ECLI:NL:RBNNE:2026:2963

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
3 juli 2026
Publicatiedatum
20 juli 2026
Zaaknummer
25/1067
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:19 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep tegen afwijzing VOG-aanvraag voor schietvereniging

Eiser diende op 2 april 2024 een aanvraag in voor een Verklaring Omtrent Gedrag (VOG) ten behoeve van zijn lidmaatschap van een schietvereniging. De aanvraag werd op 11 juni 2024 afgewezen door de Dienst Justis, waarna eiser bezwaar maakte. Op 24 januari 2025 handhaafde verweerder het besluit, waartegen eiser beroep instelde.

Op 11 juni 2026 nam verweerder een nieuw besluit waarin het bezwaar van eiser werd gegrond verklaard en de VOG alsnog werd toegekend. De rechtbank behandelde het beroep op 16 juni 2026, waarbij eiser en zijn gemachtigde niet verschenen en verweerder zich afmeldde.

De rechtbank oordeelde dat eiser geen zelfstandig procesbelang meer had bij de inhoudelijke beoordeling van het eerste bestreden besluit, omdat de VOG inmiddels was toegekend. Ook bij het tweede bestreden besluit ontbrak een actueel procesbelang, aangezien het bezwaar gegrond was verklaard en geen vergoeding van kosten mogelijk was. Daarom verklaarde de rechtbank het beroep tegen beide besluiten niet-ontvankelijk en wees zij de terugbetaling van griffierecht en proceskosten af.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing en latere toekenning van de VOG is niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan procesbelang.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 25/1067

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 juli 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. M. Helmantel),
en

De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, Dienst Justis, verweerder.

Samenvatting

1. Deze beroepsprocedure gaat over de aanvraag voor het afgeven van een Verklaring Omtrent Gedrag (VOG). De rechtbank komt tot het oordeel dat eiser geen procesbelang meer heeft bij de beroepsprocedure. De rechtbank legt hierna in deze uitspraak uit hoe zij tot dit oordeel komt.

Procesverloop

2. Op 2 april 2024 heeft eiser een VOG-aanvraag ingediend ten behoeve van zijn lidmaatschap van een schietvereniging.
2.1.
Met het primaire besluit van 11 juni 2024 heeft verweerder de aanvraag afgewezen. Tegen dit besluit is bezwaar gemaakt door eiser.
2.2.
Met het bestreden besluit van 24 januari 2025 (bestreden besluit 1) op het bezwaar van eiser is verweerder bij het primaire besluit gebleven.
2.3.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen bestreden besluit 1.
2.4.
Op 11 juni 2026 heeft verweerder een nieuw besluit (bestreden besluit 2) op de bezwaren van eiser genomen. Daarin is het bezwaar van eiser gegrond verklaard en heeft verweerder de VOG-aanvraag van eiser alsnog toegewezen.
2.5.
Op grond van artikel 6:19 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het beroep van eiser mede gericht tegen bestreden besluit 2.
2.6.
De rechtbank heeft het beroep tegen de bestreden besluiten op 16 juni 2026 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn niet verschenen. Verweerder heeft zich afgemeld voor de zitting.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt de bestreden besluiten 1 en 2 mede aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
4. De rechtbank is van oordeel dat het beroep tegen bestreden besluit 1 niet-ontvankelijk moet worden verklaard en dat het beroep tegen bestreden besluit 2 ook niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
Ten aanzien van bestreden besluit 1
4.1.
Zoals uit het voorgaande blijkt is het bezwaar van eiser alsnog gegrond verklaard. Eiser zal dus alsnog een VOG krijgen, zodat hij zijn lidmaatschap van de schietvereniging kan gaan uitoefenen. Eiser heeft geen gronden aangevoerd waaruit blijkt dat hij nog steeds een zelfstandig procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van bestreden besluit 1. De rechtbank zal het beroep voor zover gericht tegen bestreden besluit 1 daarom niet-ontvankelijk verklaren.
Ten aanzien van bestreden besluit 2
4.2.
Met bestreden besluit 2 is verweerder tegemoetgekomen aan de bezwaren van eiser en heeft hij de VOG-aanvraag toegewezen. Dit heeft verweerder gedaan op basis van nieuwe feiten en omstandigheden. Van een herroeping van bestreden besluit 1 is dus geen sprake. Eiser komt daardoor niet in aanmerking voor een vergoeding van gemaakte kosten.
De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat eiser geen actueel procesbelang heeft bij het voeren van deze beroepsprocedure. Het beroep tegen bestreden besluit 2 zal daarom ook niet-ontvankelijk worden verklaard.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep tegen de bestreden besluiten is niet-ontvankelijk. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep tegen bestreden besluit 1 niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep tegen bestreden besluit 2 niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Hanssen-Telman, rechter, in aanwezigheid van
K.D. Bosklopper, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.