ECLI:NL:RBNNE:2026:298

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
5 februari 2026
Publicatiedatum
5 februari 2026
Zaaknummer
18.052333.25
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 77a SrArt. 77g SrArt. 77m SrArt. 77n SrArt. 77x Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak aanranding en veroordeling voor seksuele exposing en doxing ex-vriendin

De rechtbank Noord-Nederland behandelde op 5 februari 2026 de zaak tegen verdachte, die werd beschuldigd van aanranding, seksuele exposing en doxing van zijn ex-vriendin. De rechtbank sprak verdachte vrij van het eerste feit, aanranding, omdat ondanks steunbewijs de overtuiging ontbrak dat verdachte de seksuele handelingen heeft afgedwongen.

De feiten van seksuele exposing en doxing werden wel bewezen verklaard. Verdachte had een schaars geklede foto van zijn ex-vriendin openbaar gemaakt en haar persoonsgegevens verspreid met het doel haar angst aan te jagen en ernstige overlast te veroorzaken. Deze handelingen werden gepleegd vanuit wraak en boosheid, en gedeeld in een grote Telegramgroep.

De rechtbank legde een taakstraf van 100 uur op, bestaande uit 50 uur leerstraf So Cool en 50 uur werkstraf, met een voorwaardelijke proeftijd van twee jaar en bijzondere voorwaarden zoals onderwijs en hulpverlening. Daarnaast werd verdachte veroordeeld tot een schadevergoeding van €750 aan het slachtoffer wegens immateriële schade.

De rechtbank nam het advies van de Raad voor de Kinderbescherming mee en hield rekening met de ernst van de feiten, de persoon van verdachte en de impact op het slachtoffer. De vrijspraak voor aanranding leidde tot een lagere straf dan geëist door het Openbaar Ministerie.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken van aanranding, maar veroordeeld tot taakstraf en schadevergoeding voor seksuele exposing en doxing.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht
Locatie Assen
parketnummer 18.052333.25
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 5 februari 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte
[verdachte ] ,
geboren op [geboortedatum] 2006 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 22 januari 2026. Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. M.A.E. Dekens, advocaat te Assen. Het Openbaar Ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. J. Westerhof.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1
hij op of omstreeks 15 januari 2024 te Emmen, althans in Nederland door (een) feitelijkhe(i)d(en), [slachtoffer] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, te weten het meermalen, althans eenmaal;
  • onverhoeds vastpakken van een hand van die [slachtoffer] en/of (vervolgens) brengen en/of leggen en/of duwen en/of houden van de hand van die [slachtoffer] op zijn, verdachtes ontblote penis en/of zijn, verdachtes penis laten aftrekken door die [slachtoffer] en/of
  • vastpakken van de nek en/of het hoofd van die [slachtoffer] en/of (vervolgens) brengen en/of duwen van dat hoofd naar zijn, verdachtes (ontblote) penis en/of
  • proberen zijn ontblote penis in de mond van die [slachtoffer] te brengen en/of te duwen En bestaande die feitelijkhe(i)d(en) hierin dat hij, verdachte
  • onverhoeds een hand van die [slachtoffer] heeft vastgepakt en/of (vervolgens) die hand van die [slachtoffer] op en/of naar zijn, verdachtes blote penis heeft gebracht en/of gelegd
  • die [slachtoffer] achterover (op een bank) heeft geduwd en/of gelegd
  • bovenop die [slachtoffer] is gaan zitten met zijn (ontblote) penis uit zijn (onder)broek;
2
hij op of omstreeks 13 februari 2024 te Emmen, althans in Nederland, meermalen althans eenmaal, van een persoon, [slachtoffer] , een afbeelding van seksuele aard, te weten een foto, waarop te zien is dat die [slachtoffer]
  • met de rug naar de camera staat
  • een rood topje met zwarte bandjes en een roze string aan heeft
  • met haar billen en/of bilspleet naar de camera staat
  • een rode afdruk op haar (rechter) bil(len) heeft
openbaar heeft gemaakt, terwijl hij, verdachte, wist dat die openbaarmaking voor die persoon nadelig kon zijn;
3
hij op of omstreeks 13 februari 2024 te Emmen, althans in Nederland, meermalen althans eenmaal een of meer persoonsgegevens van een ander/of een derde, te weten een foto en/of een telefoonnummer en/of Tiktok accountgegevens en/of Snapchat accountgegevens en/of de woonplaats van een ander, te weten [slachtoffer] heeft verspreid en/of anderszins ter beschikking heeft gesteld, met het oogmerk om die [slachtoffer]
  • vrees aan te (laten) jagen en/of
  • ernstige overlast aan te (laten) doen.
Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling voor de ten laste gelegde feiten gevorderd. Met betrekking tot het onder 1 ten laste gelegde heeft de officier van justitie het volgende aangevoerd.
De verklaring van aangeefster kan als betrouwbaar worden aangemerkt nu haar verklaring concreet en gedetailleerd is. Voorts wordt haar verklaring ondersteund door de verklaring van [getuige] (hierna: [getuige] ). Hij heeft verklaard dat aangeefster tegenover hem heeft aangegeven dat zij door verdachte is gedwongen tot de ten laste gelegde seksuele handelingen. Daar komt bij dat [getuige] heeft verklaard dat aangeefster toen emotioneel was en het hem was opgevallen dat aangeefster zich na die tijd veel vaker ging douchen. Deze gedragsverandering van aangeefster ondersteunt haar aangifte. Bovendien blijkt uit de verklaring van [getuige] dat verdachte tegenover hem heeft opgebiecht aangeefster te hebben gedwongen tot seksuele handelingen. Voorts biedt de verklaring van de moeder van verdachte ondersteuning voor de verklaring van aangeefster. Hoewel de moeder van verdachte heeft aangegeven dat de sfeer tussen verdachte en aangeefster relaxed was nadat zij samen uit de blokhut kwamen, heeft zij ook verklaard dat aangeefster geen glas water wilde aannemen en dat aangeefster naar huis wilde. Ook dit gedrag van aangeefster ondersteunt de verklaring van aangeefster dat zij vlak daarvoor door verdachte gedwongen is tot de tenlastegelegde seksuele handelingen. Bovendien moet het een en ander bezien worden in de context dat aangeefster op dat moment een relatie had met [getuige] en het derhalve niet waarschijnlijk is dat zij vrijwillig seksuele handelingen met verdachte verrichte. Gelet op al het voornoemde is er wettig en overtuigend bewijs dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1 ten laste gelegde.
De onder 2 en onder 3 tenlastegelegde feiten kunnen wettig en overtuigend bewezen worden gelet op de aangifte van [slachtoffer] en de bekennende verklaring van verdachte.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde. De raadsvrouw heeft daartoe aangevoerd dat de aangifte onvoldoende wordt ondersteund door andere bewijsmiddelen en derhalve feit 1 niet wettig en overtuigend bewezen kan worden. De verklaring van [getuige] kan niet als steunbewijs worden aangemerkt nu
zijn verklaring over het ten laste gelegde afkomstig is uit dezelfde bron, namelijk aangeefster.
Met betrekking tot de feiten 2 en 3 heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
Feit 1
De rechtbank acht het onder 1 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen. Verdachte zal daarom hiervan worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.
Inleiding
Verdachte en aangeefster hadden van augustus 2023 tot december 2023 een relatie. Tijdens die relatie heeft aangeefster op enig moment een ketting aan verdachte gegeven. Na de relatiebreuk wilde aangeefster die ketting graag terug. Toen aangeefster op 15 januari 2024 de ketting bij verdachte kwam ophalen, hebben ze samen nog enige tijd doorgebracht in de blokhut bij verdachte achter het huis. De verklaringen van verdachte en aangeefster over wat er toen in die blokhut tussen hen is gebeurd, lopen uiteen.
