ECLI:NL:RBNNE:2026:3069

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
23 juli 2026
Publicatiedatum
23 juli 2026
Zaaknummer
18-191554-26
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Raadkamer
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 67 SvArt. 67a SvArt. 67b SvArt. 67c SvArt. 67d Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging beschikking rechter-commissaris en bevel tot inbewaringstelling wegens onjuiste belangenafweging

De rechtbank Noord-Nederland heeft het hoger beroep tegen de beschikking van de rechter-commissaris gegrond verklaard en diens beslissing tot afwijzing van de inbewaringstelling vernietigd. De rechter-commissaris had een onjuiste belangenafweging gemaakt door het vormverzuim van een te late inverzekeringstelling te zwaar te laten wegen, terwijl verdachte tijdig voor de rechter was gebracht.

Verdachte werd op 14 juli 2026 aangehouden en te laat in verzekering gesteld, namelijk 4 uur en 32 minuten na het wettelijk maximum. Desondanks vond de voorgeleiding aan de rechter-commissaris tijdig plaats op 17 juli 2026. De rechtbank oordeelde dat dit vormverzuim onvoldoende aanleiding gaf voor onmiddellijke invrijheidstelling, mede gezien de ernst van het strafbare feit: invoer van 377,4 kilogram cocaïne.

De rechtbank baseerde het bevel tot bewaring op de twaalfjaarsgrond, de grote recidivegrond en de onderzoeksgrond. Verdachte heeft een strafrechtelijke voorgeschiedenis en het onderzoek is nog in volle gang, waarbij collusiegevaar bestaat. De rechtbank verleent een bewaringstermijn van veertien dagen en vernietigt de eerdere beschikking van de rechter-commissaris.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt de afwijzing van de inbewaringstelling en beveelt alsnog de voorlopige hechtenis van verdachte wegens invoer van 377 kilo cocaïne.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Strafrecht
Zittingsplaats Leeuwarden
parketnummer: 18-191554-26
beslissing op hoger beroep tegen beschikking van de rechter-commissaris van de raadkamer
d.d. 23 juli 2026
in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1985 te [geboorteplaats] , inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen: [adres] .
Raadsman mr. C.W. Flokstra.

Procedure

De rechter-commissaris heeft bij beschikking van 17 juli 2026 de vordering van de officier van justitie tot inbewaringstelling van de verdachte afgewezen. De officier van justitie bij akte van 17 juli 2026 hoger
beroep ingesteld tegen deze beschikking.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder de beschikking van de rechter-commissaris en de appèlmemorie van de officier van justitie.
De rechtbank heeft op 22 juli 2026 in raadkamer de officier van justitie en de raadsvrouw mr. A. Derks die waarneemt voor mr. C.W. Flokstra gehoord.

