ECLI:NL:RBNNE:2026:31

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
8 januari 2026
Publicatiedatum
12 januari 2026
Zaaknummer
LEE 24/3157
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen aanslag rioolheffing en schending zorgvuldigheidsbeginsel

In deze uitspraak van de Rechtbank Noord-Nederland, enkelvoudige belastingkamer, wordt het beroep van eiseres tegen de aanslag rioolheffing voor het jaar 2024 beoordeeld. Eiseres, eigenaar van een onroerende zaak met een kapsalon en een woning, heeft bezwaar gemaakt tegen de aanslag die door de heffingsambtenaar van de gemeente Midden-Groningen is opgelegd. De rechtbank constateert dat de heffingsambtenaar de aanslag voor de woning terecht heeft opgelegd, omdat deze als een zelfstandig gedeelte wordt aangemerkt volgens de gemeentelijke verordening. Echter, de rechtbank oordeelt dat het zorgvuldigheidsbeginsel is geschonden, omdat de heffingsambtenaar onvoldoende feiten heeft verzameld voordat de aanslag werd opgelegd. Ondanks deze schending, wordt de aanslag in stand gehouden omdat de onzorgvuldigheid in bezwaar en beroep is hersteld. Eiseres krijgt wel haar griffierecht en proceskosten vergoed. De rechtbank concludeert dat het beroep ongegrond is en dat de heffingsambtenaar de kosten moet vergoeden.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 24/3157
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 8 januari 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Midden-Groningen, de heffingsambtenaar.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 19 juni 2024.
1.1.
De heffingsambtenaar heeft aan eiseres voor het jaar 2024 een aanslag in de rioolheffing opgelegd voor onder meer het perceel [adres] .
1.2.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
1.3.
De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 11 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen eiseres, bijgestaan door [persoon A] en [persoon B] . Namens de heffingsambtenaar zijn verschenen [persoon C] en [persoon D] .

