ECLI:NL:RBNNE:2026:3086

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
24 juli 2026
Publicatiedatum
24 juli 2026
Zaaknummer
LEE 26/2150
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.1 WaboArt. 2.12 WaboArt. 6.1 WaboArt. 8:69a AwbWet geluidhinder
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen omgevingsvergunning woningbouw Heerenveen

Verzoeker heeft een voorlopige voorziening gevraagd tegen de omgevingsvergunning die het college van burgemeester en wethouders van Heerenveen heeft verleend voor de bouw van een woning op een perceel zonder bouwvlak. De vergunninghouder wil na de bouwvakvakantie starten met bouwen. Verzoeker betoogt onder meer dat er geen participatie heeft plaatsgevonden, dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan en de structuurvisie, en dat het besluit niet uitvoerbaar is zonder een definitief besluit hogere waarden.

De voorzieningenrechter overweegt dat het oude recht van toepassing is omdat de aanvraag voor 1 januari 2024 is ingediend. De participatieplicht uit het participatiebeleid van de gemeente is niet van toepassing op deze Wabo-procedure. Het bestemmingsplan kent geen bouwvlak toe aan het perceel, maar de vergunning is verleend met een verklaring van geen bedenkingen van de gemeenteraad, wat volgens de rechter beleidsruimte biedt om af te wijken van het bestemmingsplan mits de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

Verzoeker kan zich niet beroepen op belangen van omliggende bedrijven en de rechter ziet geen aanleiding om het besluit voorlopig te schorsen. De structuurvisie is een beleidsdocument waar van afgeweken kan worden mits gemotiveerd, wat hier het geval is. Het ontwerpbesluit hogere waarden is nog niet definitief, maar verzoeker kan zich hier niet op beroepen vanwege het relativiteitsvereiste. De borging van parkeerplaatsen is voldoende geregeld in de vergunning en het bestemmingsplan. Een inritvergunning is niet vereist voor de uitvoerbaarheid van het besluit.

De voorzieningenrechter concludeert dat het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat geen zwaarwegend belang is gebleken en het besluit voorlopig rechtmatig is. Er wordt geen voorlopige voorziening getroffen en er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de omgevingsvergunning voor woningbouw wordt afgewezen wegens ontbreken van zwaarwegend belang en voorlopige rechtmatigheid van het besluit.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 26/2150

uitspraak van de voorzieningenrechter van 24 juli 2026 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. S. Maakal),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heerenveen, het college
(gemachtigde: K. Tamminga).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
[belanghebbende]uit [woonplaats] (vergunninghouder).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de omgevingsvergunning voor het bouwen van een woning op het perceel [adres] in Heerenveen. Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt het verzoek om voorlopige voorziening aan de hand van de gronden van verzoeker.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

