ECLI:NL:RBNNE:2026:3019

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
23 juli 2026
Publicatiedatum
22 juli 2026
Zaaknummer
18/283959-24
Type
Uitspraak
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs brandstichting woning te Hoogezand

Op 13 juni 2024 ontstond brand in de woning van verdachte te Hoogezand. Verdachte werd ervan verdacht opzettelijk brand te hebben gesticht door open vuur in aanraking te brengen met beddengoed, waardoor gevaar voor goederen en personen ontstond. De officier van justitie vorderde een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, gebaseerd op getuigenverklaringen, WhatsApp-berichten en inconsistenties in de verklaringen van verdachte.

De verdediging betoogde dat verdachte vrijgesproken moest worden wegens onvoldoende bewijs. De rechtbank concludeerde dat hoewel een technische oorzaak van de brand werd uitgesloten, de exacte ontstekingsbron niet kon worden vastgesteld. Er waren twee personen aanwezig in de woning ten tijde van de brand: verdachte en een andere persoon.

De verklaringen en het bewijs boden geen zekerheid dat verdachte de brandstichter was. Verdachte verkeerde in verwarring en zijn uitlatingen werden als mogelijk niet betrouwbaar beoordeeld. Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van het ten laste gelegde. Tevens werd het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opgeheven.

Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs dat hij de brand heeft gesticht.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht
Locatie Groningen
parketnummer 18/283959-24
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 23 juli 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1980 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 9 juli 2026. Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. P.Th. van Jaarsveld, advocaat te Groningen. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. A.J. Kemkers.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 13 juni 2024 te Hoogezand, gemeente Midden-Groningen, (in een woning gelegen aan de [adres] ) opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met beddengoed, althans met een brandbare stof, ten gevolge waarvan brand is ontstaan ter hoogte van de kopzijde van het bed, terwijl daarvan
  • gemeen gevaar voor goederen, te weten de inboedel van die woning, in elk geval gemeen gevaar voor een of meer goederen in die woning en/of (goederen in) de omringende (portiek)woningen, en/of
  • levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor (een) ander(en), te weten een persoon die aanwezig was in de betreffende woning en/of de bewoners van de omringende (portiek)woningen te duchten was.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het ten laste gelegde tot een gevangenisstraf van 24 maanden met aftrek waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Zij heeft daartoe het volgende aangevoerd.
Het brandonderzoek van de politie sluit een technische oorzaak voor de brand uit. Dit betekent dat de brand moet zijn aangestoken. Er zijn twee personen die de brand zouden kunnen hebben aangestoken, namelijk verdachte en [naam 1] , die die avond ook in de woning van verdachte verbleef. Er is geen reden om te twijfelen aan de verklaring van [naam 1] . Deze verklaring is consistent en komt in grote lijnen overeen met de andere verklaringen in het dossier. Dan blijft alleen het scenario over dat verdachte degene is die de brand heeft gepleegd. Voor dat scenario bevat het dossier steunbewijs. De buren van verdachte, [naam 2] en [naam 3] , hebben verdachte vlak voor het uitbreken van de brand bij zijn woning gezien. Verdachte heeft aanvankelijk verklaard dat hij alleen rond 02:00 s nachts bij de woning is geweest. Hier komt hij op terug in zijn verklaring bij de rechter-commissaris. Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat verdachte tegen hem zou hebben gezegd dat hij zijn woning in de brand wilde steken, hetgeen bevestigd wordt door screenshots van een WhatsAppgesprek tussen [getuige 1] en zijn bovenbuurvrouw, getuige [getuige 2] . Ook de broer van verdachte heeft aangegeven dat verdachte tegen hem zou hebben gezegd dat hij zijn huis in brand had gestoken. Verdachte heeft verklaard dat hij dit inderdaad gezegd heeft, maar dat het een geintje was. Echter, gelet op de verklaringen van de buren, [naam 1] en [getuige 1] , de WhatsAppberichten, het telefoongesprek tussen de broer van verdachte en [organisatie] en de wisselende en inconsistente verklaringen van verdachte kan het feit wel wettig en overtuigend bewezen worden.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde.