Aangeefster heeft verklaard dat verdachte eerst haar linkerhand en daarna haar rechterhand heeft vastgepakt om die vervolgens naar zijn ontblote penis te brengen. Aangeefster heeft verklaard dat zij haar handen toen terug heeft getrokken maar dat ze desondanks door verdachte gedwongen werd om hem af te trekken. Daarna zou verdachte haar op de bank hebben geduwd waarbij hij bovenop aangeefster is gaan zitten, met zijn knieën langs weerszijden van haar borst. Op dat moment heeft verdachte geprobeerd zijn penis in haar mond te doen waarbij hij tevens zijn hand achter haar nek hield en haar hoofd in de richting van zijn ontblote penis duwde, aldus aangeefster.
Tegenover deze verklaring van aangeefster staat de verklaring van verdachte. Verdachte heeft verklaard dat er inderdaad seksueel contact tussen hem en aangeefster is geweest in de blokhut, maar dat het seksueel contact geheel vrijwillig was en dat hij aangeefster daartoe niet gedwongen heeft. Verdachte heeft verklaard dat aangeefster hem vrijwillig heeft afgetrokken. Verdachte ontkent dat er sprake is geweest van pijpen.
Juridische kader bij zedenzaken
Bij de beoordeling van het bewijs in zedenzaken stelt de rechtbank voorop dat, zoals ook in onderhavige zaak, er vaak slechts twee personen aanwezig waren bij de ten laste gelegde seksuele handelingen: het vermeende slachtoffer en verdachte. Op grond van het bepaalde in artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering is de enkele verklaring van één getuige in beginsel onvoldoende om tot een bewezenverklaring te kunnen komen. Om tot een bewezenverklaring te kunnen komen dient aldus sprake te zijn van steunbewijs. Die ondersteuning hoeft niet te zien op alle onderdelen van de tenlastelegging.
Het gaat erom dat de verklaring op specifieke punten steun vindt in ander bewijsmateriaal, zodat die verklaring niet op zichzelf staat, maar als het ware is ingebed in een concrete context die bevestiging vindt in een andere bron. In zedenzaken kan een geringe mate aan steunbewijs in combinatie met de betrouwbare verklaring van het slachtoffer voldoende wettig bewijs opleveren.
Beoordeling van het bewijs
Hoewel de rechtbank ziet dat er in onderhavige zaak steunbewijs voorhanden is, heeft de rechtbank niet de overtuiging bekomen dat verdachte aangeefster heeft gedwongen tot de tenlastegelegde seksuele handelingen. De rechtbank is allereerst van oordeel dat er, gelet op de onderlinge verhoudingen tussen aangeefster en getuige [getuige] enerzijds en verdachte anderzijds, zowel bij de betrouwbaarheid van de verklaring van aangeefster alsmede de betrouwbaarheid van de verklaring van [getuige] kanttekeningen te plaatsen zijn. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.
De relatie tussen aangeefster en verdachte is in december 2023 geëindigd doordat aangeefster vreemdging met [getuige] , waarna hij de nieuwe partner van aangeefster werd. Het feit dat aangeefster vreemd was gegaan met [getuige] maakte de onderlinge verhoudingen tussen met name verdachte en [getuige] gespannen. Nadat aangeefster bij verdachte was geweest om de ketting op te halen op 15 januari 2024, heeft aangeefster [getuige] niet uit eigen beweging verteld over het seksuele contact tussen haar en verdachte. Hiervan raakte [getuige] op de hoogte doordat verdachte hem daarover een Whatsappbericht stuurde. [getuige] heeft vervolgens aangeefster geconfronteerd met deze informatie, waarop aangeefster hem vertelde dat zij niet vrijwillig seks had gehad met verdachte, maar door hem hiertoe was gedwongen. [getuige] heeft vervolgens aangeefster gedwongen tot het doen van aangifte. Zo heeft [getuige] verklaard: Ze moest per direct naar de politie bellen van mij, anders was ik weggegaan bij haar. Daarna heeft aangeefster op 10 februari 2024 contact opgenomen met de politie.
Gelet op voornoemde feiten en omstandigheden kan de rechtbank niet uitsluiten dat de totstandkoming van de aangifte is ingegeven of beïnvloed door de druk die op aangeefster is uitgeoefend door [getuige] en de angst om de relatie met hem te verliezen als ze geen aangifte zou doen.
