ECLI:NL:RBNNE:2026:3064

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
22 mei 2026
Publicatiedatum
23 juli 2026
Zaaknummer
18-344614-25
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 63 SrArt. 77a SrArt. 77g SrArt. 77i Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling jeugdige verdachte voor straatroof en openlijke geweldpleging in Sneek

De rechtbank Noord-Nederland heeft op 22 mei 2026 uitspraak gedaan in een zaak tegen een jeugdige verdachte geboren in 2011, die werd verdacht van straatroof en meerdere gevallen van openlijke geweldpleging in Sneek.

De feiten betreffen een straatroof op 16 december 2025 waarbij de verdachte samen met een medeverdachte sigaretten en andere goederen van het slachtoffer heeft weggenomen onder gebruik van geweld. Daarnaast zijn er twee incidenten van openlijke geweldpleging op 27 november 2025 en 17 juni 2025 waarbij de verdachte samen met anderen slachtoffers heeft mishandeld en hun eigendommen heeft beschadigd.

De rechtbank achtte de verdachte wettig en overtuigend schuldig aan de ten laste gelegde feiten, waarbij het bewijs bestond uit verklaringen van slachtoffers, getuigen, medeverdachten en het dossier. De verdachte werd veroordeeld tot een jeugddetentie van 5 dagen, een werkstraf van 120 uur waarvan 60 uur voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden en een proeftijd van twee jaar.

De rechtbank wees ook schadevergoedingen toe aan de benadeelde partijen, waarbij de vordering van het slachtoffer van de straatroof niet-ontvankelijk werd verklaard wegens onvoldoende onderbouwing. De overige schadevergoedingen werden toegewezen en hoofdelijk aan verdachte en zijn ouder opgelegd.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 5 dagen jeugddetentie en 120 uur werkstraf, deels voorwaardelijk, voor straatroof en openlijke geweldpleging.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht
Locatie Leeuwarden
parketnummer 18-344614-25
ter terechtzitting gevoegd parketnummers 18-051507-26; 18-072395-26.
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 22 mei 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 2011 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 8 mei 2026. Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. P. Bonthuis, advocaat te Haskerdijken.
Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. J.G.F. van Boven.

Tenlastelegging

Aan verdachte is in de zaak met parketnummer 18-344614-25 ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 16 december 2025 te Sneek, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft/hebben weggenomen een pakje sigaretten en/of een zakje wiet en/of een telefoon, in elk geval enige goed(eren),toebehorende aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan door en/of vergezeld van en/of gevolgd door geweld en/of bedreiging met geweld tegen
[slachtoffer 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit dat hij verdachte en/of zijn mededader(s)
  • [slachtoffer 1] heeft/hebben tegengehouden door voor de fiets van [slachtoffer 1] te gaan staan, waardoor [slachtoffer 1] zijn weg niet kon vervolgen; en/of
  • [slachtoffer 1] één of meerdere keren (met de vuist) te slaan en/of te stompen op/tegen het hoofd, althans het lichaam; en/of
  • [slachtoffer 1] één of meerdere keren naar de grond heeft/hebben geprobeerd te brengen door [slachtoffer 1] te tackelen; en/of
  • [slachtoffer 1] één of meerdere keren tegen het lichaam te duwen waardoor hij ten val is gekomen; en/of
  • [slachtoffer 1] één of meerdere keren te slaan en/of te stompen (met gebalde vuist) tegen het (achter) hoofd en/of rechterslaap en/of oor, althans het bovenlichaam, toen [slachtoffer 1] op de grond lag;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 16 december 2025 te Sneek, althans in Nederland, openlijk, te weten op “het fietspad voor de brug op de Akkerwinde te Sneek “, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer 1] , door:
  • [slachtoffer 1] één of meerdere keren (met de vuist) te slaan en/of te stompen op/tegen het hoofd, althans het lichaam; en/of
  • [slachtoffer 1] één of meerdere keren tegen het lichaam te duwen waardoor hij ten val is gekomen; en/of
  • [slachtoffer 1] één of meerdere keren te slaan en/of te stompen (met gebalde vuist) tegen het (achter) hoofd en/of rechterslaap en/of oor, althans het bovenlichaam, toen [slachtoffer 1] op de grond lag;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 16 december 2025 te Sneek, althans in Nederland, [slachtoffer 1] heeft mishandeld door die Dijkman één of meerdere keren tegen het lichaam te duwen waardoor die Dijkman ten val is gekomen en/of door die [slachtoffer 1] bij de arm vast te pakken en/of vast te houden (toen die [slachtoffer 1] op de grond lag).
