ECLI:NL:RBNNE:2026:3104

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
28 juli 2026
Publicatiedatum
27 juli 2026
Zaaknummer
18-102462-25
Type
Uitspraak
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 WVW 1994Art. 6 WVW 1994Art. 7 WVW 1994Art. 8 WVW 1994Art. 163 WVW 1994
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak verdachte in zaak dodelijk verkeersongeval wegens onduidelijkheid over bestuurder

Op 11 juni 2024 vond een dodelijk verkeersongeval plaats te Oude Pekela waarbij het slachtoffer ter plaatse overleed. Verdachte werd beschuldigd van roekeloos rijgedrag, verlaten plaats ongeval en rijden onder invloed met een alcoholpromillage van 0,88.

Forensisch onderzoek wees uit dat het aantrekken van de handrem de oorzaak was van het ongeval, waarbij een DNA-mengprofiel van verdachte en slachtoffer op de handrem werd aangetroffen. De vraag wie de bestuurder was, stond centraal. Verdachte verklaarde op de bijrijdersstoel te hebben gezeten, medeverdachte kon zich niet herinneren wie waar zat, en een getuige zag een vrouw op de bestuurdersstoel.

De rechtbank concludeerde dat medeverdachte de bestuurder was en dat niet kon worden vastgesteld dat verdachte aan de handrem had getrokken. Hierdoor was geen schuld aan het ongeval bewezen. Verdachte werd vrijgesproken van alle ten laste gelegde feiten. Omdat de schuld niet was bewezen, werden de vorderingen van de benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaard.