2. Vergunninghouder heeft op 21 december 2023 de aanvraag ingediend.
2.1.
Op 22 december 2025 heeft het college het ontwerpbesluit gepubliceerd.
2.2.
Verzoeker heeft zijn zienswijze kenbaar gemaakt.
2.3.
Op 29 juni 2026 heeft het college de omgevingsvergunning voor de duur van zes weken ter inzage gelegd. De omgevingsvergunning heeft betrekking op het bouwen van een bouwwerk [1] en het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan [2] (het bestreden besluit).
2.4.
Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld (zaaknummer LEE 26/2151) en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen (zaaknummer LEE 26/2150). [3]
2.5.
Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift. Derde-partij heeft een reactie ingediend.
2.6.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 17 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, vergezeld door [naam] en bijgestaan door zijn gemachtigde, de gemachtigde van het college en vergunninghouder vergezeld door [naam] en [naam]
2.7.
Verzoeker heeft op 20 juli 2026 verzocht om het onderzoek te heropenen. De voorzieningenrechter heeft dat verzoek afgewezen.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Omvang van het geding
3. In het verzoek om voorlopige voorziening gaat verzoeker in op de (ontwerp) hogere waarden. Op zitting is besproken dat er nog geen definitief besluit hogere waarden (op grond van de Wet geluidhinder) is genomen en dat het verzoek om voorlopige voorziening daarop geen betrekking heeft. Wel heeft verzoeker aangevoerd dat er een uitvoerbaarheidsprobleem is ten aanzien van het bestreden besluit. Die grond wordt hierna besproken onder 8. tot en met 8.3.
Welke recht is van toepassing?
4. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet (Ow) in werking getreden. Bij de invoering van deze wet is een aantal andere wetten gewijzigd. Uit het overgangsrecht volgt dat in deze procedure het oude recht van toepassing blijft, omdat in deze zaak de aanvraag voor 1 januari 2024 is ingediend.
Spoedeisend belang?
5. Op zitting is vastgesteld dat de beroepstermijn tegen de verleende omgevingsvergunning nog loopt en dat de omgevingsvergunning nog niet in werking is getreden. [4] Vergunninghouder heeft op zitting aangegeven na de bouwvakvakantie te willen beginnen met bouwen. Zonder het treffen van een voorlopige voorziening kan derde-partij beginnen met de bouw zodra de omgevingsvergunning in werking treedt. Verzoeker wil dat voorkomen en verzoekt daarom om een voorlopige voorziening te treffen. Daarmee is de spoedeisendheid aanwezig.
Participatie
6. Verzoeker voert aan dat ten onrechte geen participatie heeft plaatsgevonden. Volgens verzoeker is in het Participatiebeleid Omgevingswet gemeente Heerenveen (participatiebeleid) participatie, vooruitlopend op de inwerkingtreding van de Omgevingswet, verplicht gesteld.
Op zitting heeft verzoeker toegelicht dat het volgens hem niet relevant is of de Wabo of de Omgevingswet geldt, omdat uit het participatiebeleid blijkt er in de praktijk niets verandert. De al geldende beleidslijn is slechts bekrachtigd met het participatiebeleid, aldus verzoeker.
6.1.
De voorzieningenrechter overweegt dat volgens paragraaf 1.4 van het participatiebeleid de reikwijdte van het beleid zich beperkt tot de instrumenten van de Omgevingswet. De raad heeft ook formeel besloten om het participatiebeleid alleen daarvoor van toepassing te verklaren. Wel staat in het participatiebeleid beschreven dat in een later stadium dit beleid eventueel kan worden uitgebouwd tot gemeentebreed participatiebeleid en vertaald kan worden naar een participatieverordening. [5]
6.2.
De voorzieningenrechter overweegt verder dat de Wabo van toepassing is in deze zaak en niet de Omgevingswet. Voor zover verzoeker zich beroept op het participatiebeleid zelf slaagt dat betoog daarom niet. Participatie, zoals de Omgevingswet die kent en waar verzoeker op wijst, is geen onderdeel van de Wabo. [6] In wat verzoeker heeft aangevoerd ziet de voorzieningenrechter ook geen aanknopingspunt voor een voorlopig oordeel dat in deze zaak participatie in de gemeente Heerenveen onder de Wabo verplicht was gesteld.
Is sprake van een goede ruimtelijke ordening?
7. Verzoeker voert aan dat bij de vaststelling van het ter plaatse geldende bestemmingsplan er bewust geen bouwvlak is toegekend aan het perceel van derde-partij en dat ook niet de bedoeling is geweest van de planwetgever. Het plan gaat uit van ‘open’ structuren en geen ‘dichte’ bebouwingsblokken. In het plan wordt het perceel ook niet genoemd als potentiële ontwikkellocatie.
7.1.
Ook de aanwezigheid van diverse vormen van bedrijvigheid is richtinggevend geweest voor de vaststelling van het bestemmingsplan. Verzoeker wijst op de geluidgevoeligheid van deze bestemmingen voor een woonbestemming. Het bouwen van de woning zou kunnen leiden tot een beperking van de bouw- en gebruiksmogelijkheden van de bedrijven die in het plangebied aanwezig zijn. Dat hier niet naar is gekeken is onzorgvuldig.
7.2.
Verzoeker voert verder aan dat het bouwplan niet voldoet aan het geldende beleid, met name de structuurvisie “Omgevingsvisie Heerenveen 2024” (structuurvisie). De bestreden besluitvorming voldoet volgens verzoeker niet aan de vier afwegingsprincipes van paragraaf 4.3.1. van de structuurvisie. Er is volgens verzoeker geen sprake van versterking van een (bestaande) kernkwaliteit, maar het gaat om financieel gewin van een enkele particulier. Het probleem van de een (niet kunnen bouwen zonder bouwvlak) wordt verder het probleem van anderen (verzoeker en bedrijven in de omgeving). Ook is geen sprake van een inbreidingslocatie zoals genoemd in paragraaf 5.3.4.4. van de structuurvisie en versoepeling van het voorheen geldende beleid ‘binnenstedelijk verdichten’. Uit de structuurvisie volgt verder dat er voldoende woningbouwlocaties zijn. Verzoeker vraagt zich af of het bouwplan inbreuk maakt op de in regionaal verband gemaakte woningbouwafspraken (waaronder woningbouwcontingent).
