ECLI:NL:RBNNE:2026:2966

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
21 juli 2026
Publicatiedatum
21 juli 2026
Zaaknummer
18.352872.25
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 33 SrArt. 33a Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling poging gijzeling, belaging, bedreiging, vernieling en verboden wapenbezit

Op 29 december 2025 pleegde verdachte een poging tot gijzeling in een winkel te Emmen, waarbij hij met tiewraps en een vuurwapen het personeel en klanten bedreigde en dwong tot overgave van een telefoon om politiecontact te voorkomen. Verdachte vervolgde zijn strafbare gedragingen met belaging en bedreiging van zijn moeder, [slachtoffer 5], in februari 2026, en vernielde haar autoruit. Tevens droeg hij op 6 maart 2026 een verboden mes in het openbaar.

De rechtbank achtte de feiten wettig en overtuigend bewezen, behalve de belaging van een ander slachtoffer, waarvoor verdachte werd vrijgesproken. De rechtbank oordeelde dat verdachte strafbaar is en wees het volwassenenstrafrecht toe, ondanks zijn jonge leeftijd, mede op advies van de reclassering.

De straf bestaat uit 24 maanden gevangenisstraf, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar, en een maatregel op grond van artikel 38v Sr met een contact- en locatieverbod ten aanzien van [slachtoffer 5]. Daarnaast werden schadevergoedingen toegekend aan de slachtoffers voor materiële en immateriële schade, met wettelijke rente en een schadevergoedingsmaatregel.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 24 maanden gevangenisstraf, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, en oplegging van een contact- en locatieverbod.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht
Locatie Assen
parketnummer 18.352872.25
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 21 juli 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2006 te [geboorteplaats] , ingeschreven in de Basisregistratie Personen:
[adres] ,
thans gedetineerd in de [instelling] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 7 juli 2026.
Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. A.M. Veld, advocaat te Hoogeveen. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. L. Potijk.
Tenlastelegging
Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 29 december 2025 te Emmen, ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] wederrechtelijk van de vrijheid te beroven en beroofd te houden, met het oogmerk om een ander, te weten de politie en/of de [winkel] en/of een ander, te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden, te weten de afgifte van een geldbedrag van 1.000.000 euro, althans enig geldbedrag, immers heeft hij met dat oogmerk tiewraps en een (vuur)wapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, meegenomen naar de [winkel] aldaar en (vervolgens) het (vuur)wapen, althans het op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] gericht en/of gericht gehouden, althans getoond en/of de woorden gesproken: ” allemaal op je knieën, bek dicht, op de grond, niets proberen”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en/of die [slachtoffer 1] onder schot gehouden en/of die [slachtoffer 1] gedwongen, althans ertoe bewogen om zijn telefoon af te geven zodat die [slachtoffer 1] de politie niet kon bellen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 29 december 2025 te Emmen opzettelijk [slachtoffer 1] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, door die [slachtoffer 1] onder schot te houden, door een (vuur)wapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op die [slachtoffer 1] te richten en gericht te houden, waardoor die [slachtoffer 1] zich redelijkerwijs niet vrij voelde en feitelijk niet in staat was zich te verwijderen
2.
hij in of omstreeks de periode van 7 februari 2026 tot en met 14 februari 2026 te Emmen, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer 5] , door:
  • veelvuldig te bellen;
  • (vervolgens) die [slachtoffer 5] aan de telefoon uit te schelden;
met het oogmerk die [slachtoffer 5] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen;
3.
hij op of omstreeks 8 februari 2026 te Emmen, althans in Nederland [slachtoffer 5] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer 5] dreigend de woorden toe te voegen "Ik ben onderweg. Ik maak jullie allemaal koud", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking
4.
hij op of omstreeks 9 februari 2026 te Emmen, althans in Nederland opzettelijk en wederrechtelijk een autoruit, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [slachtoffer 5] , toebehoorde heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt
5.
hij in of omstreeks de periode van 5 januari 2026 tot en met 26 januari 2026 te Emmen, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer 6] , door die [slachtoffer 6] veelvuldig te bellen en/of berichten te sturen met het oogmerk die [slachtoffer 6] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen;
6.
hij op of omstreeks 6 maart 2026 te Emmen een wapen van categorie IV, onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten een (koks)mes, zijnde een voorwerp waarvan, gelet op zijn aard en/of de omstandigheden waaronder het werd aangetroffen, redelijkerwijs kon worden aangenomen dat het bestemd was om letsel aan personen toe te brengen en/of te dreigen heeft gedragen.
Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd verdachte vrij te spreken van het onder 5 ten laste gelegde. De officier van justitie heeft voorts veroordeling gevorderd voor het onder 1 primair, 2, 3, 4 en 6 ten laste gelegde.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 2 en 5 ten laste gelegde. Met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde heeft zij daartoe aangevoerd dat het contact tussen verdachte en [slachtoffer 5] (hierna: [slachtoffer 5] ) ook vanuit die [slachtoffer 5] werd geïnitieerd. Met betrekking tot het onder 5 ten laste gelegde heeft de raadsvrouw aangevoerd dat er vanuit [slachtoffer 6] vaker inkomend contact is geweest dan uitgaand contact. Daarom is niet ondubbelzinnig gebleken dat [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] geen contact meer wilden hebben met verdachte. Voorts heeft de raadsvrouw betoogd dat verdachte partieel moet worden vrijgesproken van het onder 1 primair ten laste gelegde bestanddeel dat verdachte het wapen ook heeft gericht op [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] . De raadsvrouw heeft daartoe aangevoerd dat getuigen [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] daarover niet hebben verklaard en de still van de camerabeelden - waarop het lijkt alsof verdachte het wapen op voornoemde personen richt - slechts een momentopname is van verdachte die op dat moment in beweging is. De raadsvrouw heeft zich voor wat betreft de bewezenverklaring van het onder 1 primair ten laste gelegde voor het overige gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De raadsvrouw heeft geen standpunt ingenomen voor wat betreft de bewezenverklaring van het onder 3, 4 en 6 ten laste gelegde.
Oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van het onder 5 ten laste gelegde
De rechtbank acht het onder 5 ten laste gelegde feit niet wettig en overtuigend bewezen, zodat verdachte hiervan zal worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende.
De rechtbank dient te beoordelen of verdachte met zijn handelen opzettelijk en wederrechtelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 6] (hierna: [slachtoffer 6] ) en zo ja, of die inbreuk een stelselmatig karakter had. Of sprake is geweest van een stelselmatige inbreuk dient te worden
beoordeeld aan de hand van de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van [slachtoffer 6] .
De rechtbank stelt op basis van de inhoud van het dossier, meer in het bijzonder het onderzoek in de telefoon van verdachte, en het verhandelde ter terechtzitting vast dat er in de ten laste gelegde periode in totaal achtmaal een connectie tot stand is gebracht tussen de telefoon van verdachte en de telefoon van [slachtoffer 6] . De helft van deze connecties hebben bestaan uit inkomende oproepen en zijn dus door [slachtoffer 6] zelf geïnitieerd.
Gelet op het voorgaande kan naar het oordeel van de rechtbank worden vastgesteld dat verdachte met zijn handelen in de ten laste gelegde periode weliswaar meerdere keren telefonisch contact gezocht met [slachtoffer 6] maar een inbreuk op haar persoonlijke levenssfeer kan gelet op de aard, de duur en de frequentie van het contact niet als stelselmatig worden aangemerkt. Hoewel het contact met verdachte door [slachtoffer 6] als zeer onprettig en ongewenst is ervaren, neemt dat niet weg dat het voorgaande met zich mee brengt dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 5 ten laste gelegde.
Ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde
De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
1. De door verdachte ter zitting van 7 juli 2026 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:
Op 29 december 2025 ben ik met tieraps en een vuurwapen naar de [winkel] te Emmen gegaan. De tieraps heb ik kort daarvoor gekocht ten behoeve van de gijzeling. In de [winkel] heb ik het wapen gericht op het personeel van de [winkel] en gezegd dat het een overval was en iedereen op de grond moest gaan zitten. Ik heb ook [slachtoffer 1] gesommeerd om op zijn knieën te gaan zitten en zijn telefoon af te geven. Ik wilde niet dat hij met zijn telefoon de politie kon bellen. Ik had het wapen op dat moment in mijn hand. [slachtoffer 1] heeft zijn telefoon aan mij afgegeven. Op enig moment heb ik de politie gebeld en gezegd dat ik 500.000 euro voor mijn vader en 500.000 euro voor mijn vriendin wilde hebben.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 29 december
2025, opgenomen op pagina 18 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2025350746 d.d. 16 februari 2026, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 1] :
Ik ben storemanager van de [winkel] in Emmen. Op 29 december 2025 stond ik samen met collega [slachtoffer 2] in de winkel. Ik hielp twee dames die samen waren gekomen, een moeder en dochter. Tijdens het gesprek kwam een jongen de winkel binnenlopen. De jongen liep met een vuurwapen in zijn hand richting de dochter. De jongen riep: “jullie gaan allemaal op je knieën” en daarna draaide hij zich naar mij toe. Hij richtte het pistool op mij.
Ik probeerde naar het magazijn te vluchten. Ik zag dat verdachte mij volgde. Hij richtte wederom het pistool op mijn hoofd. Ik stond weer boven aan de trap en toen zei hij weer dat ik op mijn knieën moest. Toen zei de verdachte geef me je telefoon. Ik gaf de telefoon.
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 29 december
2025, opgenomen op pagina 26 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 2] :
Op 29 december 2025 was ik werkzaam in de [winkel] store te Emmen. Ik was daar met mijn collega [slachtoffer 1] . Er waren ook twee klanten binnen. Op dat moment kwam er een jongen de winkel binnen. Ik zag dat de jongen een pistool in zijn rechterhand had en deze op ons richtte. Daarna riep hij tegen ons: “allemaal op je knieën” en hoorde ik hem verder schelden iets in de trant van “Iedereen bek dicht, op de grond, niets proberen”.
4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 30
december 2025, opgenomen op pagina 61 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisanten [verbalisant ] en [verbalisant ] :
Wij bekeken de videobeelden van de [winkel] in Emmen naar aanleiding van een gewapende overval die daar plaats vond op 29 december 2025.
Dome camera
Camera die een totaal overzichtsbeeld geeft van het totale winkelgedeelte.
15.18.52 uur. Verdachte komt binnen. Een klant met medewerker achter in de winkel en een klant met medewerker voor in de winkel.
15.19.08 uur. Verdachte trekt vuurwapen. Verdachte duwt klant 1 weg.
15.19.17 uur. Verdachte richt een op een vuurwapen gelijkend voorwerp richting de medewerker 2 en klant 2 voor in de winkel.
15:19:18 uur. Medewerker 1 gaat naar magazijn en verdachte volgt.
Bewijsoverwegingen
Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende. Uit de inhoud van de hiervoor opgenomen bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte met het vuurwapen de [winkel] is binnengegaan en dat vuurwapen zowel op het aanwezige personeel, zijnde [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , als op het winkelend publiek, zijnde [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] , heeft gericht. [slachtoffer 2] heeft daarover immers verklaard dat hij samen met [slachtoffer 1] en twee klanten in de [winkel] was, verdachte het vuurwapen op hen richtte en verdachte tegen hen allemaal riep dat zij op hun knieën moesten gaan zitten. Voorts is op de beschreven camerabeelden ook te zien dat verdachte achter in de winkel staat en hij het vuurwapen op enig moment richt op een klant en [slachtoffer 2] , die voor in de winkel staan.
Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde
De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
1. De door verdachte ter zitting van 7 juli 2026 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:
Het telefoonnummer [telefoonnummer 1] heb ik in gebruik gehad. Op 8 januari 2026 heeft er met mij een stopgesprek plaatsgevonden. Ik ben vervolgens verder gegaan met het bellen van [slachtoffer 5] , ook toen [slachtoffer 5] daarmee al was gestopt. Ik heb [slachtoffer 5] in de periode van 7 februari 2026 tot en met 14 februari 2026 veelvuldig gebeld en uitgescholden.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 9 februari 2026, opgenomen op pagina 30 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2026035828 d.d. 20 mei 2026, inhoudend de verklaring van [slachtoffer 5] ;
Op 7 februari 2026 werd ik gebeld door het telefoonnummer [telefoonnummer 1] . Ik heb toen niet opgenomen. Ik heb dit telefoonnummer vervolgens teruggebeld en gevraagd: "wie ben je?" Ik hoorde dat de persoon aan de telefoon mijn zoon [verdachte] was. Ik herkende zijn stem. Ik hoorde dat [verdachte] gelijk begon te schelden. Vervolgens werd ik weer een aantal keren gebeld door onbekende/afgeschermde nummers. Op 8 februari 2026 werd ik zeven (7) keer gebeld door onbekende/afgeschermde telefoonnummers. Vervolgens heb ik de politie gebeld. Terwijl ik met 0900-8844 aan de lijn hing werd ik gebeld door het eerder genoemde telefoonnummer, [telefoonnummer 1] . Gelijk daarna werd ik weer gebeld door dit telefoonnummer. Dat was om 18.58 uur twee keer en om 18.59 uur twee keer. Dezelfde dag om 19.02 uur werd ik wederom gebeld door een onbekend/afgeschermd nummer. Om 19.51 uur werd ik weer tot drie keer toe gebeld met het telefoonnummer [telefoonnummer 1] . Om 19.52 uur wederom drie keer door dit telefoonnummer.
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal ontvangst klacht door hulpofficier van justitie
d.d. 9 februari 2026, opgenomen op pagina 36 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend het relaas van verbalisant [verbalisant ] ;
Op 9 februari 2026 heb ik een schriftelijke klacht ontvangen terzake: stalking en bedreiging door zoon, Emmen 7 februari 2026. De klacht werd gedaan door:
Achternaam: [slachtoffer 5]
Voornamen: [slachtoffer 5]
Geboortedatum: [geboortedatum] 1970
De klaagster verzocht uitdrukkelijk om tot vervolging van de mogelijke dader over te gaan.
4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 10 april
2026, opgenomen op pagina 78 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend het relaas van verbalisant [verbalisant ] ;
Ik heb een vordering gedaan op het telefoonnummer welke werd gebruikt voor de stalking vanuit [verdachte] naar zijn moeder. Ik zag dat er op 8 februari veertienmaal is gebeld naar het telefoonnummer van aangever [slachtoffer 5] . Ik zag dat er op 14 februari negentienmaal is gebeld naar het nummer van aangever [slachtoffer 5] .
Bewijsoverwegingen
Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende. Uit de door verdachte ter terechtzitting afgelegde verklaring stelt de rechtbank vast dat met verdachte op 8 januari 2026 reeds een stopgesprek is gevoerd en hem kenbaar is gemaakt dat hij geen contact meer met [slachtoffer 5] mocht opnemen. Op grond van de aangifte van [slachtoffer 5] , het onderzoek naar de inhoud van de telefoon van verdachte en de door verdachte ter terechtzitting afgelegde verklaring stelt de rechtbank voorts vast dat verdachte vervolgens in de periode van 7 februari 2026 tot en met 14 februari 2026 [slachtoffer 5] opnieuw 33 keer heeft gebeld en verdachte die [slachtoffer 5] meermalen heeft uitgescholden op de momenten dat zij de oproepen van verdachte beantwoordde. Anders dan door de raadsvrouw aangevoerd werd het contact in de ten laste gelegde periode - te weten de periode nadat zowel met verdachte als met [slachtoffer 5] een stopgesprek is gevoerd - niet (langer) ook door [slachtoffer 5] geïnitieerd.
Zoals hiervoor reeds is overwogen, dient de rechtbank te beoordelen of verdachte door voornoemd handelen opzettelijk en wederrechtelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 5] en zo ja, of die inbreuk een stelselmatig karakter had.
Naar het oordeel van de rechtbank is de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de hiervoor vastgestelde gedragingen van verdachte en de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden zodanig geweest dat van een stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 5] sprake is geweest. De rechtbank acht het onder 2 ten laste gelegde feit dan ook wettig en overtuigend bewezen.
Ten aanzien van het onder 3, 4 en 6 ten laste gelegde
De rechtbank acht de onder 3, 4 en 6 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte deze feiten duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering. Ieder bewijsmiddel is - ook in onderdelen - slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
Deze opgave luidt als volgt:
de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 7 juli 2026;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 9 februari 2026, opgenomen op pagina 30 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2026035828 d.d. 20 mei 2026, inhoudend de verklaring van [slachtoffer 5] ;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 6 maart
2026, opgenomen op pagina 5 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2026059031 d.d. 8 maart 2026, inhoudend het relaas van verbalisanten [verbalisant ] en [verbalisant ] ;
4. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 7 maart
2026, opgenomen op pagina 10 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend het relaas van verbalisant [verbalisant ] .