Uitkomst: Verdachte wordt integraal vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs dat hij bestuurder was of schuld droeg aan het dodelijk verkeersongeval.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht
Locatie Groningen
parketnummer 18-102462-25
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 28 juli 2026 in de zaak van het Openbaar Ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1986 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 14 juli 2026.
Verdachte is niet verschenen; wel is verschenen mr. H.LP. Fauser advocaat te Groningen, die verklaard heeft uitdrukkelijk tot de verdediging te zijn gemachtigd. Het Openbaar Ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. I. Kluiter.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1
hij op of omstreeks 11 juni 2024 te Oude Pekela, althans in de gemeente Pekela, in elk geval in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (een personenauto), daarmede rijdende over de weg, [adres] , zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend,
  • dat voertuig te besturen onder invloed van alcohol, te weten 0,88 milligram alcohol per milliliter bloed, in elk geval meer dan 0,5 alcohol per milliliter bloed, waarvan hij wist of redelijkerwijs moest weten, dat het gebruik de rijvaardigheid kon verminderen,
  • te trekken aan de handrem van die personenauto, terwijl het voertuig een snelheid van 60 km/u, althans een aanzienlijke hoge snelheid, had, als gevolg waarvan het voertuig in een slip is geraakt en/of in de rechterberm tegen een boom is gebotst, waardoor een ander, te weten [slachtoffer] , werd gedood, terwijl hij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste, tweede, derde, vierde of vijfde lid van de Wegenverkeerswet 1994, dan wel na het feit niet heeft voldaan aan een bevel gegeven krachtens artikel 163, tweede, zesde, zevende of negende lid van genoemde wet;
subsidiair
hij op of omstreeks 11 juni 2024 te Oude Pekela, althans in de gemeente Pekela als bestuurder van een voertuig (een personenauto), daarmee rijdende op de weg, [adres] ,
  • dat voertuig heeft bestuurd onder invloed van alcohol, te weten 0,88 milligram alcohol per milliliter bloed, in elk geval meer dan 0,5 milligram alcohol per milliliter bloed, waarvan hij wist of redelijkerwijs moest weten, dat het gebruik de rijvaardigheid kon verminderen,
  • heeft getrokken aan de handrem van die personenauto, terwijl het voertuig een snelheid van 60 km/u, althans een aanzienlijk hoge snelheid, had, als gevolg waarvan het voertuig in een slip is geraakt en/of in de rechterberm tegen een boom is gebotst, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;
2
hij, als degene die al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig betrokken was geweest bij een verkeersongeval dat had plaatsgevonden in Oude Pekela, gemeente Pekela op/aan [adres] , op of omstreeks 11 juni 2024, de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, een ander (te weten [slachtoffer] ) is gedood, dan wel aan een ander letsel en/of schade was toegebracht;
3
hij op of omstreeks 11 juni 2024 te Oude Pekela, gemeente Pekela, als bestuurder van een motorrijtuig, (een personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte in zijn bloed bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994, 0,88 milligram, in elk geval hoger dan 0,5 milligram, alcohol per milliliter bloed bleek te zijn.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie en de verdediging
De officier van justitie en de raadsvrouw hebben zich op het standpunt gesteld dat verdachte integraal moet worden vrijgesproken.
Oordeel van de rechtbank
De feiten
Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank de navolgende feiten en omstandigheden vast.1
Op 11 juni 2024 omstreeks 00:20 uur kwam er bij de meldkamer Noord-Nederland een melding binnen van een verkeersongeval met letsel op [adres] te Oude Pekela. Op [adres] ter hoogte van de kruising met [adres] werd door de politie in de rechterberm een auto met kenteken [kenteken] aangetroffen en nabij de auto een beschadigde boom. Links achterin het voertuig zat het slachtoffer [slachtoffer] . Het slachtoffer is, zo bleek later, op de plaats van het ongeval overleden. Op ongeveer 800 meter van de plaats van het ongeval werden twee verdachten die nacht rond 01:00 uur in een sloot aangetroffen door de politie.2 Uit het bloedonderzoek van verdachte bleek dat hij een alcoholgehalte van 0,88 milligram alcohol per milliliter bloed had.3 Uit het bloedonderzoek van medeverdachte bleek dat zij een alcoholgehalte van 0,99 milligram alcohol per milliliter bloed had.4
Uit forensisch onderzoek is gebleken dat het aantrekken van de handrem de oorzaak van het verkeersongeval is geweest. Als gevolg van het aantrekken van de handrem blokkeerden beide achterbanden en kwam de auto daardoor in een ongecontroleerde dwarsslip terecht. Er werden geen aanwijzingen gevonden waaruit zou kunnen blijken dat de snelheid van de auto onmiddellijk voor het aftekenen van de remblokkeersporen (aanmerkelijk) sneller zou hebben gereden dan de ter plaatse toegestane maximum snelheid van 60 km/u.5Uit forensisch onderzoek is gebleken dat er een DNA-mengprofiel is aangetroffen op de greep van de handrem met DNA afkomstig van verdachte en van het slachtoffer.6
De bestuurder
De vraag die de rechtbank in de eerste plaats dient te beantwoorden, is of verdachte ten tijde van het ongeval de bestuurder van de auto was.
