Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
[verdachte] ,
Procedure
Beoordeling
De ernstige bezwaren en gronden voor de voorlopige hechtenis
Beslissing
veertien dagen.
Kamerstukken II1992/93, 21 225, nr. 13, p. 9.
Rechtbank Noord-Nederland
De rechtbank Noord-Nederland heeft op 23 juli 2026 het hoger beroep gegrond verklaard tegen de beschikking van de rechter-commissaris die de inbewaringstelling van verdachte had afgewezen. De rechter-commissaris had een onjuiste belangenafweging gemaakt door onvoldoende rekening te houden met het feit dat verdachte tijdig voor de rechter was gebracht, ondanks een vormverzuim bij de inverzekeringstelling.
Verdachte werd op 14 juli 2026 om 06:00 uur aangehouden en pas om 22:27 uur in verzekering gesteld, wat een overschrijding van 4 uur en 27 minuten betekent. De rechtbank oordeelde dat dit vormverzuim niet leidde tot onrechtmatigheid omdat verdachte tijdig voor de rechter-commissaris werd geleid op 17 juli 2026 om 13:00 uur. De belangenafweging van de rechter-commissaris was onvolledig doordat hij dit niet had meegewogen.
De verdenking betreft het invoeren van 377,4 kilogram cocaïne via de haven van Rotterdam, een ernstig strafbaar feit met een hoge strafbedreiging. Daarnaast werd bij verdachte een echt vuurwapen met munitie aangetroffen. De rechtbank achtte de twaalfjaarsgrond, de grote recidivegrond en de onderzoeksgrond van toepassing en vond het maatschappelijk belang bij voorlopige hechtenis zwaarwegend.
De rechtbank vernietigde de beschikking van de rechter-commissaris en beval alsnog de inbewaringstelling van verdachte voor een termijn van veertien dagen. De beslissing werd genomen door een meervoudige kamer bestaande uit drie rechters en een griffier.
Uitkomst: De rechtbank vernietigt de afwijzing van de inbewaringstelling en beveelt alsnog de inbewaringstelling van verdachte voor veertien dagen.