Bewezenverklaring
De rechtbank acht het onder 1 primair, 2, 3, 4 en 6 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
1.
hij op 29 december 2025 te Emmen, ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] wederrechtelijk van de vrijheid te beroven, met het oogmerk om een ander, te weten de politie, te dwingen iets te doen, te weten de afgifte van een geldbedrag van 1.000.000 euro, immers heeft hij met dat oogmerk tiewraps en een vuurwapen meegenomen naar de [winkel] aldaar en vervolgens het vuurwapen op die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] gericht en getoond en de woorden gesproken: “allemaal op je knieën, bek dicht, op de grond, niets proberen”, en die [slachtoffer 1] onder schot gehouden en die [slachtoffer 1] gedwongen om zijn telefoon af te geven zodat
die [slachtoffer 1] de politie niet kon bellen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2.
hij in de periode van 7 februari 2026 tot en met 14 februari 2026 te Emmen, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer 5] , door:
  • veelvuldig te bellen;
  • die [slachtoffer 5] aan de telefoon uit te schelden;
met het oogmerk die [slachtoffer 5] , te dwingen iets te dulden en vrees aan te jagen;
3.
hij op 8 februari 2026 te Emmen, [slachtoffer 5] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die [slachtoffer 5] dreigend de woorden toe te voegen “Ik ben onderweg. Ik maak jullie allemaal koud”;
4.
hij op 9 februari 2026 te Emmen, opzettelijk en wederrechtelijk een autoruit, die aan [slachtoffer 5] toebehoorde, heeft vernield;
6.
hij op 6 maart 2026 te Emmen, een wapen van categorie IV, onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten een koksmes, zijnde een voorwerp waarvan, gelet op zijn aard en de omstandigheden waaronder het werd aangetroffen, redelijkerwijs kon worden aangenomen dat het bestemd was om letsel aan personen toe te brengen en/of te dreigen heeft gedragen.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde levert op:

3 bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

4.
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen;
6.
handelen in strijd met artikel 27, eerste lid, van de Wet wapen en munitie.
Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.
Strafbaarheid van verdachte
De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.
Strafmotivering
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het volwassenenstrafrecht dient te worden toegepast en gevorderd dat verdachte ter zake van onder 1 primair, 2, 3, 4 en 6 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorlopige hechtenis heef doorgebracht, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren. De officier van justitie heeft gevorderd aan het voorwaardelijk deel van de op leggen gevangenisstraf de bijzondere voorwaarden te verbinden zoals door de reclassering geadviseerd in het rapport van 8 juni 2025 en die bijzondere voorwaarden en het toezicht daarop dadelijk uitvoerbaar te verklaren.
Tot slot heeft de officier van justitie gevorderd aan verdachte op te leggen de maatregel als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), inhoudende een contactverbod met [slachtoffer 5] en een locatieverbod voor de straat waar [slachtoffer 5] woont voor de duur van vijf jaren. De officier van justitie heeft gevorderd ook voornoemde maatregel dadelijk uitvoerbaar te verklaren en de duur van de vervangende hechtenis te bepalen op 7 dagen voor iedere keer dat verdachte niet aan de maatregel voldoet, met een maximum van 6 maanden.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht bij het bepalen van de op te leggen straf rekening te houden met de persoon van verdachte en onder verwijzing naar de Richtlijn en kader voor strafvordering jeugd en adolescenten bepleit dat het jeugdstrafrecht dient te worden toegepast.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de reclasseringsadviezen van 8 juni 2026 en 6 juli 2026, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging. De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich op 29 december 2025 schuldig gemaakt aan een poging tot gijzeling door een medewerker van de [winkel] te Emmen van zijn vrijheid te beroven om zo de politie te dwingen tot het betalen van een geldbedrag van in totaal 1.000.000,00 euro. Verdachte is met tieraps en een vuurwapen de [winkel] binnengegaan, heeft dat vuurwapen gericht op de twee medewerkers en twee klanten die op dat moment in de winkel aanwezig waren en geroepen dat iedereen op de grond moest gaan zitten en niets moesten proberen.
Nadat één van de twee medewerkers samen met de twee klanten de winkel vrij snel op een onbewaakt moment heeft kunnen ontvluchten, heeft verdachte de overgebleven medewerker achtervolgd naar het magazijn, hem onder schot gehouden, gesommeerd om op zijn knieën te gaan zitten en gedwongen zijn telefoon aan hem af staan opdat die medewerker de politie niet kon bellen. Omdat er geen geldbedrag aan verdachte is betaald en verdachte zich - nadat ook de overgebleven medewerker aan verdachte heeft weten te ontkomen - uiteindelijk heeft overgegeven aan de politie, is het bij een poging tot gijzeling gebleven.
Voor de door verdachte willekeurig gekozen slachtoffers moet dit een zeer beangstigende en ingrijpende gebeurtenis zijn geweest. Verdachte is volledig voorbijgegaan aan het welzijn van de slachtoffers en heeft slechts oog gehad voor zijn eigen (financiële) problemen. De door verdachte willekeurig gekozen slachtoffers hebben een vuurwapen op zich gericht gekregen. Hun veiligheidsgevoel is daardoor aangetast en met name [slachtoffer 1] moet doodsangsten hebben uitgestaan. Uit de onderbouwing van de door [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ingediende vorderingen tot schadevergoeding en de door [slachtoffer 1] ter terechtzitting voorgedragen slachtofferverklaring blijkt ook wat voor impact het handelen van verdachte op hen heeft gehad en nog altijd heeft. De rechtbank rekent verdachte dit alles zwaar aan.