Verdachte heeft verklaard dat er hij zeker van is hij op de bijrijdersplek zat toen het ongeluk plaatsvond.7 Medeverdachte heeft in haar meest recente verhoor verklaard dat zij niet meer weet wie waar is ingestapt in de auto. Zij heeft verklaard dat het tijdens het rijden zwart werd voor haar ogen en dat zij, toen zij weer bij bewustzijn kwam, achter het stuur zat.8 De verklaringen van verdachten vinden steun in de verklaring van getuige [getuige] die aan [adres] woont. [getuige] heeft verklaard dat hij na het horen van een harde klap een auto in zijn tuin zag staan. Hij zag daarbij een man tegen de voorkant van de auto duwen terwijl een vrouw op de bestuurdersstoel zat.9
De rechtbank betrekt bij haar beoordeling tevens de letselbevindingen die de forensisch arts na het ongeval bij verdachte en medeverdachte heeft vastgesteld. Bij verdachte is onder meer een kneuzing aangetroffen op de borstkas enkele centimeters onder zijn rechter sleutelbeen. De algemene ontstaanswijze van dit letsel is volgens de forensisch arts door stomp uitwendig drukkend geweld tegen de boven/voorzijde van de rechterzijde van de borstkas. Onder zijn rechtertepel doorlopend tot de linkerzijde van de onderbuik is een lichtgele vaag begrensde bandvormige lijn aangetroffen. De algemene ontstaanswijze van dit letsel is volgens de forensisch arts door uitwendig inwerkend stomp geweld, hetgeen kan passen bij druk van een veiligheidsgordel bij een botsing.10 Bij medeverdachte is na het ongeval onder meer op de bovenzijde van de linkerschouder een kras van 4 cm aangetroffen. De algemene ontstaanswijze van dit letsel is volgens de forensisch arts door uitwendig inwerkend stomp geweld, hetgeen zou kunnen passen bij druk van een veiligheidsgordel van een auto die gebotst is.11
Op basis van voorgaande feiten, de verklaringen van verdachten en de getuigenverklaring van [getuige] komt de rechtbank tot de conclusie dat niet verdachte, maar medeverdachte de bestuurder was van de auto.
Artikelen 5 en 6 WVW
Van schuld in de zin van artikel 6 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW) is sprake indien de verdachte zich zodanig heeft gedragen dat sprake is van een aanmerkelijke mate van onvoorzichtigheid en/of onoplettendheid. Uit vaste jurisprudentie blijkt dat bij de beantwoording van de vraag of de schuld aan het verkeersongeval uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid, het aankomt op het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval.
Vaststaat dat verdachte niet de bestuurder was van de auto. De artikelen 5 en 6 WVW richten zich tot 'ieder die aan het verkeer deelneemt'. Ook een passagier zou onder omstandigheden kunnen voldoen aan de vereisten. De rechtbank dient daartoe te beoordelen of kan worden vastgesteld dat verdachte aan de handrem heeft getrokken. De rechtbank overweegt daarover als volgt.
Uit forensisch onderzoek blijkt dat er een DNA-mengprofiel is aangetroffen op de greep van de handrem met DNA afkomstig van verdachte en slachtoffer. Verdachte en medeverdachte hebben niets verklaard over het in de bewuste nacht aan de handrem trekken en dus ook niet over wie aan de handrem heeft getrokken. Medeverdachte heeft verklaard dat verdachte ook gebruikmaakte van haar auto en dat zij zelf de handrem nooit gebruikt. Ook heeft zij verklaard dat het slachtoffer nooit gebruikmaakte van haar auto omdat hij geen rijbewijs had.12 Het aantreffen van het DNA afkomstig van verdachte en slachtoffer geeft geen uitsluitsel over het moment waarop dit DNA op de handrem terecht is gekomen. Evenmin kan hieruit worden afgeleid dat verdachte voorafgaand aan het ongeval aan de handrem heeft getrokken. Nu niet kan worden vastgesteld dat verdachte deze gedraging heeft verricht, kan niet worden vastgesteld dat sprake is geweest van schuld in de zin van artikel 6 WVW Pro.
Evenmin kan worden vastgesteld dat verdachte zich zodanig heeft gedragen dat daardoor gevaar op de weg werd veroorzaakt of kon worden veroorzaakt, dan wel het verkeer op de weg werd gehinderd of kon worden gehinderd als bedoeld in artikel 5 WVW Pro.
Verdachte zal derhalve worden vrijgesproken van het onder feit 1 primair en subsidiair ten laste gelegde.
Verlaten plaats van het ongeval
Nu de rechtbank ervan uitgaat dat verdachte niet de bestuurder was van de auto ten tijde van het ongeval, ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of verdachte dan bij het ongeval betrokken is geweest in de zin van artikel 7 WVW Pro. Volgens rechtspraak van de Hoge Raad kan degene die geen bestuurder was van het motorrijtuig slechts worden aangemerkt als bij het verkeersongeval betrokken in de zin van artikel 7 WVW Pro, indien dat ongeval door zijn gedraging (handelen of nalaten) is veroorzaakt. Nu niet kan worden vastgesteld dat verdachte aan de handrem heeft getrokken, kan hij naar het oordeel van de rechtbank niet worden aangemerkt als degene die bij een verkeersongeval is betrokken in de zin van artikel 7 WVW Pro. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van het onder feit 2 ten laste gelegde.
Rijden onder invloed
Nu verdachte niet de bestuurder was van de auto, zal de rechtbank verdachte vrijspreken van het onder feit 3 ten laste gelegde rijden onder invloed.
Conclusie
De rechtbank acht de feiten 1 primair en subsidiair, 2 en 3 niet bewezen, zodat verdachte integraal zal worden vrijgesproken.