8. De voorzieningenrechter stelt vast dat op de locatie van het vergunde project op grond van het bestemmingsplan ‘Heerenveen-Noord’ (bestemmingsplan) de bestemming ‘Wonen-3’ rust. Deze locatie kent geen bouwvlak zodat niet bij recht een woning mag worden gebouwd. Het bestemmingsplan biedt geen binnenplanse mogelijkheid om van deze regel af te wijken. Dit betekent dat de vergunning in dit geval alleen kan worden verleend met toepassing van artikel 2.1, eerste lid, onder c, in samenhang met artikel 2.12, eerste lid, sub a, onder 3° van de Wabo. Hiervoor is een verklaring van geen bedenkingen vereist van de gemeenteraad van Heerenveen (raad). Niet ter discussie staat dat de raad die verklaring van geen bedenkingen heeft verleend.
8.1.
De voorzieningenrechter stelt vast dat niet ter discussie staat dat op het perceel geen bouwvlak aanwezig is en er geen mogelijkheid is om op basis van de planregels de vergunning te verlenen. Het betreffende perceel is ook niet aangewezen als ontwikkellocatie waarvoor een wijzigingsbevoegdheid geldt. De voorzieningenrechter begrijpt het standpunt van verzoeker zo dat het niet de bedoeling van de planwetgever is (geweest) dat op het perceel van derde-belanghebbende een woning wordt gebouwd. Dat dat bij de vaststelling van het bestemmingsplan niet is beoogd, betekent niet dat alleen al om die reden niet van de planregels mag worden afgeweken. Artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo en artikel 2.12, eerste lid, van de Wabo voorzien nu juist in de bevoegdheid om van de planregels af te wijken. Daarbij geldt in dit geval wel als voorwaarde dat de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en de motivering een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.
8.2.
Het bevoegde bestuursorgaan komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe en het moet de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de gronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. In deze voorlopige voorzieningenprocedure maakt de voorzieningenrechter een voorlopig rechtmatigheidsoordeel. De voorzieningenrechter ziet daarin in dit geval geen grond voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter licht dat hierna verder toe.
8.3.
Voor zover verzoeker aanvoert dat de gebruiksmogelijkheden van omliggende bedrijven mogelijk worden beperkt en dat het college dit onvoldoende heeft onderzocht, stelt de voorzieningenrechter vast dat verzoeker daarmee niet opkomt voor zijn eigen belangen maar voor belangen van derden. Verzoeker kan zich in rechte op de norm van een goede ruimtelijke ordening beroepen, maar alleen zover die norm betrekking of mede betrekking heeft op zijn eigen belangen. Daarvan is in dit geval geen sprake. Hij beroept zich op de belangen van omliggende bedrijven, terwijl hij zelf niet tot die groep behoort. Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter staat in de bodemzaak dan artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) aan vernietiging van het bestreden besluit in de weg. Indien de schending van de ingeroepen materiële norm niet tot vernietiging van een besluit kan leiden, geldt dat ook voor een door verzoeker gestelde schending van een zorgvuldigheidsnorm. [7] Er is dan ook geen grond voor het treffen van een voorlopige voorziening.
8.4.
Ten aanzien van de structuurvisie overweegt de voorzieningenrechter vooraf dat de structuurvisie een beleidsdocument is dat is vastgesteld door de raad. Hiervan kan worden afgeweken, maar dat moet dan wel goed worden gemotiveerd. De structuurvisie bevat geen harde normen (zoals wetgeving).
8.4.1.
De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker in zijn zienswijze een beroep heeft gedaan op de notitie ‘Binnenstedelijk verdichten’. In de reactie op de zienswijze is hierop ingegaan en ook op de relatie tot de structuurvisie (die in de reactie Omgevingsvisie wordt genoemd). In de reactie staat het volgende:
“Het plan sluit aan bij de uitgangspunten van de Omgevingsvisie. De criteria uit de eerder vastgestelde beleidsnotitie ‘Binnenstedelijk verdichten’ zijn verwerkt in de Omgevingsvisie. Hierin zijn veelal algemene uitgangspunten beschreven welke ontwikkelingen worden beoogd. Eerder werd strikt gekeken of er bij een inbreidingsplan sprake was van een stedenbouwkundige verbetering, een milieutechnische knelpunt werd opgelost of leegstaande/verouderde (bedrijf)bebouwing werd vervangen. Deze aspecten wegen nog steeds mee, maar als hier geen sprake van is, hoeft dat niet te betekenen dat geen medewerking kan worden verleend. Dat geldt voor onderhavige locatie. Omdat het hier een hoekperceel betreft, binnen de bestemming wonen, waarvoor geen waardevol groen wordt opgeofferd, en gelet op de ligging en de grootte van het perceel het realiseren van een woning een logische en aanvaardbare ontwikkeling is. De locatie kan daarom worden aangemerkt als een ‘inbreidingslocatie’.
Bouwen binnen bestaand stedelijk gebied draagt bij aan een zuiniger en intensiever gebruik van de ruimte. In de gemeente zijn verschillende plekken binnen bestaand bebouwd gebied die kansen bieden voor nieuwbouw of vragen om transformatie. Het kan dan bijvoorbeeld gaan om (verouderde) bedrijfslocaties in woongebieden, leegstaande (kantoor-)gebouwen, voormalige schoollocaties of inbreidingslocaties.”
8.4.2.
De reactienota is met de verklaring van geen bedenkingen vastgesteld door de raad. Ook maken deels vergelijkbare overwegingen deel uit van het vastgestelde raadsvoorstel voor de verklaring van geen bedenkingen. Voor zover verzoeker heeft willen betogen dat de raad bij de vaststelling van de verklaring van geen bedenkingen de structuurvisie niet heeft betrokken of zich daar niet bewust van is geweest, ziet de voorzieningenrechter daarvoor geen aanknopingspunt in het dossier.
8.4.3.