en in de zaak met parketnummer 18-051507-26 dat:
hij op of omstreeks 27 november 2025 te Sneek, gemeente Súdwest-Fryslân in of bij [adres] aldaar, in elk geval openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen
  • een persoon, te weten [slachtoffer 2] , welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit
  • [slachtoffer 2] naar het park laten komen en/of
  • ( bij) die [slachtoffer 2] (boos) verhaal halen en/of
  • [slachtoffer 2] meermalen, althans eenmaal, slaan en/of stompen in het gezicht en/of elders tegen het lichaam en/of schoppen tegen het lichaam en/of
  • [slachtoffer 2] in het gezicht / tegen het lichaam spugen en/of
  • [slachtoffer 2] dwingen om de knieën te gaan zitten en sorry te zeggen en/of
  • het filmen en/of aanmoedigen terwijl die [slachtoffer 2] wordt geslagen /geschopt en/of tegen
  • een of meer goederen, te weten een fiets, welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit schoppen tegen de fiets van die [slachtoffer 2] ;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 27 november 2025 te Sneek, gemeente Súdwest-Fryslân tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen [slachtoffer 2] heeft mishandeld door die [slachtoffer 2] meermalen, althans eenmaal, in het gezicht en/of elders tegen het lichaam te slaan / stompen en/of tegen het lichaam te schoppen.
en in de zaak met parketnummer 18-072395-26 dat:
hij op of omstreeks 17 juni 2025 te Sneek, gemeente Súdwest-Fryslân op aan [adres] aldaar, in elk geval openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen
  • een persoon, te weten [slachtoffer 3] , welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit
  • het meermalen slaan / stompen in het gezicht, althans tegen het hoofd van die [slachtoffer 3] en/of
  • een goed, te weten de bril van die [slachtoffer 3] , welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit het van het hoofd slaan van de bril van de [slachtoffer 3] ;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 17 juni 2025 te Sneek, gemeente Súdwest-Fryslân tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen [slachtoffer 3] heeft mishandeld door [slachtoffer 3] meermalen, in het
gezicht, althans tegen het hoofd, te slaan / stompen.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie
Ten aanzien van parketnummer 18-344614-25
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het primair ten laste gelegde feit. Daartoe heeft de officier van justitie aangevoerd dat gelet op de aangifte, de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 1] en de getuigenverklaring van [getuige 1] kan worden vastgesteld dat verdachte geweld heeft gepleegd nadat de medeverdachte de spullen van aangever heeft weggenomen. Verdachte heeft een bijdrage van voldoende gewicht geleverd aan het geweld jegens aangever, terwijl hij wist dat de medeverdachte goederen van aangever wegnam.
Ten aanzien van parketnummer 18-051507-26
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het primair ten laste gelegde feit. Verdachte heeft een bekennende verklaring afgelegd. Het geweld heeft plaatsgevonden in de openbare ruimte en er zijn door meerdere personen geweldshandelingen verricht.
Ten aanzien van parketnummer 18-072395-26
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het primair ten laste gelegde feit. Daartoe heeft de officier van justitie aangevoerd dat uit de aangifte en de verklaringen van medeverdachten [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] blijkt dat verdachte geweld heeft gepleegd jegens aangever. Het geweld heeft plaatsgevonden in de openbare ruimte en er zijn door meerdere personen geweldshandelingen verricht.
Standpunt van de verdediging
Ten aanzien van parketnummer 18-344614-25
De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat verdachte integraal dient te worden vrijgesproken. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte geen geweldshandelingen heeft verricht. Verdachte wilde enkel bemiddelen in de ruzie tussen de medeverdachte en aangever. Daarmee was verdachte enkel getalsmatig aanwezig, hetgeen onvoldoende is voor medeplegen. Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat verdachte geen opzet heeft gehad op de diefstal.
Ten aanzien van parketnummer 18-051507-26
De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Ten aanzien van parketnummer 18-072395-26
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte integraal dient te worden vrijgesproken. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat verdachte meer dan enkel getalsmatig aanwezig is geweest en dat hij geen aandeel heeft gehad in het geweld jegens aangever. Uit de verklaringen van aangever, verdachte en de onafhankelijke getuige [getuige 2] blijkt dat verdachte geen geweldshandelingen heeft verricht. De verklaringen van de medeverdachten zijn niet betrouwbaar, dan wel niet overtuigend genoeg om tot een ander oordeel te
kunnen komen.
Oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van parketnummer 18-344614-25Bewijsmiddelen
De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
1. De door verdachte op de terechtzitting van 8 mei 2026 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende:
Ik liep met [medeverdachte 1] toen wij [slachtoffer 1] zagen lopen. [medeverdachte 1] liep naar [slachtoffer 1] en ging voor zijn fiets staan. [medeverdachte 1] heeft iets uit de zakken van [slachtoffer 1] gepakt.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 16 december 2025, opgenomen op pagina 12 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2025339103 d.d. 27 december 2025, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 1] :
Op 16 december 2025 in Sneek zag ik [medeverdachte 1] en [verdachte] (
de rechtbank begrijpt: verdachte [verdachte] ). Ik zag dat [medeverdachte 1] voor mijn fiets ging staan en mij tegenhield. Ik hoorde dat hij zei: “Heb je iets voor mij, peuken? Geld?”. Nadat ik had gezegd dat ik [medeverdachte 1] niks zou geven zag ik dat hij een slaande beweging maakte met zijn linkerarm met een gebalde vuist, vervolgens voelde ik een harde klap ter hoogte van mijn rechterslaap en oor. Ik werd vastgepakt door [medeverdachte 1] bij mijn rechterarm. Ik voelde achter mijn rechterbeen dat [medeverdachte 1] mij probeerde te tackelen/onderuit te halen. Ik zag dat [verdachte] mij een duw gaf in de richting van [medeverdachte 1] . Hierna viel ik en kwam ik op de grond terecht. Vervolgens zag ik dat [verdachte] mij bij mijn rechterarm beetpakte en zag ik dat [medeverdachte 1] met zijn rechterarm met gebalde vuist op mijn hoofd begon te slaan ter hoogte van mijn achterhoofd, mijn rechterslaap en oor. Ik voelde dat ik meerdere keren werd geslagen dit zal ongeveer zes tot acht keer zijn geweest. Ik zag dat [medeverdachte 1] en [verdachte] wegrenden. Ik voelde in mijn jas en miste mijn sigaretten uit mijn zakken. Ik ben samen met mijn moeder naar de jongens toe gefietst. Ik hoorde dat mijn moeder tegen hen zei: “Teruggeven die spullen”. Ik zag dat [medeverdachte 1] mijn pakje sigaretten uit zijn jaszak haalde en deze aan mijn moeder gaf.
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 17 december 2025, opgenomen op pagina 22 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige 1] :
Ik zag dat er drie jongens op de grond met elkaar aan het stoeien waren. Ik zag dat de twee jongens [slachtoffer 1] , die op de grond lag, begonnen te slaan. Ik zag dat zij doelgericht met de vuisten op het gezicht van [slachtoffer 1] sloegen. Ik zag dat beide jongens sloegen.
4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 18 december 2025, opgenomen op pagina 71 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [medeverdachte 1] :
[verdachte] kwam er tussen en gaf toen ook een paar klappen tegen [slachtoffer 1] .
Bewijsoverweging
De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.
De rechtbank stelt op basis van bovengenoemde bewijsmiddelen het volgende vast. Op 16 december 2025 is aangever beroofd. De medeverdachte is voor de fiets van aangever gaan staan en heeft hem gesommeerd om zijn goederen af te staan. Verdachte was hierbij aanwezig. Nadat aangever weigerde zijn goederen af te staan, heeft de medeverdachte geweld toegepast en heeft hij sigaretten uit de jaszak van aangever gepakt. Op het moment dat de medeverdachte aangever vraagt om zijn goederen af te staan en vervolgens geweld begint te plegen, distantieert verdachte zich niet. Daarentegen geeft verdachte aangever een duw waardoor hij ten val komt. Door op deze wijze te handelen sluit verdachte zich aan bij het door de medeverdachte gepleegde geweld dat gericht was op het wegnemen van goederen bij aangever. De verklaring van verdachte dat hij met de duw de situatie tussen aangever en de medeverdachte probeerde te de-escaleren, wordt weerlegd door de aangifte, de verklaring van de medeverdachte en de verklaring van de onafhankelijke getuige [getuige 1] . Uit die verklaringen volgt dat verdachte actief deelnam aan het geweld. Bovendien gaan verdachte en zijn medeverdachte er gezamenlijk met de buit vandoor. Ook op dit moment heeft verdachte zich wederom niet gedistantieerd.
Op grond van het voorgaande is naar het oordeel van de rechtbank sprake geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachte die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering. De rechtbank is voorts van oordeel dat verdachte, door te handelen zoals hiervoor is vastgesteld, opzet heeft gehad op het wegnemen van de sigaretten. Daarmee acht de rechtbank het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen.
De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte in vereniging en met geweld wiet en een telefoon heeft weggenomen, en spreekt hem daarvan vrij.
Ten aanzien van parketnummer 18-051507-26
De rechtbank volstaat ten aanzien van het hierna primair bewezen verklaarde met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu verdachte het hierna bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend.
Deze opgave luidt als volgt:
de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 8 mei 2026;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal d.d. 27 november 2025, opgenomen op pagina 12 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2025321514 d.d. 19 januari 2026, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 2] ;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 29 november 2025, opgenomen op pagina 45 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant] .