Feiten

2. Eiseres is eigenaar van de onroerende zaak gelegen aan het adres [adres] (de onroerende zaak).
2.1.
Aan de voorzijde van de onroerende zaak bevindt zich de kapsalon van eiseres. Aan de achterzijde van de onroerende zaak bevindt zich een woning (de woning). Eiseres woont hier zelf niet. In de woning zijn alle voorzieningen aanwezig die noodzakelijk zijn om de woning zelfstandig te bewonen. De kapsalon en woning hebben beide een eigen ingang. Vanuit de kapsalon is er geen directe doorgang naar de woning.
2.2.
In 2023 heeft tijdelijk iemand gewoond in de woning. Die persoon heeft zich op het adres ingeschreven in de Basisregistratie Personen.
2.3.
Voor het jaar 2024 heeft de heffingsambtenaar aan eiseres met datum 23 februari 2024 twee aanslagen rioolheffing opgelegd. Eén aanslag is opgelegd voor het perceel [adres] kapsalon en de andere aanslag voor het perceel [adres] woning.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt of de heffingsambtenaar terecht een aanslag rioolheffing voor het perceel [adres] woning heeft opgelegd. Meer specifiek beoordeelt de rechtbank of de woning een zelfstandig gedeelte is in de zin van artikel 4 van de Verordening Rioolheffing gemeente Midden-Groningen 2024 (de Verordening). Daarnaast beoordeelt de rechtbank of het zorgvuldigheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel zijn geschonden. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres. Partijen hebben geen geschil over (de juistheid van) de aanslag rioolheffing voor het perceel [adres] kapsalon.
4. De rechtbank is van oordeel dat de woning kan worden aangemerkt als een zelfstandig gedeelte in de zin van artikel 4 van de Verordening en dat er terecht een aanslag rioolheffing voor het perceel [adres] woning is opgelegd
.Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat het zorgvuldigheidsbeginsel is geschonden. Het vertrouwensbeginsel is niet geschonden. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Is er terecht voor de woning een aparte aanslag rioolheffing opgelegd?
5. In de Verordening staat dat rioolheffing wordt geheven van degene die bij het begin van het belastingjaar eigenaar is van een perceel dat direct of indirect is aangesloten op de gemeentelijke riolering. [1] Onder het begrip perceel wordt onder meer een onroerende zaak verstaan. [2] Als gedeelten van een perceel volgens hun indeling bestemd zijn om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt, dan wordt de belasting geheven van elk zelfstandig gedeelte. Dit is alleen anders als twee of meer gedeelten gezamenlijk als geheel worden gebruikt, dan wordt er namelijk maar één keer belasting geheven. [3]
5.1.
De rechtbank stelt voorop dat de onroerende zaak een perceel is in de zin van de Verordening [4] en eiseres op 1 januari 2024 eigenaar was van de onroerende zaak. Volgens eiseres is ten onrechte voor zowel de kapsalon als de woning een afzonderlijke aanslag rioolheffing opgelegd. Uit de feiten volgt dat de kapsalon en de woning twee afzonderlijke gedeelten van de onroerende zaak zijn die op zichzelf kunnen worden gebruikt (2.1.). Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de kapsalon en de woning zelfstandigen gedeelten zijn van het perceel als bedoeld in artikel 4 van de Verordening. De heffingsambtenaar heeft daarom terecht twee aanslagen rioolheffing opgelegd. De rechtbank wijst er hierbij op dat voor het opleggen van een aanslag rioolheffing niet van belang is of een onroerende zaak één of meerdere huisnummers heeft (5.).
Is het zorgvuldigheidsbeginsel bij het opleggen van de aanslag rioolheffing geschonden?
6. Eiseres stelt dat het zorgvuldigheidsbeginsel is geschonden omdat de heffingsambtenaar voor het opleggen van de aanslag geen contact met haar heeft gezocht of de onroerende zaak fysiek heeft gecontroleerd. De heffingsambtenaar erkent dat de woning niet fysiek is gecontroleerd, maar stelt dat nadat in 2023 iemand anders zich op het adres had ingeschreven (2.2.) er telefonisch contact is geweest met eiseres. Weliswaar blijkt uit het dossier dat er telefonisch contact is geweest, maar dit is pas in de bezwaarfase geweest. Niet duidelijk is op welke (andere) wijze de heffingsambtenaar bij de aanslagoplegging heeft vastgesteld dat sprake is van twee zelfstandige gedeelten. De rechtbank wijst er hierbij op dat alleen het feit dat de eigenaar en gebruiker niet gelijk zijn onvoldoende is om te spreken van zelfstandige gedeelten. Gelet op het voorgaande heeft de heffingsambtenaar bij het opleggen van de aanslag onvoldoende kennis verzameld over de relevante feiten. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het zorgvuldigheidsbeginsel is geschonden.
6.1.
Vervolgens moet de vraag worden beantwoord welke gevolgen de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel heeft. Volgens vaste rechtspraak leidt een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel niet tot vernietiging of verlaging van een belastingaanslag, omdat een heffingsambtenaar in bezwaar en beroep de mogelijkheid heeft om onjuistheden die voortvloeien uit die onzorgvuldigheid te herstellen. [5] Een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel hoeft namelijk niet te betekenen dat de aanslag ten onrechte is opgelegd. Als aannemelijk is dat een belanghebbende door de gang van zaken niet is benadeeld, kan de rechter een schending van onder meer een geschreven rechtsregel (in dit geval het zorgvuldigheidsbeginsel) passeren en het besluit in stand laten. [6]
6.2.