Bovendien stelt de voorzieningenrechter vast dat de raad met de verklaring van geen bedenkingen en de reactienota uitdrukkelijk en gemotiveerd heeft ingestemd met de locatie van de woning van derde-partij waarvoor omgevingsvergunning is verleend. Nog daargelaten of hiermee wordt afgeweken van de structuurvisie zoals verzoeker betoogt, is de motivering waarom het bestreden project aanvaardbaar is en dat daarvoor kan worden afgeweken van het bestemmingsplan, naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter niet ondeugdelijk. Verzoeker betoogt weliswaar dat geen sprake is van een inbreidingslocatie, maar gelet op de ligging van het perceel ten opzichte van de directe omgeving en de geldende bestemming, kan de voorzieningenrechter het college (en de raad) volgen dat daarvan wel sprake is. Het college heeft in het kader van de voorlopige voorziening bovendien voldoende deugdelijk toegelicht dat hiervoor geen woningcontingent is vereist.
In wat verzoeker heeft aangevoerd, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding voor het voorlopige oordeel dat met de verwijzing naar de brief van gedeputeerde staten van 14 juli 2022 niet voldoende aannemelijk is dat ter plaatse nog een contingent van toepassing is. Dat overigens nog sprake zou zijn van strijd met gemeentelijk of regionaal woningbouwbeleid, is in deze procedure niet aannemelijk gemaakt of geworden. Op basis van de stukken en wat op zitting is besproken ziet de voorzieningenrechter dan ook geen aanknopingspunt voor het voorlopige oordeel dat de motivering van het college (uiteindelijk) geen stand zal houden in de beroepsprocedure.
Ontwerpbesluit Wet geluidhinder
9. Verzoeker voert aan dat het bestreden besluit niet kan worden uitgevoerd zonder het besluit tot het vaststellen van een hogere waarde in het kader van de Wet geluidhinder. Op dit moment ligt er alleen een ontwerpbesluit. Het college handelt hiermee bovendien onzorgvuldig.
9.1.
De voorzieningenrechter stelt vast dat er nog geen definitief besluit hogere waarde is genomen. Wel is er een ontwerpbesluit tot het vaststellen van een hogere waarde tot 53 dB ten gevolge van de Rijksweg A7/A32 en tot 58 dB ten behoeve van de te realiseren woning.
9.2.
De voorzieningenrechter overweegt dat artikel 8:69a van de Awb in de weg staat aan de vernietiging van een besluit op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien de regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept (relativiteit). [8] In die gevallen ziet de voorzieningenrechter ook geen grond voor het treffen van een voorlopige voorziening.
9.3.
De regels over het nemen van een besluit tot hogere waarden en de toetsing van een aanvraag om omgevingsvergunning daaraan uit de Wet geluidhinder strekken tot bescherming van de (toekomstige) bewoner(s) van de te bouwen woning. [9] Dat betekent dat verzoeker zich als bewoner van de naastgelegen woning zich hierop niet met succes kan beroepen. Artikel 8:69a van de Awb staat daaraan in de weg. Indien de schending van de ingeroepen materiële normen niet tot vernietiging van een besluit kan leiden, geldt dat ook voor een door verzoeker gestelde schending van een zorgvuldigheidsnorm [10] of een uitvoerbaarheidsbetoog. [11] Dat alles heeft als gevolg dat de voorzieningenrechter in wat verzoeker heeft aangevoerd over de (ontwerp) hogere waarden geen aanleiding ziet voor het treffen van een voorlopige voorziening.
Parkeerplaatsen
10. Verzoeker voert aan dat met de verleende omgevingsvergunning niet is geborgd dat de twee op eigen terrein te realiseren parkeerplaatsen ook daadwerkelijk in stand worden gehouden. De blijvende aanwezigheid daarvan is volgens hem niet gegarandeerd. Op zitting heeft verzoeker nog aangevoerd dat hij het niet eens is met de plek die is gekozen voor de parkeerplaatsen.
10.1.
De voorzieningenrechter overweegt over de borging van de parkeerplaatsen op eigen terrein het volgende. In de voorschriften van de vergunning staat dat voor de ingebruikname van de woning de parkeergelegenheid op het eigen terrein moet zijn aangelegd en toegankelijk moet zijn. Daarmee is voldoende geborgd dat de parkeergelegenheid wordt gerealiseerd. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter geldt dat ook voor de instandhouding van deze parkeergelegenheid. Volgens de situatietekening (tekeningnummer: B.T.-00A) worden er twee parkeerplaatsen gerealiseerd. De tekening maakt onderdeel uit van het bestreden besluit. Dezelfde tekening is opgenomen in de ruimtelijke onderbouwing (p. 4.3.2). In de voorschriften is opgenomen dat de realisatie van het project overeenkomstig de ruimtelijke onderbouwing dient te geschieden. Voor zover hiermee niet al voldoende is geborgd dat de parkeergelegenheid in stand wordt gelaten, overweegt de voorzieningenrechter nog dat ter plaatse ook het bestemmingsplan ‘Partiele herziening bestemmingsplannen parkeren’ geldt. In artikel 4.3 van het plan staat een instandhoudingsverplichting ten aanzien van de parkeergelegenheid op het perceel. Gelet hierop is naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter voldoende geborgd dat de parkeerplaatsen in stand worden gehouden.
10.2.
Voor wat betreft de op zitting ingenomen stelling van verzoeker dat hij het niet eens is met de plek van de parkeerplaatsen, ziet de voorzieningenrechter daarin geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. Op grond van wat daarover is gesteld, ziet de voorzieningenrechter geen grond voor het voorlopige oordeel dat die plek voorshands in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.
Uitritvergunning vereist?
11. Verzoekster heeft erop gewezen dat er mogelijk nog een inritvergunning is vereist en dat daarmee de uitvoerbaarheid van het bestreden besluit in het geding is.
11.1.
De voorzieningenrechter stelt vast dat geen inritvergunning is aangevraagd. De voorzieningenrechter kan het college volgen dat een inritvergunning afzonderlijk kan worden aangevraagd, omdat geen sprake is van onlosmakelijk samenhangende activiteiten. De voorzieningenrechter ziet in het dossier en wat partijen hebben aangevoerd geen grond voor het voorlopige oordeel dat, indien een inritvergunning is vereist en wordt aangevraagd, voorshands niet zou kunnen worden verleend. De voorzieningenrechter ziet in wat verzoeker heeft aangevoerd geen grond voor het treffen van een voorlopige voorziening.