Ten aanzien van parketnummer 18-072395-26Bewijsmiddelen
De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 17 juni 2025, opgenomen op pagina 13 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2026016265 d.d. 24 februari 2026, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 3] :
Plaats delict: Hemdijk te Sneek Pleegdatum: 17 juni 2025
[verdachte]
(de rechtbank begrijpt: verdachte [verdachte] )en [medeverdachte 1] kwamen op mij aflopen. Ik voelde een harde klap op mijn achterhoofd. Ik keek om en direct kreeg ik een klap op mijn rechteroog en direct daarna op mijn rechterkaak. Ik zag dat [medeverdachte 1] met zijn vuist sloeg. Ik zag dat [medeverdachte 1] zijn vuist nog een keer op mij af kwam. Ik voelde dat ik onder mijn linkeroog werd geraakt. Ik kwam er achter dat een glas uit mijn bril miste.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 5 januari 2026, opgenomen op pagina 30 van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant] :
Op 5 januari 2026 belde ik met aangever [getuige 3] , de moeder van slachtoffer [slachtoffer 3] . Het slachtoffer had in eerste instantie verklaard dat een van de daders [medeverdachte 1] of diens tweelingbroer was. Later zag [slachtoffer 3] de jongen die hem had geslagen weer terug en herkende hem voor 100% weer als degene die hem had geslagen. De naam van die jongen is [medeverdachte 1] . Het is mij ambtshalve bekend dat [medeverdachte 1] de bijnaam is van [medeverdachte 1] .
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 24 februari 2026, opgenomen op pagina 43 van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant] :
Ik hoorde dat aangever tegen mij zei dat [medeverdachte 1] hem de eerste klap gegeven had en dat [verdachte] hem de tweede klap gegeven had en dat hij daarna nog een keer door [medeverdachte 1] werd geslagen. Ik vroeg aangever hoe vaak hij geslagen was. Ik hoorde dat aangever tegen mij zei dat hij tweemaal door [medeverdachte 1] geslagen was en éénmaal door [verdachte] .
4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 6 februari 2026, opgenomen op pagina 53 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [medeverdachte 2] :
P: Wie heeft [slachtoffer 3] opgewacht en geslagen? V: [verdachte]
P: Hoe vaak heeft [verdachte] geslagen? V: Een keer, in zijn gezicht
P: En [medeverdachte 1] , hoe heeft [medeverdachte 1] [slachtoffer 3] geslagen? V: Meerdere keren met zijn vuist
P: Waar heeft [verdachte] [slachtoffer 3] geraakt? V: Op zijn bril volgens mij, die vloog af.
4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 6 februari 2026, opgenomen op pagina 62 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [medeverdachte 1] :
V: Toen kwam die conciërge ertussen en [verdachte] gaf hem een klap om die conciërge heen. P: Hoe heeft [verdachte] , [slachtoffer 3] geslagen?
V: Met zijn vuist.
Bewijsoverweging
Anders dan de raadsman heeft aangevoerd, is de rechtbank van oordeel dat de verklaringen van medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] betrouwbaar en geloofwaardig zijn. De verklaringen van de medeverdachten komen overeen met de verklaring van aangever. Bovendien heeft medeverdachte [medeverdachte 1] niet alleen belastend over verdachte verklaard, maar belast hij met zijn verklaring ook zichzelf. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om te twijfelen aan de betrouwbaarheid en de geloofwaardigheid van de verklaringen van medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] . Daar komt bij dat de medeverdachte [medeverdachte 1] een verklaring geeft waarom de conciërge, een onafhankelijke getuige, heeft verklaard dat verdachte niet geslagen heeft. Hij heeft dat niet kunnen waarnemen, omdat verdachte een klap gaf om de conciërge heen. De rechtbank zal de
verklaringen van de medeverdachten daarom voor het bewijs gebruiken.
De rechtbank stelt op grond van voornoemde bewijsmiddelen vast dat verdachte betrokken is geweest bij het incident. Hij heeft, op het moment dat hij door de conciërge werd tegengehouden, aangever een klap gegeven.
Voor een bewezenverklaring voor openlijke geweldpleging geldt dat sprake moet zijn van een eigen gedraging die een voldoende significante en wezenlijke bijdrage levert aan het als groep gepleegde geweld.
Op grond van het voorgaande staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat verdachte niet enkel de groep getalsmatig heeft versterkt, maar dat hij door te handelen zoals hiervoor is vastgesteld, opzet heeft gehad op de ten laste gelegde geweldshandelingen en daaraan een voldoende significante en wezenlijke bijdrage heeft geleverd. De rechtbank komt dan ook tot een bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit.
Bewezenverklaring
Ten aanzien van parketnummer 18-344617-25
De rechtbank acht het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
hij op 16 december 2025 te Sneek tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een pakje sigaretten, toebehorende aan [slachtoffer 1] , welke diefstal werd voorafgegaan door, vergezeld van en gevolgd door geweld tegen [slachtoffer 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld bestond uit dat hij en zijn mededader
  • [slachtoffer 1] heeft tegengehouden door voor de fiets van [slachtoffer 1] te gaan staan, waardoor [slachtoffer 1] zijn weg niet kon vervolgen en
  • [slachtoffer 1] meerdere keren met de vuist te slaan tegen het hoofd en
  • [slachtoffer 1] naar de grond heeft geprobeerd te brengen door [slachtoffer 1] te tackelen en
  • [slachtoffer 1] tegen het lichaam te duwen waardoor hij ten val is gekomen en
  • [slachtoffer 1] meerdere keren te slaan met gebalde vuist tegen het achterhoofd, de rechterslaap en het oor, toen [slachtoffer 1] op de grond lag.
