ECLI:NL:RBNNE:2026:311
Rechtbank Noord-Nederland
- Op tegenspraak
- M.B.W. Venema
- L.M. Praamstra
- G. Veenstra
- Rechtspraak.nl
Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel van veroordeelde tot €12.103,14
De rechtbank Noord-Nederland heeft op 6 februari 2026 uitspraak gedaan in een zaak betreffende de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De officier van justitie had aanvankelijk een bedrag van €68.033,86 gevorderd, maar na overleg en schriftelijke standpunten van de verdediging en het openbaar ministerie werd dit bedrag teruggebracht tot €12.103,14.
De veroordeelde was eerder bij vonnis van 3 mei 2024 veroordeeld voor het opzettelijk handelen in strijd met de Opiumwet, witwassen en medeplichtigheid. Op grond van deze veroordeling kan de ontnemingsvordering worden ingesteld. De rechtbank baseerde zich op diverse processen-verbaal en nam de alternatieve berekening van de verdediging over, die door het openbaar ministerie werd gevolgd.
De rechtbank stelde het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €12.103,14 en legde de betalingsverplichting tot dit bedrag aan de veroordeelde op. Tevens werd de maximale duur van gijzeling vastgesteld op 121 dagen. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige strafkamer, waarbij de oudste en jongste rechter niet konden ondertekenen.
Uitkomst: De rechtbank legt veroordeelde de verplichting op tot betaling van €12.103,14 aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.