Hoewel [getuige] heeft verklaard dat aangeefster emotioneel werd op het moment dat zij vertelde over het seksuele contact, is dit niet geweest kort nadat de feiten zich zouden hebben voltrokken zodat reeds op die grond niet kan worden gesproken van steunbewijs.
Ook de verklaring van [getuige] dat aangeefster zich na het ophalen van de ketting anders gedroeg, acht de rechtbank onvoldoende betrouwbaar. Dit betreft een constatering achteraf, waarbij de rechtbank in aanmerking neemt dat [getuige] hierover pas heeft verklaard op 19 november 2024.
Tot slot kan de verklaring van [getuige] dat verdachte bij hem heeft opgebiecht dat hij aangeefster heeft verplicht tot het verrichten van een handjob (aftrekken) en een blowjob (pijpen) evenmin betrouwbaar worden geacht. [getuige] heeft namelijk verklaard dat verdachte bij een treffen op het station alles heeft opgebiecht, maar zegt daarover ook
eerder kon hij niet weg van mij. Anders zou ik het gooien op een burgerarrest voor verkrachting.. Voor zover al van deze verklaring van [getuige] kan worden uitgegaan, volgt daar in ieder geval uit dat [getuige] in een setting waarin hij verdachte wilde confronteren ook feitelijk druk heeft uitgeoefend om te verklaren zoals hij wilde, anders zou er immers een burgerarrest volgen.
Naast voornoemde kanttekeningen bij de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster en [getuige] , ziet de rechtbank in het dossier ook contra-indicaties voor de verklaring van aangeefster dat zij gedwongen is tot de seksuele handelingen. Zo hebben zowel aangeefster als verdachte verklaard dat zij nadat zij in de blokhut hadden gezeten, samen nog een sigaret hebben gerookt. Ook de moeder van verdachte heeft verklaard dat de sfeer tussen verdachte en aangeefster relaxed was nadat zij samen in de blokhut waren geweest. Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het enkele feit dat aangeefster het door de moeder van verdachte aangeboden glas water heeft afgewezen en aangaf naar huis te willen, van onvoldoende gewicht is om de verklaring van aangeefster te ondersteunen.
Daar komt tot slot nog bij dat de verklaring van verdachte op de rechtbank authentiek en oprecht overkomt. Verdachte ontkent stellig en consequent dat hij aangeefster heeft gedwongen tot seksuele handelingen. Tevens verklaart verdachte veelal open en heeft hij ook over voor hem mogelijk belastende zaken verklaard waar niet specifiek naar is gevraagd. Hij heeft vrijwel meteen verklaard dat aangeefster hem heeft afgetrokken in de blokhut. Dat verdachte wisselend heeft verklaard over of hij de handen van aangeefster heeft gepakt of dat zij uit eigen beweging haar hand op zijn ontblote penis heeft gelegd, doet daar niet aan af. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat verdachte pas ruim negen maanden na de aangiftedatum door de politie is verhoord en dat tijdsverloop derhalve mogelijk een rol heeft gespeeld bij de herinnering van verdachte.
Gelet op alle voornoemde feiten en omstandigheden in onderling verband en in samenhang bezien, is de rechtbank er niet van overtuigd geraakt dat verdachte aangeefster heeft gedwongen tot de tenlastegelegde seksuele handelingen. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van het onder 1 ten laste gelegde.
Feit 2 en feit 3
De rechtbank volstaat ten aanzien van het hierna onder 2 en onder 3 bewezen verklaarde met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu verdachte het hierna bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend.
Ieder bewijsmiddel is -ook in onderdelen- slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
De opgave luidt als volgt:
de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 22 januari 2026;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal aangifte d.d. 8 april 2024, opgenomen op pagina 12 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer
PL0100-2024036897 d.d. 5 februari 2025, inhoudende de verklaring van [slachtoffer] ;
3. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 20 januari 2025, opgenomen op pagina 42 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend het relaas van verbalisant [verbalisant] .