Beoordeling

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de rechter-commissaris een onjuiste belangenafweging heeft gemaakt. Het gaat in deze zaak om een verdenking van een ernstig strafbaar feit, namelijk het invoeren van 377 kilo cocaïne. Verdachte is tijdig voor de rechter-commissaris gebracht en heeft daardoor geen ernstig nadeel geleden. De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht om de beschikking van de rechter-commissaris te vernietigen en vooralsnog de bewaring te bevelen.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de rechter-commissaris een juiste belangenafweging heeft gemaakt. Het overschrijden van de termijn van het bevel tot ophouden voor onderzoek is een essentieel vormvoorschrift. Verdachte is door deze termijnoverschrijding zonder geldige titel van zijn vrijheid beroofd. Dit is een schending van een fundamenteel recht. De termijnen voor vrijheidsberoving dienen strikt te worden nageleefd. Aan het niet-naleven van deze termijnen moet het rechtsgevolg van onmiddellijke invrijheidstelling worden verbonden.
Het oordeel van de rechtbank
Het wettelijk kader
De Hoge Raad heeft overwogen dat gebreken van een aan de vordering tot inbewaringstelling voorafgaande inverzekeringstelling geen zelfstandige grond vormen tot afwijzing daarvan. Dit is anders als het tijdsverloop tussen de aanhouding en de beslissing op de vordering tot inbewaringstelling zodanig onredelijk lang is dat zulks afwijzing van die vordering rechtvaardigt.1
Uit de wetsgeschiedenis volgt dat de rechter-commissaris bij de belangenafweging of het niet naleven van vormvoorschriften leidt tot onrechtmatigheid van de inverzekeringstelling moet beoordelen aan de hand van de aard van het vormvoorschrift, het belang dat het vormvoorschrift tracht te beschermen, de mogelijkheid tot herstel, de schade die verdachte heeft geleden door het geschonden vormvoorschrift en tot slot de betrokken persoonlijke en maatschappelijke belangen.2
Het onderhavige vormverzuim
Uit het dossier volgt dat verdachte op 14 juli 2026 om 06:01 uur is aangehouden en dat de hulpofficier van justitie om 08:28 uur diezelfde dag het bevel tot ophouden voor onderzoek heeft afgegeven.
Vervolgens is verdachte op 14 juli 2026 om 22:32 uur in verzekering gesteld. Dit is te laat. Verdachte had volgens de wettelijke voorschriften uiterlijk op 14 juli 2026 om 18:00 uur in verzekering gesteld moeten worden. Verdachte is dus 4 uren en 32 minuten te laat in verzekering gesteld. Dit is een vormverzuim.
Tijdige voorgeleiding bij de rechter-commissaris
Verdachte moet volgens de wettelijke voorschriften binnen 3 dagen en 18 uur voor een rechter worden gebracht. Dit betekent dat de voorgeleiding uiterlijk op 18 juli 2026 om 00:01 uur had moeten aanvangen. Verdachte is op 17 juli 2026 om 14:00 uur voor de rechter-commissaris geleid. De rechtbank constateert dat verdachte, ondanks de te late inverzekeringstelling, tijdig voor een rechter is gebracht.
Het aan dit vormverzuim te verbinden rechtsgevolg
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of de rechter-commissaris bij de beslissing tot afwijzing van de inbewaringstelling een juiste belangenafweging heeft gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat dit niet het geval is en overweegt daartoe als volgt.
De rechter-commissaris heeft in zijn beoordeling betrokken dat het om een forse termijnoverschrijding gaat en dat een goede mogelijkheid tot herstel hiervoor ontbreekt. De rechter-commissaris heeft in zijn belangenafweging niet betrokken dat verdachte in dit geval op tijd voor een rechter is gebracht. Ook is tijdens het eerste politieverhoor aan verdachte en zijn advocaat van tevoren medegedeeld dat hij in verzekering zou worden gesteld en zou worden voorgeleid bij de rechter-commissaris.3 De rechter-commissaris had de vordering tot inbewaringstelling moeten afwijzen in het scenario dat de voorgeleiding bij hem te laat was aangevangen.4 In dit geval heeft de termijnoverschrijding echter betrekking op het bevel tot ophouden voor onderzoek, dit is een vormverzuim van een wezenlijk andere categorie. De schade die verdachte als gevolg van de schending van dit vormvoorschrift heeft geleden, wordt naar het oordeel van de rechtbank ondervangen door de tijdige aanvang van de voorgeleiding bij de rechter-commissaris. Daarbij komt dat het in deze zaak gaat om een verdenking van een ernstig strafbaar feit met een hoge strafbedreiging. Het maatschappelijke belang bij onderhavige opsporingsonderzoek en het in voorlopige hechtenis stellen van verdachte is dan ook zwaarwegend. Naar het oordeel van de rechtbank had de rechter-commissaris moeten volstaan met de enkele constatering van dit vormverzuim. De rechter-commissaris heeft een onvolledige en daarmee een onjuiste afweging van de aandienende belangen gemaakt door aan dit vormverzuim het gevolg van onmiddellijke invrijheidstelling te verbinden. De rechtbank zal de beschikking van de rechter-commissaris vernietigen en alsnog de inbewaringstelling van verdachte bevelen.