Nadat de voorlopige hechtenis van verdachte met ingang van 31 december 2025 is geschorst heeft verdachte zich tijdens de schorsing in de periode van 7 februari 2026 tot en met 14 februari 2026 schuldig gemaakt aan belaging en bedreiging van [slachtoffer 5] , de moeder van verdachte, met wie hij een complexe relatie heeft. Verdachte heeft [slachtoffer 5] in voornoemde periode veelvuldig gebeld en haar telefonisch bedreigd en uitgescholden, alles om die [slachtoffer 5] bang te maken. Om dit kracht bij te zetten heeft verdachte op 9 februari 2026 ook een ruit van de auto van [slachtoffer 5] vernield. Het complex aan strafbare feiten heeft in ernstige mate ingegrepen in het welbevinden van [slachtoffer 5] en zij heeft zich daardoor erg beperkt gevoeld in haar bewegingsvrijheid. Door de niet mis te verstane signalen te negeren en in weerwil daarvan door te gaan met het lastigvallen, bedreigen en beledigen van [slachtoffer 5] heeft verdachte blijk gegeven geen respect te hebben voor de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 5] . Bovendien is het hele feitencomplex voor [slachtoffer 5] zeer beangstigend geweest, zoals ook blijkt uit haar ter terechtzitting voorgedragen slachtofferverklaring. Dat de relatie tussen verdachte en zijn moeder ernstig is verstoord en verdachte vanuit het verleden veel wrok koestert richting zijn moeder rechtvaardigt de strafbare gedragingen geenszins.
Tot slot heeft verdachte zich op 6 maart 2026 schuldig gemaakt aan verboden wapenbezit door in het openbaar een mes te dragen. Door het dragen van dergelijke wapens kan daarmee worden gedreigd en kan potentieel aanzienlijk letsel aan derden worden toegebracht. Het ongecontroleerde bezit van wapens leidt dan ook veelal tot het plegen van ernstige geweldsdelicten. Ook leidt het tot gevoelens van onveiligheid in de maatschappij, te meer nu verdachte het mes bewust zichtbaar heeft gedragen.
Persoon van verdachte
Adolescentenstrafrecht
Verdachte was 19 jaar oud toen hij de bewezenverklaarde feiten pleegde. Ten aanzien van een verdachte die ten tijde van een strafbaar feit de leeftijd van 18 jaren maar nog niet die van 23 jaren heeft bereikt, kan de rechtbank op grond van artikel 77c Sr rekening houden met de jeugdige leeftijd van de verdachte en het adolescentenstrafrecht toepassen. Daartoe moet de rechtbank grond vinden in de persoonlijkheid van verdachte of in de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan. Een andere factor bij de beoordeling van eventuele toepassing van het adolescentenstrafrecht is de mogelijkheid van pedagogische beïnvloeding en de vraag of pedagogische beïnvloeding zinvol is. Tot slot kunnen ook verschillende contra-indicaties in de weg staan aan het toepassen van het adolescentenstrafrecht.
De reclassering schrijft in dat verband dat er op het gebied van handelingsvaardigheden aanknopingspunten zijn voor het toepassen van het jeugdstrafrecht. Ook ten aanzien van de pedagogische mogelijkheden komen een aantal indicaties voor het jeugdstrafrecht naar voren. Zo maakte verdachte
onderdeel uit van een gezinsstructuur en lijkt hij ontvankelijk voor ondersteuning en beïnvloeding door volwassenen. Voordat verdachte het onder 1 primair bewezen verklaarde pleegde heeft hij echter een aantal jaren samengewoond met zijn ex-partner en werkte hij in loondienst. Verdachte is niet voornemens naar school te gaan en streeft ernaar om weer op zichzelf te gaan wonen. Gelet op het voorgaande en mede gelet op de persoon van verdachte acht de reclassering het onwenselijk om te adviseren het jeugdstrafrecht toe te passen. De reclassering adviseert dan ook, na toepassing van het wegingskader adolescentenstrafrecht en in overleg met de Raad voor de Kinderbescherming, het volwassenenstrafrecht toe te passen.
Met de officier van justitie en de reclassering is de rechtbank van oordeel dat de persoon van verdachte noch de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan aanleiding geven in het onderhavige geval af te wijken van het uitgangspunt verdachte te berechten volgens het volwassenenstrafrecht. De rechtbank overweegt hiertoe dat verdachte al langere tijd niet meer naar school gaat, hij betaald werk had en hij, nadat hij een aantal jaren samen heeft gewoond met zijn ex-partner die bij haar oma woonde, nu voornemens was om op zichzelf te gaan wonen. De rechtbank concludeert dan ook dat verdachte een zelfstandig bestaan leidt, zich niet jonger lijkt te gedragen dan zijn kalenderleeftijd en hij in die zin als volwassen moet worden beschouwd. De rechtbank zal bij het bepalen van de op te leggen straf wel in strafmatigende zin rekening houden met de nog jonge leeftijd van verdachte ten tijde van het plegen van de strafbare feiten.
Reclasseringsadvies
De reclassering noemt in haar advies van 8 juni 2026 voorts als delictgerelateerde risicofactoren het psychosociaal functioneren van verdachte, zijn dagbesteding, financiën, middelengebruik en de relatie met zijn moeder. Uit verdiepingsdiagnostiek blijkt voorts dat verdachte op een laag sociaal-emotioneel niveau functioneert, hetgeen zijn onberekenbare en impulsieve gedrag deels zou kunnen verklaren. Verdachte heeft veel meegemaakt in zijn leven en lijkt niet goed in staat om overzicht te bewaren en met moeilijke situaties om te gaan. Het is verdachte dan ook niet gelukt om zelfstandig de juiste hulp te vinden of in te schakelen. Verdachte lijkt echter te hebben ingezien dat hij die hulp nodig heeft bij het opbouwen van een delictvrij bestaan en is gemotiveerd voor begeleiding en toezicht daarop. Deze houding kan worden aangemerkt als mogelijk beschermende factor.