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 2 en 3 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
2
hij op 13 februari 2024 te Emmen, van een persoon, [slachtoffer] , een afbeelding van seksuele aard, te weten een foto, waarop te zien is dat die [slachtoffer]
  • met de rug naar de camera staat
  • een rood topje met zwarte bandjes en een roze string aan heeft
  • met haar billen en bilspleet naar de camera staat
  • een rode afdruk op haar (rechter) bil heeft
openbaar heeft gemaakt, terwijl hij, verdachte, wist dat die openbaarmaking voor die persoon nadelig kon zijn;
3
hij op 13 februari 2024 te Emmen, persoonsgegevens van een ander, te weten een foto en een telefoonnummer en Tiktok accountgegevens en Snapchat accountgegevens en de woonplaats van een ander, te weten [slachtoffer] heeft verspreid, met het oogmerk om die [slachtoffer]
  • vrees aan te (laten) jagen en
  • ernstige overlast aan te (laten) doen.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde levert op:
2. openbaar maken van een afbeelding van seksuele aard van een persoon, terwijl hij weet dat die openbaarmaking nadelig voor die persoon kan zijn (seksuele exposing);
3. het verspreiden van persoonsgegevens van een ander of een derde met het oogmerk om die ander vrees aan te jagen en ernstige overlast aan te doen (doxing).
Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de ten laste gelegde feiten wordt veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 100 uren, waarvan 50 uren bestaande uit de leerstraf So Cool zoals door de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) geadviseerd, en 50 uren bestaande uit een werkstraf. Gelet op de aard en de ernst van de feiten is daarnaast een voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 4 weken, met een proeftijd van 2 jaren, passend en geboden. Aan het voorwaardelijke strafdeel dienen de bijzondere voorwaarden verbonden te worden zoals door de Raad geadviseerd, te weten het volgen van onderwijs of dagbesteding, het meewerken aan noodzakelijk geachte hulpverlening en behandeling en het inzicht geven in middelengebruik.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft gepleit voor oplegging van de leerstraf So Cool voor de duur van 50 uren in combinatie met een voorwaardelijke taakstraf en oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals door de Raad geadviseerd.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming d.d. 25 november 2025, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsvrouw.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het openbaar maken van een foto van zijn ex-vriendin waarop zij zeer schaars gekleed te zien was (seksuele exposing). Daarnaast heeft hij haar persoonsgegevens verspreid met de bedoeling om haar vrees aan te jagen en ernstige overlast aan te doen (doxing).
Verdachte heeft beide feiten gepleegd vanuit wraakgevoelens en boosheid. De foto en gegevens van het slachtoffer zijn gedeeld in een Telegramgroep met duizenden leden.
Verdachte heeft met zijn handelen niet alleen het vertrouwen van het slachtoffer op grove wijze beschaamd, maar hij heeft ook haar eer en goede naam geschaad. Voorts getuigt het handelen van verdachte van een gebrek aan respect voor zijn toenmalige vriendin en haar privacy. Bovendien is het een feit van algemene bekendheid dat het delen van gegevens in een online omgeving het risico met zich brengt dat die informatie lange tijd beschikbaar blijft of zelfs nooit wordt verwijderd. Door het handelen van verdachte had het slachtoffer geen controle over het beeldmateriaal en de informatie die over haar werd gedeeld. Uit wat het slachtoffer ter terechtzitting heeft verklaard, is ook gebleken dat het handelen van verdachte grote impact op haar leven heeft en dat zij nog veel last ervaart van wat verdachte haar heeft aangedaan. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij heeft gehandeld met de bedoeling haar te schaden en niet heeft nagedacht over de gevolgen van zijn handelen voor het slachtoffer.
Persoon van verdachte
Uit het rapport van de Raad d.d. 25 november 2025 blijkt dat er in 2012 diagnostiek is verricht door GGZ Drenthe. Deze diagnostiek is echter verouderd en er is nu geen actueel beeld geschetst. Het Algemeen Recidiverisico (ARR) is vastgesteld op laag en het Dynamisch Risicoprofiel (DRP) komt uit op midden. Dat betekent dat de kans op herhaling van delictgedrag (op basis van veranderbare factoren) door de Raad als midden wordt geschat. Uit het onderzoek van de Raad komen verschillende beschermende factoren naar voren. Zo is er sprake van een hecht gezin, waarbij de onderlinge verhoudingen goed zijn. Verdachte heeft voornamelijk pro-sociale contacten en is niet eerder in aanraking gekomen met politie en justitie. Naast de beschermende factoren komen er ook risicofactoren naar voren in het onderzoek. Verdachte heeft geen diploma behaald op het voorgezet onderwijs en heeft de afgelopen drie jaren geen onderwijs gevolgd.