De ernstige bezwaren en gronden voor de voorlopige hechtenis

De ernstige bezwaren
De ernstige bezwaren blijken uit het volgende:
Politieagenten houden op 2 juli 2026 [verdachte] aan voor een verdenking van het bezit van vuurwapens en bedreiging. Deze politieagenten treffen tijdens deze aanhouding de telefoon aan van [verdachte] (pag. 16 e.v. PV VGL). Vervolgens wordt de telefoon van [verdachte] onderzocht en er worden op deze telefoon filmfragmenten aangetroffen waarin [verdachte] videobelt met naar verluidt [medeverdachte] . Op deze beelden is vermoedelijk [medeverdachte] te zien met beschermende kleding en een gasmasker in een ruimte die bestemd is voor het chemisch verwerken van blokken met daarop afgebeeld een "geel dollarteken" (pag. 16 e.v. PV VGL). Op de telefoon van [verdachte] is ook een foto aangetroffen van een zeecontainer met het nummer [nummer] (pag. 64 e.v. PV VGL). De politie heeft dit zeecontainer-nummer doorgegeven aan de havenpolitie in Rotterdam (pag. 68 e.v. PV VGL). Het HARC-team heeft vervolgens in de desbetreffende zeecontainer 375 blokken die positief zijn getest op cocaïne aangetroffen met een nettogewicht van 377, 4 kilogram. Op deze blokken cocaïne staan eenzelfde "gele dollarteken" afgebeeld als op vorenbedoelde video's die zijn aangetroffen op de telefoon van [verdachte] (pag. 70 e.v. PV VGL).
De gronden
De rechtbank zal de twaalfjaarsgrond, de grote recidivegrond en de onderzoeksgrond aan het bevel tot bewaring ten grondslag leggen. De verdediging heeft aangevoerd dat de gronden niet meer van toepassing zijn, omdat verdachte reeds in vrijheid is gesteld. De rechtbank volgt dit verweer niet, omdat naar het oordeel van de rechtbank de beoordeling van de gronden geschied naar de omstandigheden zoals die golden op het moment van de vordering tot inbewaringstelling (ex tunc). De rechtbank moet immers toetsen of de rechter-commissaris tijdens de voorgeleiding een juiste afweging heeft gemaakt van de betrokken belangen.
De twaalfjaarsgrond
Er is sprake van verdenking van een feit waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van twaalf jaren of meer is gesteld en de rechtsorde door dat feit ernstig is geschokt. Het gaat om een verdenking van de invoer van blokken cocaïne door de haven van Rotterdam met een nettogewicht van 377,4 kilogram. De illegale handel in verdovende middelen leidt tot veel maatschappelijke problemen en gaat vaak gepaard met diverse vormen van zware en georganiseerde criminaliteit. Daarnaast is het algemeen bekend dat de lichamelijke en psychische gezondheidsrisicos voor gebruikers van cocaïne groot zijn. Dit maakt dat vrijlating in deze fase van het onderzoek zal leiden tot maatschappelijk onbegrip.
De grote recidivegrond
Omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden, dat verdachte een misdrijf zal begaan waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van zes jaren of
meer is gesteld en waardoor de gezondheid of veiligheid van personen in gevaar kan worden gebracht. Verdachte is al eerder met politie en justitie in aanraking is geweest voor onder
andere het leiden van een crimineel samenwerkingsverband, geweldsdelicten en wapenbezit en -handel. De illegale handel in verdovende middelen gaat vaak gepaard met dit soort vormen van zware en georganiseerde criminaliteit. Het onderhavige feit is gedurende een proeftijd gepleegd, te weten de voorlopige invrijheidstelling inzake 21-003630-21 (Centrale Voorziening VI 89-000110-36).
De onderzoeksgrond
Omdat de voorlopige hechtenis in redelijkheid noodzakelijk is voor het, anders dan door verklaringen van de verdachte, aan de dag brengen van de waarheid, zoals verwoord in het aan deze vordering ten grondslag liggende dossier. Het onderzoek is in volle gang en eventuele medeverdachten moeten worden aangehouden en verhoord. Bij invrijheidstelling dreigt collusiegevaar.
Beslissing
De rechtbank:
  • Verklaart het beroep gegrond en vernietigt de beschikking van de rechter-commissaris waarvan beroep;
  • verleent alsnog een bevel tot bewaring tegen de verdachte voor een termijn van
Deze beslissing is gegeven in raadkamer van deze rechtbank op 23 juli 2026 door: mr. J.G.W. Lootstma-Oude Nijeweme, voorzitter,
mr. N.A. Vlietstra en mr. O.F. brouwer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.K. Qiu, griffier.
Deze beslissing is ondertekend door de voorzitter en de griffier.
1. HR 7 oktober 1988, ECLI:NL:PHR:1988:AB9982,
NJ1989/510, r.o. 4.
2
Kamerstukken II1992/93, 21 225, nr. 13, p. 9.
3 Zie pagina 119 PV VGL.
4 Vgl. HR 6 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1011.