De rechtbank heeft in 5. en 5.1. geoordeeld dat de aanslag terecht aan eiseres is opgelegd. In de bezwaarfase heeft de heffingsambtenaar telefonisch contact gezocht met eiseres en is de in 2.1. beschreven feitelijke situatie bevestigd door de partner van eiseres. Op de zitting is de feitelijke situatie nog een keer bevestigd door eiseres zelf. De onzorgvuldigheid is dus door de heffingsambtenaar in bezwaar en beroep hersteld. Gelet hierop is niet aannemelijk dat eiseres in haar belangen is geschaad. De rechtbank zal de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel daarom passeren. [7] Dit heeft tot gevolg dat de uitspraak op bezwaar en de aanslag in stand blijven. De rechtbank ziet geen aanleiding om het beroep gegrond te verklaren. De uitspraak op bezwaar was namelijk juist. [8] Wel heeft eiseres recht op een vergoeding van het griffierecht en proceskosten. Eiseres heeft namelijk kosten moeten maken om te komen tot een zorgvuldige afweging door de heffingsambtenaar en om de onzorgvuldigheid van de heffingsambtenaar aan de orde te stellen.
Is het vertrouwensbeginsel geschonden?
7. Eiseres heeft naar voren gebracht dat in voorgaande jaren geen aparte aanslag rioolheffing is opgelegd voor het perceel [adres] . Gelet hierop vindt eiseres dat zij erop mocht rekenen dat ook voor dit jaar geen aparte aanslag rioolheffing zou worden opgelegd. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is alleen het feit dat in voorgaande jaren geen (tweede) aanslag rioolheffing is opgelegd onvoldoende. Een beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt alleen als er bijkomende omstandigheden zijn die bij eiseres de indruk hebben gewekt dat de heffingsambtenaar bewust een standpunt heeft ingenomen. [9] Eiseres heeft zulke bijkomende omstandigheden niet aannemelijk gemaakt. Ook aan het feit dat in het (verre) verleden andere mensen op het adres ingeschreven hebben gestaan en er toen maar één keer rioolheffing werd geheven, zoals eiseres op de zitting heeft aangevoerd, kan geen vertrouwen worden ontleend. De kapsalon van eiseres bestond toen namelijk nog niet, zodat sprake was van een andere feitelijke situatie. De rechtbank is daarom van oordeel dat het vertrouwensbeginsel niet is geschonden.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de aanslag rioolheffing voor het perceel [adres] woning terecht is opgelegd. Eiseres heeft wel recht op een vergoeding van het griffierecht en een vergoeding van haar proceskosten (6.2.). De heffingsambtenaar moet deze vergoeding betalen.
9. De rechtbank stelt voorop dat een proceskostenvergoeding alleen mogelijk is voor kosten die worden genoemd in het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit). Het gaat om de volgende kosten [10] :
kosten voor door derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
kosten van een getuige of deskundige die door een partij of een belanghebbende is meegebracht of opgeroepen, dan wel van een deskundige die aan een partij verslag heeft uitgebracht,
kosten van een tolk die door een partij of een belanghebbende is meegebracht of opgeroepen,
reis- en verblijfkosten van een partij of een belanghebbende,
verletkosten van een partij of belanghebbende,
kosten van uittreksels uit openbare registers, telegrammen, internationale telexen, internationale telefaxen en internationale telefoongesprekken, en
kosten van het als gemachtigde optreden van een arts in zaken waarin enig wettelijk voorschrift verplicht tot tussenkomst van een gemachtigde die arts is.
9.1.
Eiseres heeft verzocht om een vergoeding voor een adviseur/deskundige. Het betreffen kosten die samenhangen met de bijstand van de heer [persoon B] op de zitting. De heer [persoon B] is niet opgeroepen of meegebracht als deskundige, maar verschenen ter bijstand. Gelet hierop overweegt de rechtbank dat de kosten alleen vergoed kunnen worden als sprake is van een door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (9.). Niet aannemelijk is geworden dat de heer [persoon B] beroepsmatig optreedt als rechtsbijstandverlener. Zo is er bijvoorbeeld geen machtiging overgelegd en is in contact met de griffie van de rechtbank voorafgaand aan de zitting de heer [persoon B] aangekondigd als zwager van eiseres. De rechtbank wijst het verzoek om de vergoeding van de kosten voor de adviseur/deskundige daarom af.
9.2.
Eiseres heeft ook verzocht om vergoeding van verletkosten. Gelet op de tijd die nodig is met het reizen naar de zitting en het bijwonen van de zitting, is de rechtbank van oordeel dat het aangegeven bedrag van € 160 aan verletkosten redelijk is. De rechtbank zal het verzoek om deze vergoeding daarom toewijzen. Eiseres heeft daarnaast verzocht om een reiskostenvergoeding van € 16. De rechtbank ziet geen reden [11] om hiervan af te wijken en wijst ook dit verzoek toe. Tot slot heeft eiseres verzocht om vergoeding van kosten die zijn gemaakt voor aangetekend versturen. Op grond van het Besluit (9.) komen deze kosten niet voor vergoeding in aanmerking. De rechtbank wijst het verzoek om vergoeding van deze kosten af.
9.3.
Concluderend stelt de rechtbank de vergoeding voor de proceskosten vast op € 176. [12]

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 51 aan eiseres moet vergoeden;
  • veroordeelt de heffingsambtenaar tot betaling van € 176 aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.S. Langius, rechter, in aanwezigheid van
mr.R. Schultinga, griffier.
griffier
rechter
Uitgesproken op 8 januari 2026.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 3, eerste lid, onderdeel a van de Verordening.
2.Artikel 1, onderdeel a van de Verordening.
3.Artikel 4 van de Verordening.
4.Artikel 1, aanhef onder a van de Verordening.
5.Vergelijk Hoge Raad 28 oktober 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC5146 en zie Gerechtshof Amsterdam 30 april 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:1322.
6.Artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht.
7.Artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht.
8.Vergelijk Hoge Raad 24 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:106, r.o. 4.4.2.
9.Vergelijk Hoge Raad 21 september 2007, ECLI:NL:HR:2007:AY8999, r.o. 3.4.1.
10.Artikel 1 van het Besluit.
11.Mede gelet op de kosten van het openbaar vervoer, tweede klasse, retour woonadres eiseres en adres rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen.
12.€ 160 (verletkosten) + € 16 (reiskosten).