Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2026:311

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
6 februari 2026
Publicatiedatum
5 februari 2026
Zaaknummer
18.008028.24 (ontneming)
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 2 OpiumwetArt. 3 Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel van veroordeelde tot €12.103,14

De rechtbank Noord-Nederland heeft op 6 februari 2026 uitspraak gedaan in een zaak betreffende de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De officier van justitie had aanvankelijk een bedrag van €68.033,86 gevorderd, maar na overleg en schriftelijke standpunten van de verdediging en het openbaar ministerie werd dit bedrag teruggebracht tot €12.103,14.

De veroordeelde was eerder bij vonnis van 3 mei 2024 veroordeeld voor het opzettelijk handelen in strijd met de Opiumwet, witwassen en medeplichtigheid. Op grond van deze veroordeling kan de ontnemingsvordering worden ingesteld. De rechtbank baseerde zich op diverse processen-verbaal en nam de alternatieve berekening van de verdediging over, die door het openbaar ministerie werd gevolgd.

De rechtbank stelde het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €12.103,14 en legde de betalingsverplichting tot dit bedrag aan de veroordeelde op. Tevens werd de maximale duur van gijzeling vastgesteld op 121 dagen. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige strafkamer, waarbij de oudste en jongste rechter niet konden ondertekenen.

Uitkomst: De rechtbank legt veroordeelde de verplichting op tot betaling van €12.103,14 aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht
Locatie Groningen
parketnummer 18.008028.24
beslissing van de meervoudige strafkamer d.d. 6 februari 2026 op een vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel
in de zaak tegen

[veroordeelde] ,

geboren op [geboortedatum] 1993 te [geboorteplaats] , thans gedetineerd te [instelling] ,
hierna te noemen: veroordeelde.
Procesverloop
De officier van justitie heeft d.d. 2 april 2024 schriftelijk gevorderd dat de rechtbank het bedrag vast zal stellen waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht, wordt geschat en dat de rechtbank aan voornoemde veroordeelde de verplichting zal opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag van 68.033,86 ter ontneming van het uit het in de zaak met parketnummer 18.008028.24 voortvloeiende, wederrechtelijk verkregen voordeel.
De behandeling van de zaak is op 19 april 2024 aangehouden, teneinde de verdediging en het openbaar ministerie in de gelegenheid te stellen een schriftelijk standpunt in te nemen.
Bij conclusie van antwoord op 12 augustus 2024 heeft de verdediging verzocht het wederrechtelijk verkregen voordeel tot een bedrag van 12.103,14 te beperken.
Bij conclusie van repliek op 16 oktober 2024 heeft het openbaar ministerie zich op het standpunt gesteld dat een ontnemingsbedrag van 12.103,14 kan worden toegewezen.
De behandeling heeft plaatsgevonden ter terechtzitting van 23 januari 2026, waarbij zijn gehoord de officier van justitie, mr. I.M. Schaafsma, en de gemachtigde raadsman van veroordeelde, mr. B. Hartman, advocaat te Diemen.
Ter terechtzitting hebben zowel de officier van justitie als de raadsman hun schriftelijk ingediende standpunten gehandhaafd.

Beoordeling

De rechtbank heeft veroordeelde bij vonnis van 3 mei 2024 in de zaak met parketnummer 18.008028.24 veroordeeld ter zake van het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod, witwassen en medeplichtigheid aan het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod.
Op grond van deze veroordeling kan aan veroordeelde de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel uit de baten van de ingevolge dat vonnis bewezenverklaarde feiten.
De rechtbank neemt de processen-verbaal JM048, JM062 en het proces-verbaal “uitkomst wvw” als uitgangspunt. De verdediging heeft tegen een aantal bevindingen en conclusies gemotiveerd verweer gevoerd en een alternatieve berekening opgesteld. De officier van justitie heeft in reactie hierop aangegeven deze berekening te kunnen volgen en de rechtbank verzocht de vordering tot het lagere bedrag van 12.103,14 toe te wijzen.
De rechtbank kan zich vinden in de uit de conclusies van antwoord en repliek voortvloeiende wijze van berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel en zij zal deze dan ook volgen.
De rechtbank is daarmee van oordeel dat veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen tot een bedrag van 12.103,14 en zij stelt de betalingsverplichting op hetzelfde geldbedrag vast.

Toepassing van de wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

Stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op 12.103,14 (zegge: twaalfduizend honderddrie euro en veertien eurocent).
Legt veroordeelde de verplichting op tot betaling van een geldbedrag van 12.103,14 (zegge: twaalfduizend honderddrie euro en veertien eurocent) aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 121 dagen.
Deze uitspraak is gegeven door mr. M.B.W. Venema, voorzitter, mr. L.M. Praamstra en mr. G. Veenstra, rechters, bijgestaan door mr. M. Huiskamp, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 6 februari 2026.
De oudste rechter en de jongste rechter zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.