Ten aanzien van parketnummer 18-051507-26
De rechtbank acht het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
hij op 27 november 2025 te Sneek in [adres], in vereniging geweld heeft gepleegd tegen
  • een persoon, te weten [slachtoffer 2] , welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit
  • [slachtoffer 2] naar het park laten komen en
  • bij die [slachtoffer 2] (boos) verhaal halen en
  • [slachtoffer 2] meermalen slaan in het gezicht en tegen het lichaam en schoppen tegen het lichaam en
  • [slachtoffer 2] in het gezicht spugen en
  • [slachtoffer 2] dwingen om op de knieën te gaan zitten en sorry te zeggen en
  • het filmen en aanmoedigen terwijl die [slachtoffer 2] wordt geslagen/geschopt en
  • een goed, te weten een fiets, welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit schoppen tegen de fiets van die [slachtoffer 2] .
Ten aanzien van parketnummer 18-072395-26
De rechtbank acht het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
hij op 17 juni 2025 te Sneek aan [adres] aldaar, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen
- een persoon, te weten [slachtoffer 3] , welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit het meermalen slaan tegen het hoofd van die [slachtoffer 3]
en
- een goed, te weten de bril van die [slachtoffer 3] , welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit het van het hoofd slaan van de bril van die [slachtoffer 3] .
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Ten aanzien van parketnummer 18-344617-25
Het primair bewezen verklaarde levert op:
diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld tegen personen met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren.
Ten aanzien van parketnummer 18-051507-26
Het primair bewezen verklaarde levert op:
openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen en goederen.
Ten aanzien van parketnummer 18-072395-26
Het primair bewezen verklaarde levert op:
openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen en goederen.
Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van alle ten laste gelegde feiten wordt veroordeeld tot een jeugddetentie gelijk aan de duur van het voorarrest en een deels voorwaardelijke werkstraf van 120 uren waarvan 60 uren voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de eis van de officier van justitie gematigd dient te worden, gelet op de door hem bepleite vrijspraak van het ten laste gelegde onder parketnummer 18-344614-25 en parketnummer 18-072395-26. Daarnaast heeft de raadsman betoogd dat een nu nog op te leggen onvoorwaardelijke jeugddetentie de ingezette positieve ontwikkeling van verdachte negatief zou doorkruisen.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportages, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich op 16 december 2025 schuldig gemaakt aan een straatroof. Verdachte en zijn medeverdachte kwamen het slachtoffer tegen op straat, waarna de medeverdachte voor de fiets van het slachtoffer is gaan staan en hem gesommeerd heeft om zijn goederen af te staan. Toen het slachtoffer weigerde zijn goederen af te geven, hebben verdachte en zijn medeverdachte het rookwaar met geweld van het slachtoffer weggenomen door hem te slaan en naar de grond te werken. Het onderhavige feit betreft een zeer ernstig feit, dat voor het slachtoffer ontzettend beangstigend moet zijn geweest. Met zijn handelen heeft verdachte dan ook een grove inbreuk op het veiligheidsgevoel en het eigendomsrecht van het slachtoffer gemaakt. De rechtbank neemt daarbij voorts in aanmerking dat de straatroof werd gepleegd op klaarlichte dag en op de openbare weg. Feiten als het onderhavige vergroten dan ook de gevoelens van onveiligheid in de samenleving. De rechtbank rekent dit verdachte aan.
Daarnaast heeft verdachte zich op 17 juni 2025 en op 27 november 2025 schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging. Beide keren heeft verdachte samen met anderen fysiek geweld gebruikt tegen de slachtoffers en hun eigendommen. Dat de geweldsfeiten voor de slachtoffers beangstigend moeten zijn geweest is zonder meer voorstelbaar, maar blijkt ook uit de onderbouwing van de vorderingen tot schadevergoeding die door de slachtoffers zijn ingediend. Daarbij komt dat dit soort feiten bijdragen aan de in de maatschappij heersende gevoelens van angst en onveiligheid, zeker omdat het geweld in het openbaar is gepleegd. De rechtbank neemt verdachte dit kwalijk.
Persoon van verdachte
Naast de ernst van de feiten houdt de rechtbank rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Verdachte heeft de bewezenverklaarde feiten gepleegd toen hij 13 en 14 jaar oud was. Uit de justitiële documentatie van 2 april 2026 blijkt dat verdachte voorafgaand aan de ten laste gelegde feiten niet eerder is veroordeeld. Daarentegen is verdachte op 20 januari 2026 door de kinderrechter veroordeeld tot een voorwaardelijke werkstraf van 20 uren met bijzondere voorwaarden voor een mishandeling.