Gelet op de aard van de ten laste gelegde feiten en het gegeven dat verdachte eerder is veroordeeld voor een geweldsdelict, schat de reclassering de kans op letsel in als gemiddeld. De risicos op recidive en het onttrekken aan de voorwaarden worden door de reclassering ingeschat als gemiddeld-hoog. Hoewel verdachte zich eerder heeft onttrokken aan de bijzondere en algemene voorwaarden lijkt de huidige detentie een afschrikwekkende werking te hebben gehad. Daarnaast heeft verdachte meer inzicht gekregen in zijn gedrag en onderliggende problematiek en staat hij open voor hulpverlening, hetgeen een verlagende werking heeft op de risicos op recidive en onttrekking aan de voorwaarden.
Gelet op voornoemde problematiek acht de reclassering het noodzakelijk dat verdachte aansluitend aan zijn detentie in een woonvorm zal verblijven waar 24-uurs begeleiding aanwezig is en ambulant zal worden behandeld, waarbij oog is voor de suïcidaliteit bij verdachte. Daarnaast adviseert de reclassering aan een deels voorwaardelijke straf de bijzondere voorwaarden te verbinden dat verdachte zich meldt op afspraken met de reclassering, hij zal meewerken aan het aflossen van zijn schulden en controles op middelengebruik en hij geen contact zoekt of heeft met [slachtoffer 5] . Tot slot adviseert de reclassering aan verdachte op te leggen een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr, inhoudende een gebiedsverbod voor de stad Emmen. De reclassering adviseert voornoemde voorwaarden en vrijheidsbeperkende maatregel dadelijk uitvoerbaar te verklaren.
Strafoplegging
De rechtbank stelt enerzijds voorop dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan meerdere ernstige strafbare feiten met grote gevolgen voor de slachtoffers. Anderzijds ziet de rechtbank een kwetsbare en nog jonge verdachte, die open lijkt te staan voor hulpverlening en bij wie sprake is van (psychische) problematiek. Alles afwegende en rekening houdend met de hiervoor genoemde factoren acht de rechtbank oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren passend en geboden. De rechtbank zal aan het voorwaardelijk deel van de op te leggen gevangenisstraf de bijzondere voorwaarden verbinden zoals door de reclassering geadviseerd, aangevuld met de bijzondere voorwaarde dat verdachte zich gedurende de proeftijd niet zal ophouden in de straat [adres] te Emmen.
Gelet op de bewezen verklaarde feiten zal de rechtbank de voorwaarden en het toezicht daarop niet dadelijk uitvoerbaar verklaren, nu naar het oordeel van de rechtbank niet aan de wettelijke vereisten van artikel 14e Sr is voldaan.
Vrijheidsbeperkende maatregel
Ter beveiliging van de maatschappij en ter voorkoming van strafbare feiten ziet de rechtbank voorts aanleiding om aan verdachte ook een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr op te leggen. Deze maatregelen houden in dat verdachte gedurende vijf jaren op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen met [slachtoffer 5] , geboren op [geboortedatum] 1970 te [geboorteplaats] en dat de veroordeelde zich gedurende vijf jaren niet bevindt in de straat [adres] te Emmen. De rechtbank zal bepalen dat voor iedere keer dat verdachte voornoemde maatregel overtreedt 14 (veertien) dagen vervangende hechtenis zal worden toegepast, met een maximum van 6 (zes) maanden.
Dadelijke uitvoerbaarheid
Omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de veroordeelde zich opnieuw belastend zal gedragen jegens aangeefster [slachtoffer 5] beveelt de rechtbank, gelet op artikel 38v, vierde lid Sr, dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is.
Benadeelde partijen
De volgende personen hebben zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding:
Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde

1.[slachtoffer 1], tot een bedrag van 20.860,14 ter zake van materiële schade en

3.000,00ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan;
2. [
[slachtoffer 2], tot een bedrag van
3.000,00ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.
Ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde
3. [
[slachtoffer 5] , wettelijk vertegenwoordigd door [naam] , h.o.d.n. [organisatie]
, in hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen van [slachtoffer 5] , tot een bedrag van
248,78ter zake van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.
Standpunt van de officier van justitie
Vordering van benadeelde partij [slachtoffer 1]
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] voldoende is onderbouwd en in zijn geheel voor toewijzing vatbaar is, vermeerderd met de wettelijke rente en onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Volgens de officier van justitie betreft de gevorderde schadevergoeding schade die rechtstreeks door het onder 1 primair ten laste gelegde is toegebracht.
Vordering van benadeelde partij [slachtoffer 2]
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] , gelet op de aard en ernst van de normschending en bedragen die blijkens de Rotterdamse schaal in soortgelijke gevallen zijn toegekend, voldoende is onderbouwd en in zijn geheel voor toewijzing vatbaar is, vermeerderd met de wettelijke rente en onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Vordering van benadeelde partij [slachtoffer 5]
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 5] voldoende is onderbouwd met fotos van de schade en een factuur van reparatie en derhalve voor toewijzing vatbaar is, vermeerderd met de wettelijke rente en onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de verdediging
Vordering van benadeelde partij [slachtoffer 1]
Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat het toe te wijzen bedrag aan immateriële schadevergoeding dient te worden gematigd, gelet op de korte tijdsduur waarin het strafbare feit zich heeft afgespeeld en gelet op het feit dat het strafbare feit niet is voltooid.