Benadeelde partij

De volgende personen hebben zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding:
1. ​
[naam 1] , tot een bedrag van 17.500,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan;
2. [ [naam 2] , tot een bedrag van 3.254,09 ter vergoeding van materiële schade en 30.000 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan;
2. [ [naam 3] , tot een bedrag van 17.500,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan;
2. [ [naam 4] , tot een bedrag van 30.000,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan;
2. [ [naam 5] , tot een bedrag van 17.500,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle benadeelde partijen niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard gelet op de gevorderde vrijspraak.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vorderingen van de benadeelde partijen dienen te worden afgewezen dan wel niet-ontvankelijk te worden verklaard gelet op de bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft de raadsvrouw inhoudelijk verweer gevoerd ten aanzien van de vorderingen.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht de drie ten laste gelegde feiten niet bewezen. Nu feit 1 primair en subsidiair, waaruit de gestelde schade zou zijn voortgevloeid, niet bewezen is, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in de vorderingen.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 1 primair en subsidiair, 2 en 3 is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart de vorderingen van [naam 1] , [naam 2] , [naam 3] , [naam 4] en [naam 5] niet-ontvankelijk.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.S. van der Kuijl, voorzitter, mr. A.L.J.M.A. Janssens en mr. H.K. de Haan, rechters, bijgestaan door mr. S.G. Martire, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze
rechtbank op 28 juli 2026.
Mr. H.K. de Haan is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
1. Verwezen wordt naar het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van Politie Noord-Nederland,
met nummer PL0100-2024154314, gesloten op 31 maart 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de digitale paginas van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
2 Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 13 juni 2024, pagina 225 e.v., inhoudend het relaas van
verbalisanten.
3 Een proces-verbaal van rijden onder invloed d.d. 6 maart 2025, pagina 163 e.v., inhoudend het relaas van
verbalisanten. Een deskundigenrapport van [ziekenhuis] d.d. 18 juni 2024 opgemaakt door dr. T.M. Bosch, pagina 172 e.v.
4 Een proces-verbaal van rijden onder invloed d.d. 27 juli 2024, pagina 150 e.v., inhoudend het relaas van
verbalisanten. Een deskundigenrapport van [ziekenhuis] d.d. 24 juli 2024, opgemaakt door dr. T.M. Bosch, pagina 160 e.v.
5 Een proces-verbaal van forensisch onderzoek d.d. 6 november 2024, pagina 28 e.v., inhoudend het relaas
van verbalisanten.
6 Een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Justitie
en Veiligheid d.d. 5 juli 2025, opgemaakt door dr. M. Hidding, pagina 79 e.v.
7 Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] d.d. 12 juni
2024, pagina 270 e.v.
8 Een proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte] d.d. 12 mei 2026, pagina 3 e.v. van het
aanvullend proces-verbaal met nummer PL0100-2024154272-65, gesloten op 28 mei 2026.
9 Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 11 juni 2024, pagina 218 e.v. inhoudend de getuigenverklaring
van [getuige] .
10 Een letselrapport forensische geneeskunde van de GGD Groningen d.d. 13 juni 2024, opgemaakt door dr.
[arts] , forensisch arts KNMG, pagina 89 e.v.
11 Een letselrapport forensische geneeskunde van de GGD Groningen d.d. 13 juni 2024, opgemaakt door dr.
[arts] , pagina 97 e.v.
12 Een proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte] d.d. 12 mei 2026, pagina 3 e.v. van het
aanvullend proces-verbaal met nummer PL0100-2024154272-65, gesloten op 28 mei 2026.