De rechtbank heeft daarnaast gelet op het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) van 29 april 2026. De voorlopige hechtenis van verdachte is met ingang van 19 december 2025 onder voorwaarden geschorst. De schorsingsperiode verloopt positief. Verdachte werkt goed mee aan het toezicht, zijn schoolgang is verbeterd en hij zet zich in voor de hulpverlening. De Raad schat het risico op recidive in als gemiddeld. De Raad adviseert een deels voorwaardelijke werkstraf. Gelet op de reeds ingezette hulpverlening acht de Raad oplegging van bijzondere voorwaarden niet noodzakelijk. Bij vonnis van de kinderrechter van 20 januari 2026 zijn reeds bijzondere voorwaarden en toezicht aan verdachte opgelegd.
Op te leggen straf
Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot het volgende oordeel. De rechtbank zal verdachte een jeugddetentie opleggen gelijk aan de duur van het voorarrest, te weten 5 dagen. Daarnaast zal de rechtbank aan verdachte een deels voorwaardelijke werkstraf opleggen. Anders dan door de Raad is geadviseerd, acht de rechtbank oplegging van bijzondere voorwaarden noodzakelijk. De rechtbank acht het van belang dat verdachte zal blijven meewerken aan het toezicht en begeleiding van de jeugdreclassering en zal om die reden, en om hem te weerhouden van het plegen van nieuwe strafbare feiten, aan het voorwaardelijke strafdeel bijzondere voorwaarden verbinden. Zodat verdachte weet dat hij naast de hem eerder opgelegde werkstraf van 20 uur een hogere werkstraf riskeert wanneer hij zich niet aan de voorwaarden houdt. Voor de op te leggen bijzondere voorwaarden sluit de rechtbank aan bij het vonnis van de kinderrechter van 20 januari 2026 opgelegde voorwaarden. Die voorwaarden houden kort gezegd in een meldplicht bij de jeugdreclassering, het volgen van onderwijs en/of het hebben van dagbesteding, het meewerken aan hulpverlening en een middelenverbod.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een jeugddetentie voor de duur van 5 dagen, met aftrek van de dagen doorgebracht in voorarrest, passend en oplegging daarvan geboden is. Daarnaast zal de rechtbank aan verdachte een werkstraf voor de duur van 120 uren, waarvan 60 uren voorwaardelijk opleggen. De rechtbank zal aan het voorwaardelijk strafdeel de hiervoor genoemde bijzondere voorwaarden verbinden, waaraan verdachte zich gedurende een proeftijd van twee jaren moet houden.

Benadeelde partij

De volgende personen hebben zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding:
Ten aanzien van parketnummer 18-344614-25
[naam 1] en [naam 2] hebben zich namens hun zoon [slachtoffer 1] als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van 349,00 ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan.
Ten aanzien van parketnummer 18-051507-26
[naam 3] heeft zich als voogd van [slachtoffer 2] als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Zij worden vertegenwoordigd door een medewerker van Slachtofferhulp Nederland. Gevorderd wordt een bedrag van 900,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan. Ter terechtzitting is namens de benadeelde partij het gevorderde bedrag bijgesteld naar 800,00. Een medeverdachte heeft in het kader van een Halt-
interventie reeds 100,00 aan schadevergoeding aan de benadeelde partij betaald.
Ten aanzien van parketnummer
[getuige 3] heeft zich namens haar zoon [slachtoffer 3] als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van 80,00 ter vergoeding van materiële schade en 750,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan.
Standpunt van de officier van justitie
Ten aanzien van de vordering [slachtoffer 1]
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard dient te worden, wegens gebrek aan onderbouwing.
Ten aanzien van de vordering [slachtoffer 2]
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij voor hoofdelijke toewijzing in aanmerking komt, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Ten aanzien van de vordering [slachtoffer 3]
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij voor hoofdelijke toewijzing in aanmerking komt, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de verdediging
Ten aanzien van de vordering [slachtoffer 1]
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij, gelet op de door hem bepleite vrijspraak, niet-ontvankelijk verklaard dient te worden. Bovendien is de vordering onvoldoende onderbouwd.
Ten aanzien van de vordering [slachtoffer 2]
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering gematigd dient te worden tot 500,00, gelet op de rol van verdachte. De raadsman heeft daarnaast verzocht de vordering niet hoofdelijk toe te wijzen.
Ten aanzien van de vordering [slachtoffer 3]
De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij, gelet op de door hem bepleite vrijspraak, niet-ontvankelijk verklaard dient te worden. Subsidiair heeft de raadsman betoogd de vordering niet hoofdelijk toe te wijzen, nu het gelet op de positieve ontwikkeling van verdachte niet wenselijk is dat hij wederom in contact zal moeten treden met de medeverdachten. Daarnaast heeft de raadsman opgemerkt dat de vordering formeel niet is ingediend.
Oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van de vordering [slachtoffer 1]Materiële schade
De benadeelde partij heeft 349,00 aan materiële schade gevorderd. Gelet op de summiere onderbouwing van de vordering beschikt de rechtbank over onvoldoende informatie om vast te kunnen stellen dat de benadeelde partij schade heeft geleden die het rechtstreeks gevolg is van het primair bewezen verklaarde feit in de zaak met parketnummer 18-344614-25, en om de hoogte van de geleden schade te kunnen beoordelen. Schorsing van het onderzoek om de benadeelde partij (de hoogte van) de schade alsnog te laten aantonen, zal leiden tot een onevenredige belasting van het strafgeding en daartoe zal dan ook niet worden overgegaan. De rechtbank zal de vordering daarom niet-ontvankelijk verklaren. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Ten aanzien van de vordering [slachtoffer 2]Immateriële schade
De benadeelde partij heeft 800,00 aan immateriële schade gevorderd. Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij de gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het primair bewezen verklaarde feit in de zaak met parketnummer 18-051507-26. Aangezien de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, heeft zij op grond van artikel 6:106 sub b van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding. De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij pijn heeft gehad en letsel heeft opgelopen. Daarnaast is zij vernederd door en tegenover leeftijdsgenoten. Dit heeft veel impact op haar gehad, zowel fysiek als mentaal. Gelet op de onderbouwing van de vordering en gelet op bedragen die in vergelijkbare gevallen worden toegekend, acht de rechtbank het gevorderde bedrag van 800,00 billijk. De rechtbank zal de gevorderde immateriële schade dan ook geheel toewijzen.
Hoofdelijkheid
De rechtbank stelt vast dat verdachte het bewezenverklaarde samen met anderen heeft gepleegd en dat zij naar civielrechtelijke maatstaven hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade waarvan vergoeding wordt gevorderd. Anders dan door de raadsman is betoogd, wijkt de rechtbank niet af van het wettelijke uitgangspunt van hoofdelijke aansprakelijkheid van verdachte voor de toe te wijzen schade. De rechtbank overweegt dat, naast het eerder genoemde uitgangspunt van hoofdelijke aansprakelijkheid, artikel 6:166, tweede lid, BW aangeeft hoe de onderlinge verdeling van de schade tussen verdachten behoort plaats te vinden. Daarin staat dat alle aansprakelijke personen onderling voor gelijke delen in de schadevergoeding moeten bijdragen, tenzij op basis van de omstandigheden van het geval een andere verdeling billijk is. De rechtbank ziet, gelet op het in groepsverband gepleegde geweld, geen aanleiding om een andere verdeling van de schade tussen de verdachten vast te stellen. Ook wat de raadsman daarover heeft aangevoerd geeft daartoe geen aanleiding. De rechtbank zal dan ook bepalen dat verdachte samen met de medeverdachte(n) hoofdelijk aansprakelijk is voor de schade.
Bij de veroordeling tot betaling van de schadevergoeding zal ook worden bepaald dat wanneer de schadevergoeding door één of meer medeverdachte(n) is betaald, verdachte dit bedrag niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen, en andersom.
Schadevergoedingsmaatregel
Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel hoofdelijk opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden. Het aantal dagen dat
gijzeling kan worden toegepast bepaalt de rechtbank vanwege de toepassing van het jeugdstrafrecht op nul.
Veroordeling in kosten
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering hebben gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Wettelijke rente
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente over het toegewezen schadebedrag toewijzen vanaf de datum van het ontstaan van de schade. Ook ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel zal dit worden bepaald.
Ten aanzien van de vordering [slachtoffer 3]
De rechtbank is van oordeel dat voor zover er aan de vordering een formeel gebrek zou kleven, deze ter terechtzitting is hersteld. De benadeelde partij is ter terechtzitting verschenen. De vordering is ter terechtzitting ingediend en nader toegelicht. De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij in zoverre ontvankelijk is in de vordering.
Materiële schade
De benadeelde partij heeft 80,00 aan materiële schade gevorderd, bestaande uit kosten aan de bril
( 40,00) en reiskosten ( 40,00). Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het primair bewezen verklaarde feit in de zaak met parketnummer 18-072395-26. Bij het vaststellen van de hoogte van de schade, welke van de kant van verdachte niet is betwist, maakt de rechtbank gebruik van haar schattingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 6:97 van Pro het Burgerlijk Wetboek. De hoogte van de schade wordt geschat op 80,00. De rechtbank zal de vordering dan ook geheel toewijzen.
Immateriële schade
Daarnaast heeft de benadeelde partij 750,00 aan immateriële schade gevorderd. Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij de gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het primair bewezen verklaarde feit in de zaak met parketnummer 18-072395-26. Aangezien de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, heeft zij op grond van artikel 6:106 sub b van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding. De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij pijn heeft gehad en letsel heeft opgelopen. De impact van de openlijke geweldpleging op de benadeelde partij is aanzienlijk geweest. Gelet op de toelichting de vordering en gelet op bedragen die in vergelijkbare gevallen worden toegekend, acht de rechtbank het gevorderde bedrag van
800,00 billijk. De rechtbank zal de gevorderde immateriële schade dan ook geheel toewijzen.
