wordt van dat bedrag afgehaald, omdat dit mogelijk niet uit onbekende bron afkomstig is.

Conclusie witwassen

Bron 1: contanten
Storting contanten: 47.278
Bron 3: excessieve contante uitgavenContante betalingen auto's: 51.050 Aankoop Rolex: 9.850

Onverklaarbare contanten: 108.178

Voorgaande betekent dat [verdachte] een onverklaarbaar vermogen heeft van tenminste 108.178 euro. Dit is afkomstig uit onbekende, illegale bron.
Overweging
Met de officier van justitie en de raadsvrouw acht de rechtbank het vermoeden gerechtvaardigd dat de geldbedragen in de tenlastelegging uit enig misdrijf afkomstig zijn, wat betekent dat van de verdachte mag worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat de geldbedragen niet van misdrijf afkomstig zijn. Anders dan de raadsvrouw heeft bepleit, is de rechtbank van oordeel dat de verklaring die de verdachte daarover heeft gegeven niet als zo'n verklaring kan worden aangemerkt. De antwoorden van verdachte over de contante geldbedragen waar hij de beschikking over had blijven vaag en zijn niet consistent. Verdachte heeft geen enkel document met betrekking tot de gestelde giften en lening van zijn vader overgelegd. Verdachte heeft zijn verklaring meermalen bijgesteld, ook ter terechtzitting, naar mate er meer uit het dossier bekend werd. De getuigenverklaring van [getuige] , vader van verdachte, blijkt op meerdere punten niet te kloppen.
Bovendien lopen de verklaringen van verdachte en van zijn vader over de hoogte van de geldbedragen sterk uiteen. Vaststaat dat de levensstijl van verdachte, met reizen naar en verblijf in het buitenland, aanschaf van dure goederen en autos niet kan worden verklaard uit legale inkomsten uit werk door verdachte. De verklaring van verdachte dat dit bekostigd is met geld van vader die daarvoor een uitgekeerde schadevergoeding gebruikte, blijft vaag en wisselend waar het gaat om de hoogte van die bedragen en of het leningen dan wel giften betreft. Het had op de weg van verdachte gelegen om de door zijn vader ontvangen schadevergoeding concreet te maken. De door vader overgelegde bankafschriften tonen niet aan dat hij een dergelijke schadevergoeding heeft ontvangen. Het aldus door de verdachte geboden tegenwicht tegen de verdenking van witwassen geeft onvoldoende aanleiding tot een nader onderzoek door het openbaar ministerie. Er is daarom geen andere conclusie mogelijk dan dat de ten laste gelegde geldbedragen onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig zijn. Gelet op de duur van de periode en de vele contante stortingen en betalingen binnen die periode komt de rechtbank daarmee tot een bewezenverklaring van witwassen, terwijl de verdachte van het plegen daarvan een gewoonte heeft gemaakt.
De rechtbank merkt nog het volgende op. In het proces-verbaal van witwassen is als onverklaarbaar vermogen een bedrag genoemd van 108.178,- euro. In dit bedrag is het aankoopbedrag van een Rolex meegenomen, te weten 9.850,- euro. Dit is echter niet tenlastegelegd. De som van de contante stortingen en de contante betalingen van autos is 98.328,- euro. In de tenlastelegging staat 98.238 euro. De rechtbank merkt dit aan als een kennelijke verschrijving en zal de tenlastelegging verbeterd lezen.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
hij in de periode van 23 november 2017 tot en met 23 november 2022 in Nederland, (van) voorwerpen, te weten geldbedragen (van een totale waarde van 47.278,- + 51.050,- = 98.328,- euro),
  • voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet, en
  • gebruik heeft gemaakt
terwijl hij, verdachte, wist, dat die voorwerpen - onmiddellijk of middellijk afkomstig waren uit enig misdrijf
en hij, verdachte, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:
van het plegen van witwassen een gewoonte maken.
Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het ten laste gelegde feit wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht om in strafmatigende zin rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich gedurende een periode van vijf jaren schuldig gemaakt aan gewoontewitwassen van een aanzienlijk contant geldbedrag. Door witwassen wordt de integriteit van het financiële en economische verkeer aangetast en meer specifiek het vertrouwen van de burger in het handelsverkeer. Witwassen is een ernstig strafbaar feit dat ondermijnend is voor de samenleving. Door het wegsluizen van crimineel geld wordt de opsporing van de onderliggende misdrijven bemoeilijkt. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij heeft geprofiteerd van gelden die op illegale wijze zijn verkregen.
De frequentie, duur en omvang van het witwassen maken dit een zodanig ernstig strafbaar feit, dat dit in beginsel de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigt. De rechtbank houdt in strafmatigende zin echter rekening met de volgende feiten en omstandigheden. Uit de justitiële documentatie van verdachte is gebleken dat verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld en dat verdachte, sinds zijn aanhouding in deze zaak in februari 2023, niet meer in aanraking is gekomen met justitie. Artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht is van toepassing. Daarnaast kent de rechtbank bijzonder gewicht toe aan het forse tijdsverloop. In artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens is het recht van iedere verdachte gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. De redelijke termijn is in deze zaak overschreden.
Gelet op de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, hoewel de ernst van het feit daartoe wel reden geeft, geen passende straf. Alles afwegende acht de rechtbank een taakstraf voor de duur van 240 uur, te vervangen door 120 dagen hechtenis, en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden, met een proeftijd van 2 jaren, passend en geboden. Het voorwaardelijke strafdeel dient daarbij als waarschuwing aan verdachte, teneinde te voorkomen dat verdachte zich nogmaals schuldig maakt aan (soortgelijke) strafbare feiten.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 63, 420bis en 420ter van het Wetboek van Strafrecht. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank
Verklaart het ten laste gelegde feit bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden.

Bepaalt dat deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op 2 jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

een taakstraf voor de duur van 240 uren.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 120 dagen zal worden toegepast.
Beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 uren per dag inverzekeringstelling.
Dit vonnis is gewezen door mr. H. van der Werff, voorzitter, mr. C. Brouwer en
mr. K. Offerein-Hulshoff, rechters, bijgestaan door mr. M.M. Peters, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 5 februari 2026.
Mr. K. Offerein-Hulshoff is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.