Conclusie en gevolgen

12. De voorzieningenrechter ziet in deze procedure geen aanleiding voor het voorlopige oordeel dat het bestreden besluit (uiteindelijk) in de nog te doorlopen beroepsprocedure niet in stand zal blijven. In dat geval bestaat er in beginsel geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Dat is alleen anders als verzoeker een heel zwaar belang heeft het treffen van een voorlopige voorziening. Daarvan is de voorzieningenrechter in dit geval niet gebleken. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat geen voorlopige voorziening wordt getroffen. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Hardenberg, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. T. Meijer, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 24 juli 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
2.Artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo.
3.Deze uitspraak gaat alleen over het verzoek om voorlopige voorziening.
4.Dat staat in de rechtsmiddelenclausule en volgt uit artikel 6.1, tweede en derde lid, van de Wabo.
5.Gemeenteblad van de gemeente Heerenveen, nr. 204202, 11 mei 2023.
6.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 9 juli 2025 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling), ECLI:NL:RVS:2025:3086.
7.Zie de overzichtsuitspraak over het relativiteitsvereiste van 11 november 2020 van de Afdeling, ECLI:NL:RVS:2020:2706.
8.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 24 maart 2021 van de Afdeling, ECLI:NL:RVS:2021:639.
9.Vergelijk de uitspraak van 19 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:530, r.o. 28.4.
10.Zie de (overzichts-)uitspraak van 11 november 2020 van de Afdeling, ECLI:NL:RVS:2020:2706.
11.Zie de uitspraak van de Afdeling van 2 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2892.