Aansprakelijkheid ouder
Nu verdachte ten tijde van het bewezen verklaarde feit de leeftijd van veertien jaren nog niet had bereikt, wordt de vordering op grond van artikel 51g lid 4 van het Wetboek van Strafvordering geacht te zijn
gericht tegen zijn ouder, genaamd [naam 4] . De ouder is daarom aansprakelijk voor betaling van de hiervoor genoemde toegewezen bedragen.
De officier van justitie heeft oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd. Nu verdachte naar burgerlijk recht niet persoonlijk aansprakelijk gesteld kan worden voor de schade en er derhalve geen wettelijke grondslag voor is, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel niet opleggen.
Hoofdelijkheid
De rechtbank stelt vast dat verdachte het strafbare feit samen met anderen heeft gepleegd. Zoals hiervoor door de rechtbank is overwogen, is in beginsel de ouder van verdachte samen met de medeverdachte(n) naar civielrechtelijke maatstaven hoofdelijk aansprakelijk voor de geleden schade. De rechtbank ziet, gelet op het in groepsverband gepleegde geweld, geen aanleiding om een andere verdeling van de schade tussen de (ouder(s) van) verdachten vast te stellen. De rechtbank zal dan ook bepalen dat de ouder van verdachte samen met de medeverdachte(n) hoofdelijk aansprakelijk is voor de schade.
Veroordeling in de kosten
De rechtbank zal de ouder van verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering hebben gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Wettelijke rente
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente over het toegewezen schadebedrag toewijzen vanaf de datum van het ontstaan van de schade.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f, 63, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 141 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank
Verklaart het primair ten laste gelegde in de zaak met parketnummer 18-344614-25, het primair ten laste gelegde in de zaak met parketnummer 18-051507-26 en het primair ten laste gelegde in de zaak met parketnummer 18-072395-26 bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:

Een jeugddetentie voor de duur van 5 dagen.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht.
Een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 120 uren.
Bepaalt dat van deze werkstraf
een gedeelte, groot 60 uren, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op
2 jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de hierna te noemen voorwaarden niet heeft nageleefd.
Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd :
1. dat veroordeelde zich gedurende een door de gecertificeerde instelling te bepalen periode en op door de gecertificeerde instelling te bepalen tijdstippen zal melden, zo frequent en zo lang die instelling dat gedurende de proeftijd noodzakelijk acht en zijn medewerking verleent aan de daaruit voortvloeiende afspraken.
2. dat veroordeelde onderwijs/ dagbesteding volgt.
3. dat veroordeelde meewerkt aan eventuele hulpverlening die de jeugdreclassering noodzakelijk acht.
4. dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal onthouden van het gebruik van middelen en meewerkt aan controle op het gebruiken van middelen, indien de jeugdreclassering dat nodig acht.
Geeft aan Regiecentrum Bescherming en Veiligheid, Jeugdbescherming, een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert, opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde:
  • ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
  • medewerking zal verlenen aan het jeugdreclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de jeugdreclassering zo vaak en zolang als de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.
Beveelt dat voor het geval de veroordeelde het onvoorwaardelijk opgelegde deel van de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie voor de duur van 30 dagen zal worden toegepast.
Beveelt voorts dat, indien het mocht komen tot de tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk opgelegde deel van de werkstraf, vervangende jeugddetentie voor de duur van 30 dagen zal worden toegepast, indien de veroordeelde dat deel van de werkstraf niet naar behoren verricht.
Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Benadeelde partijen

Ten aanzien van parketnummer 18-344614-25, feit 1 primair
Verklaart de vordering van de benadeelde partij
[slachtoffer 1]niet-ontvankelijk. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Bepaalt dat [slachtoffer 1] zijn eigen proceskosten draagt.
Ten aanzien van parketnummer 18-051507-26, feit 1 primair
Wijst de vordering van de benadeelde partij
[slachtoffer 2]toe en veroordeelt verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, om aan [slachtoffer 2] te betalen:
  • het bedrag van
  • de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 27 november 2025 tot de dag van algehele voldoening;
  • de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.
Legt aan verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer 2] aan de Staat te betalen een bedrag van 800,00 (zegge: achthonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 november 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 0 dagen kan worden toegepast.
Bepaalt dat als verdachte of een mededader voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.
Ten aanzien van parketnummer 18-072395-26, feit 1 primair
Wijst de vordering van de benadeelde partij
[slachtoffer 3]toe ten laste van
[naam 4], de gezaghebbende ouder van verdachte, en veroordeelt haar hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt, [naam 4] in zoverre zal zijn bevrijd, om aan [slachtoffer 3] te betalen:
  • het bedrag van
  • de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 17 juni 2025 tot de dag van algehele voldoening;
  • de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. K. Bunk, voorzitter, tevens kinderrechter, mr. N.A. Vlietstra en mr. C.A.M. Veenbaas, rechters, bijgestaan door mr. R.D. Ensel, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 22 mei 2026.
Mr. C.A.M. Veenbaas is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.