Oordeel van de rechtbank
Vrijspraak
De rechtbank acht het ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen, zodat verdachte hiervan zal worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende.
Op 13 juni 2024 omstreeks 05:20 uur kwam bij de politie een melding binnen van een brand aan de [adres] , de woning van verdachte. Op het moment van de melding was er één persoon aanwezig in de
woning, namelijk [naam 1] , een man die die nacht in de woning van verdachte verbleef. De politie heeft onderzoek naar de brand uitgevoerd en heeft geconcludeerd dat een technische oorzaak uitgesloten kan worden gezien het aangetroffen brandbeeld. De oorzaak moet daarom gezocht worden in opzettelijke brandstichting.
Na de brand heeft de politie verdachte naar zijn broer, [naam 4] , gebracht. Deze belde vervolgens op 13 juni 2024 om 10:16 uur met [organisatie] . Uit dit gesprek blijkt dat de broer van verdachte heeft verklaard dat hij verdachte uit zijn woning heeft gezet. Volgens zijn broer heeft verdachte een verstandelijke beperking en was hij in de war. Daarnaast zou verdachte hem verteld hebben dat verdachte zijn huis aan de [adres] die ochtend in brand had gestoken. Om die reden wilde hij niet het risico lopen dat verdachte ook zijn woning in de brand zou steken. Blijkens een proces-verbaal van bevindingen, een verslag van een gesprek dat de politie een dag later met de broer van verdachte heeft gevoerd, heeft die broer ontkend dat hij die uitspraak over de oorzaak van de brand heeft gedaan.
Getuige [getuige 1] , de overbuurman van verdachte, heeft verklaard dat verdachte in de nacht van 12 op 13 juni 2024 bij hem verbleef omdat hij bang zou zijn voor [naam 1] . Volgens [getuige 1] zou verdachte gezegd hebben dat hij zijn huis in de brand wilde steken.
Verdachte heeft ontkend dat hij zijn huis in brand heeft gestoken. Volgens verdachte is hij rond 05:00 uur s ochtends nog naar zijn woning gegaan. Hij voelde zich duizelig door een te lage bloedsuikerspiegel en moest insuline spuiten. Vervolgens is hij teruggegaan naar de woning van [getuige 1] en heeft daar een hypo gekregen. Hij is daarna in slaap gevallen en heeft niets meegekregen van de brand in zijn woning.
Om tot het wettig en overtuigend bewijs te komen dient de rechtbank vast te stellen dat verdachte degene is geweest die opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met beddengoed, althans met een brandbare stof. Hoewel de politie in het brandonderzoek een technische oorzaak uitsluit, heeft zij niet de oorzaak van de brand en de ontstekingsbron kunnen vaststellen. De politie merkte daarbij op dat doorgaans sprake zal zijn van open vuur, bijvoorbeeld lucifers, een aansteker of een (kleine) gasbrander. Indien de rechtbank aanneemt dat dit voldoende is om tot een bewezenverklaring te komen van het stichten van brand door open vuur in aanraking te brengen met beddengoed, althans met een brandbare stof, dan is het de vraag of buiten redelijke twijfel vastgesteld kan worden dat verdachte degene is die dit feit heeft gepleegd. Op het moment dat de brand is ontstaan, waren er twee mensen in of rond de woning van verdachte, namelijk verdachte en [naam 1] . Hoewel de verklaringen van [getuige 1] en de broer van verdachte omtrent de uitlatingen van verdachte de nodige vragen oproepen over zijn directe betrokkenheid bij de brand, is de rechtbank van oordeel dat niet buiten redelijke twijfel vastgesteld kan worden dat verdachte degene is die de brand heeft gesticht. De rechtbank weegt daarin mee dat verdachte erg in de war was en dat het daarom ook de vraag is welke waarde er gehecht kan worden aan zijn uitlatingen op dat moment.
De rechtbank zal verdachte daarom vrij spreken van het ten laste gelegde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.
Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.L.J.M.A. Janssens, voorzitter, mr. L.W. Janssen en
mr. E.P. van Sloten, rechters, bijgestaan door mr. G. Langius, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 23 juli 2026.