Daarnaast heeft verdachte geen werk en geen adequate dagbesteding. Verdachte vult zijn dagen door naar kermissen in het land te gaan. Ook is gebleken dat verdachte tot juni 2025 veelvuldig drugs heeft gebruikt. Volgens verdachte was er geen sprake van een verslaving en is hij zelfstandig gestopt met het gebruiken van drugs. De Raad acht het van belang dat verdachte afstand blijft nemen van het gebruik van drugs en hierin hulp accepteert op het moment dat dit nodig is. Er komen ook risicofactoren naar voren die zich richten op de geestelijke gezondheid van verdachte.
De Raad ziet een leerstraf So-Cool (verlengd) als meest passende reactie op het delictgedrag van verdachte. Uit het onderzoek komt naar voren dat er op meerdere levensgebieden sprake is van vaardigheidstekorten. De Raad heeft een werkstraf overwogen, maar is van mening dat een werkstraf op verdachte minder pedagogisch effect zal hebben dan een leerstraf. De Raad is van mening dat toezicht en begeleiding van meerwaarde zijn om verdachte te kunnen ondersteunen en stimuleren om passend werk of dagbesteding te vinden. De jeugdreclassering kan zich daarnaast richten op het inzetten van hulpverlening en/of behandeling indien dit nodig wordt geacht, mocht de leerstraf daar aanknopingspunten voor geven.
Gelet op al het voornoemde adviseert de Raad om aan verdachte een taakstraf op te leggen in de vorm van een leerstraf So-Cool (verlengd) (van 50 uren) en een voorwaardelijke jeugddetentie met als bijzondere voorwaarden dat verdachte onderwijs of dagbesteding volgt, meewerkt aan de nodig geachte hulpverlening en behandeling, inzicht geeft in zijn middelengebruik en meewerkt aan urinecontroles wanneer de jeugdreclassering dit nodig acht.
Op te leggen straf
Gelet op de persoon van verdachte zoals naar voren gekomen tijdens het onderzoek ter terechtzitting en het advies van de Raad, ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte een taakstraf op te leggen voor de duur van 100 uren. Deze taakstraf bestaat uit de (onvoorwaardelijk) leerstraf So Cool (verlengd) voor de duur van 50 uren en een voorwaardelijke werkstraf voor de duur van 50 uren. Middels de leerstraf wordt verdachte in staat gesteld om aan de nu nog ontbrekende maar noodzakelijk geachte vaardigheden te werken. Daarnaast zal de rechtbank, gelet op de aard en ernst van de feiten, een forse voorwaardelijke taakstraf aan verdachte opleggen voor de duur van 50 uren. Deze voorwaardelijke straf fungeert als stok achter de deur om verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.
Gelet op de door de Raad geschetste risicofactoren verbindt de rechtbank aan de voorwaardelijke taakstraf de bijzondere voorwaarden zoals door de Raad geadviseerd, namelijk het volgen van onderwijs of dagbesteding, het meewerken aan noodzakelijk geachte hulpverlening en behandeling alsmede het geven van inzicht in middelengebruik.
Gelet op het feit dat de rechtbank verdachte vrijspreekt van het onder 1 ten laste gelegde, komt de rechtbank tot een lagere straf dan door de officier van justitie geëist en zal de rechtbank geen (voorwaardelijke) jeugddetentie aan verdachte opleggen.