Ten aanzien van de gevorderde materiële schade heeft de raadsvrouw het volgende aangevoerd. Het causale verband tussen de schade aan de telefoon en het handelen van verdachte is niet aangetoond, reden waarom dit deel van de vordering dient te worden afgewezen, dan wel niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Ten aanzien van de gevorderde schadevergoeding als gevolg van inkomstenderving en studievertraging heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat de vordering vragen oproept, niet eenvoudig van aard is en derhalve een onevenredige belasting van het strafgeding vormt. De vordering dient naar het oordeel van de raadsvrouw in zoverre niet-ontvankelijk te worden verklaard.
Vordering van benadeelde partij [slachtoffer 2]
De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] dient te worden afgewezen dan wel niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de benadeelde partij vrijwel direct de winkel heeft kunnen verlaten en in een te ver verwijderd verband staat tot hetgeen zich in de winkel heeft afgespeeld. Subsidiair heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat het toe te wijzen bedrag aan immateriële schadevergoeding fors dient te worden gematigd.
Vordering van benadeelde partij [slachtoffer 5]
De raadsvrouw heeft geen standpunt ingenomen met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 5] .
Oordeel van de rechtbank
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]
Materiële schade
Schade telefoon
Naar het oordeel van de rechtbank is uit de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting onvoldoende gebleken dat de schade aan de telefoon van de benadeelde partij rechtstreeks is toegebracht door het onder 1 primair bewezen verklaarde. De rechtbank zal de benadeelde partij daarom in zoverre in de vordering niet ontvankelijk verklaren.
Gederfde inkomsten
De benadeelde partij heeft daarnaast vergoeding van gederfd inkomen gevorderd. Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende onderbouwd dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 primair bewezen verklaarde arbeidsongeschikt is geraakt en per 2 februari 2026 vanuit de Ziektewet 70 procent van het vastgestelde loon vergoed krijgt. Uitgaand van het berekende nettoloon dat niet vanuit de Ziektewet wordt gedekt, te weten 362,22 per maand, zal de rechtbank de gevorderde inkomstenderving voor de periode van 1 februari 2026 tot en met 31 juli 2026 toewijzen. De rechtbank wijst aan inkomstenderving derhalve toe een bedrag van 2.173,32.
De rechtbank is van oordeel dat de gevorderde gederfde inkomsten, voor zover deze betrekking hebben op de periode ná 31 juli 2026, toekomstige schade betreffen, waarvan onvoldoende vaststaat dat deze schade daadwerkelijk zal worden geleden. De rechtbank zal dit deel van de gevorderde schade aan inkomstenderving dan ook niet-ontvankelijk verklaren.
Studievertraging en collegegeld
De benadeelde partij stelt voorts dat hij, als gevolg van het onder 1 primair bewezen verklaarde, zes maanden studievertraging heeft opgelopen. Voor de bepaling van de omvang van de schade heeft de
benadeelde partij aansluiting gezocht bij de Letselschade Richtlijn Studievertraging. Hieruit volgt dat onder schade wegens studievertraging wordt verstaan de schade die optreedt doordat een benadeelde later op de arbeidsmarkt actief zal zijn. In het geval van zes maanden studievertraging op een hogeschool is een bedrag van 13.762,50 geïndiceerd. Voorts vordert de benadeelde partij vergoeding van het wettelijk collegegeld, welke als gevolg van de zes maanden studievertraging extra bij de benadeelde partij in rekening is gebracht ad 1.796,00.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende onderbouwt dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 primair bewezen verklaarde gedurende een periode van zes maanden studievertraging heeft opgelopen. Voor de bepaling van de omvang van de schade zal de rechtbank eveneens aansluiting zoeken bij de Letselschade Richtlijn Studievertraging. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de gevorderde schade als gevolg van de studievertraging, groot 13.762,50, en de gevorderde schade bestaande uit betaald collegegeld, groot
1.796,00, in zijn geheel toewijzen.
Immateriële schade
De benadeelde partij heeft daarnaast vergoeding van immateriële schade gevorderd. Indien geen sprake is van lichamelijk letsel, zoals in dit geval, kan op grond van artikel 6:106, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) slechts een vergoeding voor immateriële schade worden toegekend indien de benadeelde partij in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast.
Naar het oordeel van de rechtbank zijn de aard en ernst van het onder 1 primair bewezen verklaarde zodanig dat deze meebrengen dat de nadelige gevolgen daarvan zo voor de hand liggen dat de aantasting in van de persoon kan worden aangenomen. Anders dan de raadsvrouw ziet de rechtbank geen aanleiding het toe te wijzen bedrag aan immateriële schadevergoeding te matigen. De vordering zal in zoverre dan ook worden toegewezen.
De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] derhalve toe tot een bedrag van in totaal 20.731,82, vermeerderd met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit 17.731,82 aan materiële schade en 3.000,00 aan immateriële schade. De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] zal voor het overige niet ontvankelijk worden verklaard.
Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]
De benadeelde partij heeft vergoeding van immateriële schade gevorderd ad 3.000,00. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de aard en de ernst van het onder 1 primair bewezen verklaarde zodanig dat deze meebrengen dat de nadelige gevolgen daarvan zo voor de hand liggen dat de aantasting van de persoon kan worden aangenomen. Anders dan de raadsvrouw is de rechtbank derhalve van oordeel dat voldoende aannemelijk is dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1 primair bewezen verklaarde. De rechtbank ziet echter wel aanleiding om het gevorderde bedrag te matigen en heeft daarbij mede gelet op bedragen die in vergelijkbare zaken plegen te worden toegewezen. Gebruikmakend van haar schattingsbevoegdheid ex
artikel 6:97 BW Pro schat de rechtbank de hoogte van de geleden immateriële schade op 1.000,00. De rechtbank zal de gevorderde immateriële schadevergoeding tot dit bedrag toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente en onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en voor het overige deel niet-ontvankelijk verklaren.
Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 5] zoals ingediend door [naam] , h.o.d.n. [organisatie] , in hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen van [slachtoffer 5]
De benadeelde partij heeft vergoeding van materiële schade gevorderd ad 248,78. Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij de gestelde materiële schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 4 bewezen verklaarde. De vordering, waarvan de hoogte niet door de verdediging is betwist, zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 9 februari 2026 en onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Beslag
De rechtbank verklaart verbeurd het in beslag genomen voorwerp, te weten een vuurwapen (alarmpistool), merk: Target Sports Kinar (goednummer: PL0100-2025350746-1899102).
Toepassing van wetsartikelen
De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 36f, 38v, 38w, 45, 57, 282a, 285, 285b en 350 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 27 en 54 van de Wet wapens en munitie. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.
Uitspraak
De rechtbank
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 5 is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 primair, 2, 3, 4 en 6 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden.
Bepaalt dat van deze gevangenisstraf
een gedeelte, groot 12 (twaalf) maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op 3 (drie) jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of gedurende die proeftijd de hierna te noemen voorwaarden niet heeft nageleefd.
Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.
Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd:
dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor het maken van de eerste afspraak neemt de veroordeelde binnen vier dagen na het ingaan van de proeftijd telefonisch contact op met Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering, telefoonnummer: [telefoonnummer 2] ;
dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd onder behandeling zal stellen van Ambulante Forensische Psychiatrische Behandeling (AFPB) of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, op de tijden en plaatsen als door of namens die zorginstelling aan te geven en zolang de reclassering de behandeling nodig vindt;
dat de veroordeelde gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, zal verblijven in een instelling voor begeleid wonen, te bepalen door de reclassering. De veroordeelde zal zich houden aan het (dag-)programma dat deze instelling in overleg met de reclassering heeft
opgesteld;
4. dat de veroordeelde gedurende de proeftijd op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zoekt of heeft met [slachtoffer 5] , geboren op [geboortedatum] 1970 te [geboorteplaats] ;
5. dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd niet bevindt in de straat [adres] te Emmen;
6. dat de veroordeelde gedurende proeftijd zal meewerken aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen. De veroordeelde zal de reclassering inzicht geven in zijn financiën en schulden;
7. dat de veroordeelde gedurende de proeftijd zal meewerken aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te leren beheersen van alcohol en verdovende middelen, genoemd in lijst I (harddrugs), lijst II (softdrugs) en middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet. De controles kunnen bestaan uit urineonderzoek, een ademonderzoek of een speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.
Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde:
  • ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
  • medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.
De
maatregeldat de veroordeelde voor de duur van 5 (vijf) jaren zich niet zal ophouden in de straat [adres] te Emmen.
De
maatregeldat de veroordeelde voor de duur van 5 (vijf) jaren op geen enkele wijze -direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer 5] , geboren op [geboortedatum] 1970 te [geboorteplaats] .
Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregelen wordt voldaan. De duur van de vervangende hechtenis bedraagt 14 (veertien) dagen voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van 6 (zes) maanden. Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregelen niet op.
Beveelt dat de opgelegde maatregelen dadelijk uitvoerbaar zijn.
Vorderingen van de benadeelde partijen
Ten aanzien van het onder 1 primair bewezenverklaarde
Wijst de vordering van de benadeelde partij
[slachtoffer 1]toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte om aan [slachtoffer 1] te betalen:
  • het bedrag van
  • de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 29 december 2025 tot de dag van algehele voldoening;
  • de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.
Verklaart de vordering van voor het overige niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van
[slachtoffer 1]aan de Staat te betalen een bedrag van
20.731,82(zegge: twintigduizend zevenhonderdeenendertig euro en tweeëntachtig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 december 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit 17.731,82 aan materiële schade en
3.000,00 aan immateriële schade.
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 127 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.
Wijst de vordering van de benadeelde partij
[slachtoffer 2]toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte om aan [slachtoffer 2] te betalen:
  • het bedrag van
  • de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 29 december 2025 tot de dag van algehele voldoening;
  • de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.
Verklaart de vordering van voor het overige niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van
[slachtoffer 2]aan de Staat te betalen een bedrag van
1.000,00(zegge: duizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 december 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 10 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.
Ten aanzien van het onder 4 bewezenverklaarde
Wijst de vordering van de benadeelde partij
[slachtoffer 5] ,zoals ingediend door [naam] , h.o.d.n. [organisatie] , in hoedanigheid van bewindvoerder
,toe en veroordeelt verdachte om aan [slachtoffer 5] te betalen:
  • het bedrag van
  • de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 9 februari 2026 tot de dag van algehele voldoening;
  • de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.
Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van
[slachtoffer 5]aan de Staat te betalen een bedrag van
248,78(zegge: tweehonderdachtenveertig euro en achtenzeventig
eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 februari 2026 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 2 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.
Beslag
Verklaart verbeurd het in beslag genomen voorwerp, te weten een vuurwapen (alarmpistool), merk: Target Sports Kinar (goednummer: PL0100-2025350746-1899102).
Dit vonnis is gewezen door mr. G. Eelsing, voorzitter, mr. L.M.B. Soppe en mr. E.P. van Sloten, rechters, bijgestaan door mr. M. Mans, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 21 juli 2026.
Mr. E.P. van Sloten is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.