Redelijke termijn
Hoewel de aangifte dateert van 8 april 2024, is verdachte pas op 7 januari 2025 verhoord. Het verhoren van verdachte is de eerste handeling van uit de Nederlandse Staat jegens verdachte op basis waarvan deze in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie een strafvervolging zou worden ingesteld. Gelet op het voornoemde is er in onderhavige zaak geen sprake van overschrijding van de redelijke termijn van 16 maanden als bedoeld in artikel 6 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. De rechtbank past derhalve geen strafvermindering toe.
Alles afwegende acht de rechtbank oplegging van de leerstraf So Cool voor de duur van 50 uren in combinatie met een voorwaardelijke werkstraf voor de duur van 50 uren, passend en geboden. Aan het voorwaardelijke strafdeel zal de rechtbank de voorwaarden verbinden zoals door de Raad geadviseerd.

Benadeelde partij

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van 1.500,- ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij voor toewijzing in aanmerking komt, nu de vordering voldoende onderbouwd is.
Standpunt van de verdediging
Gelet op de bepleite vrijspraak voor het onder 1 ten laste gelegde heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij gematigd dient te worden tot een bedrag van 250,00.
Oordeel van de rechtbank
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 2 en 3 bewezen verklaarde
.De benadeelde partij is immers door het handelen van de verdachte in haar eer en/of goede naam aangetast.
Nu de rechtbank verdachte vrijspreekt voor het onder 1 ten laste gelegde, ziet de rechtbank aanleiding om het gevorderde bedrag aan immateriële schade te matigen en de omvang van de immateriële schade naar billijkheid vast te stellen. Daarbij houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de feiten, de gevolgen daarvan voor de benadeelde partij alsmede de vergoedingen die in soortgelijke gevallen door rechters zijn toegekend. Gelet op al het voornoemde is de rechtbank van oordeel dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen tot een bedrag van 750,00 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 februari 2024. Wat méér is gevorderd gaat de grenzen van de billijkheid te buiten, zodat de vordering in zoverre wordt afgewezen.
Nu vaststaat dat verdachte tot het hiervoor genoemde bedrag aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 77a, 77g, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 139h (oud) en 285d van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 1 is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 2 en 3 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:

een taakstraf voor de duur van 100 uren, bestaande uit:

een leerstraf voor de duur van 50 uur, bestaande uit het volgen van het leerproject So Cool Verlengd.
Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de leerstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie voor de duur van 25 dagen zal worden toegepast.

Een werkstraf voor de duur van 50 uren.

Bepaalt dat deze werkstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op twee jaren, schuldig heeft gemaakt aan de hierna te noemen algemene of bijzondere voorwaarden.
Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
Stelt als bijzondere voorwaarden:
  • dat de veroordeelde onderwijs of dagbesteding volgt;
  • dat de veroordeelde meewerkt aan hulpverlening en/of behandeling indien dit door de jeugdreclassering
nodig wordt geacht;
- dat de veroordeelde inzicht geeft in zijn middelengebruik en meewerkt aan urinecontroles wanneer de
jeugdreclassering dit nodig acht.
Geeft aan [instelling] , een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert, opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking zal verlenen aan het jeugdreclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de jeugdreclassering zo vaak en zolang als de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.
Beveelt voorts dat, indien het mocht komen tot de tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk opgelegde deel van de werkstraf, vervangende jeugddetentie voor de duur van 25 dagen zal worden toegepast, indien de veroordeelde dat deel van de werkstraf niet naar behoren verricht.
Ten aanzien van feit 2 en feit 3
Wijst de vordering van de benadeelde partij tot het hierna te noemen bedrag toe en veroordeelt verdachte om aan [slachtoffer] te betalen:
  • het bedrag van 750,00 (zegge: zevenhonderdvijftig euro);
  • de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 13 februari 2024 tot de dag van algehele voldoening;
  • de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.
Wijst de vordering van [slachtoffer] voor het overige af.
Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat te betalen een bedrag van 750,00 (zegge: zevenhonderdvijftig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 februari 2024 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van
0 dagenkan worden toegepast.
Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.R. Eising, voorzitter, tevens kinderrechter, mr. R. Baluah en mr. A. van den Oever, rechters, bijgestaan door mr. A. Kamphuis, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 5 februari 2026.
Mr. H.R. Eising is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.