ECLI:NL:RBNNE:2026:3120

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
28 juli 2026
Publicatiedatum
29 juli 2026
Zaaknummer
18-044184-26
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 36f SrArt. 38v Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor belaging en bedreiging ex-partner met gevangenisstraf en contactverbod

De rechtbank Noord-Nederland heeft verdachte veroordeeld voor belaging en bedreiging van zijn ex-partner en haar kinderen. De feiten betreffen een periode van 23 januari tot 9 februari 2026, waarin verdachte ondanks expliciete verzoeken tot geen contact, herhaaldelijk contact zocht, dreigende berichten stuurde en zich ongewenst bij de woning van het slachtoffer ophield.

De rechtbank achtte het bewijs overtuigend, mede op basis van aangiften, getuigenverklaringen, en bekentenissen van verdachte. Verdachte werd verminderd toerekeningsvatbaar geacht vanwege een lichte verstandelijke beperking, ADHD en PTSS, wat zijn impulscontrole en emotieregulatie beïnvloedde.

De straf bestaat uit 240 dagen gevangenisstraf, waarvan 79 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar, en bijzondere voorwaarden waaronder elektronisch toezicht, gedragsinterventie en ambulante behandeling. Daarnaast is een contact- en locatieverbod opgelegd voor drie jaar met vervangende hechtenis bij overtreding.

De benadeelde partij kreeg een schadevergoeding toegekend van €1.589,85 voor materiële en immateriële schade, met wettelijke rente vanaf 9 februari 2026. De rechtbank wees overige schadevorderingen af wegens onvoldoende causaal verband met het bewezenverklaarde. De inbeslaggenomen telefoon wordt aan verdachte teruggegeven.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 240 dagen gevangenisstraf, waarvan 79 dagen voorwaardelijk, met contact- en locatieverbod wegens belaging en bedreiging van zijn ex-partner en haar kinderen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht
Locatie Leeuwarden
parketnummer 18-044184-26
Verkort vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken van 28 juli 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1989 te [geboorteplaats] , thans gedetineerd in [instelling 1] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 14 juli 2026.
Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. H.W. de Jong, advocaat te Leeuwarden. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. A.H.P. Polstra.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1
hij (op verschillende data en/of tijdstippen) in of omstreeks de periode van 12 juni 2025 tot en met 9 februari 2026 te Emmen, in de gemeente Emmen en/of te [plaats 2] , in de gemeente Achtkarspelen, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van naam [slachtoffer] , met het oogmerk die [slachtoffer] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen, door (onder meer)
  • veelvuldig- fysiek contact te zoeken met die [slachtoffer] , door zich overdag of s nachts op te houden bij de woning van die [slachtoffer] , zulks terwijl deze heeft aangegeven geen contact te willen met verdachte en/of
  • veelvuldig- te bellen naar die [slachtoffer] , althans telefonisch contact te zoeken met die [slachtoffer] en/of
  • veelvuldig- (dreigende en/of dwangmatige) Whatsappberichten naar die [slachtoffer] te sturen met (ondermeer) de teksten “neem op” en/of "Je.moet vandaag langs komen.echt5 waar” en/of "Ik sta nu niet meer voor mij z3lf in" en/of Ggz belt mij zo terug en als die nu niett met oplossing komen dan steek ik vanavond haar huis in de brand" en/of
  • via Whatsappberichten seksfilmpjes van verdachte te sturen met daarbij de tekst zakelijk weergegeven-dat die [slachtoffer] mee moet doen en/of
  • veelvuldig- mailberichten te sturen naar die [slachtoffer] met (onder meer) de dreigende woorden/teksten zakelijk weergegeven- dat hij de kinderen zal afpakken en het huis zal slopen van die [slachtoffer] en/of/aldus (telkens) op enigerlei wijze zijn aanwezigheid en/of gedachtegangen ongewenst en/of hinderlijk en/of bedreigend en/of dwangmatig aan die [slachtoffer] opgedrongen;
2
hij op of omstreeks 9 februari 2026 te [plaats 1] en/of te [plaats 2] , in de gemeente Achtkarspelen, in elk geval in het arrondissement Noord-Nederland,
meermalen, [slachtoffer] (en/of haar kinderen) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling en/of met brandstichting, door
  • die [slachtoffer] (via de telefoon) dreigende de woorden toe te voegen: "ik wil niks meer met hulpverlening en ik ga vanavond naar de woning en steek de boel, mijzelf en de kinderen in de hens",althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en/of
  • ( ondermeer) een medewerker van de [zorginstelling 1] (via de telefoon) dreigend de woorden toe te voegen zakelijk weergegeven- dat hij in de avond naar het huis van [slachtoffer] zal gaan en het huis in de brand zal steken, althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking, van welke dreiging/dreigende woorden die [slachtoffer] kennis heeft genomen en/of
  • een of meer Whatsappberichten te sturen naar een medewerker van de gemeente met daarin de dreigende woorden zakelijk weergegeven- dat hij er klaar mee is en vanavond naar de woning van [slachtoffer] gaat en haar huis in brand zal steken met iedereen er in en/of GGZ belt mij zo terug en als die nu niet met oplossing komen dan steek ik vanavond haar huis in brand, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht de onder 1 ten laste gelegde belaging wettig en overtuigend bewezen op grond van de aangifte, de verklaring van getuige [getuige 1] , het aantal en de inhoud van de door verdachte
gestuurde berichten, de vele belpogingen van verdachte en de verklaring van verdachte zelf. Verdachte heeft, nadat aangeefster de relatie definitief had beëindigd, soms wel honderden belpogingen op één dag gedaan en hij stuurde aangeefster zeer veel berichten die deels dwingend en dreigend van toon waren. Ook heeft hij aangeefster op straat gevolgd en haar toen tegen haar wil een kus en een knuffel gegeven. Verder heeft hij zijn behoefte in haar schuur gedaan en stuurde hij haar daar een foto van. Verdachte bekent in zijn verklaring bij de politie ook dat hij veelvuldig contact met aangeefster zocht en haar geen rust gunde. De omstandigheid dat, volgens de verdediging, aangeefster ook steeds contact zocht met verdachte, dat hij op haar verzoek klusjes in de tuin deed en dat ze nog intiem contact zouden hebben gehad, maakt het gedrag van verdachte niet minder strafbaar.
De officier van justitie acht de onder 2 ten laste gelegde bedreiging wettig en overtuigend bewezen op grond van de aangifte, de verklaring van getuige [getuige 2] en de bekennende verklaring van verdachte.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs moet worden vrijgesproken van de belaging onder feit 1. Zij heeft daartoe onder meer aangevoerd dat er in de periode van 12 juni 2025 tot 17 december 2025, toen aangeefster in de vrouwenopvang in [plaats 3] verbleef, geen fysiek contact is geweest tussen verdachte en aangeefster. In de periode daarna is verdachte slechts drie keer bij de woning van aangeefster geweest en is hij ook een paar keer binnengelaten door aangeefster. Dat aangeefster toen de politie zou hebben gebeld, wordt niet onderbouwd met politiemutaties. Ook was er een afspraak dat verdachte de tuin en de woning zou onderhouden en de dieren zou voeren. Pas op 29 januari 2026 zijn er duidelijke afspraken gemaakt over het contact tussen beiden. Dat verdachte veelvuldig zou hebben gebeld, vindt geen steun in het dossier. Uit het dossier blijkt enkel dat verdachte op 17 juli 2025 en 9 februari 2026 telefonisch contact heeft gezocht met aangeefster. Ook heeft verdachte niet veelvuldig dreigende of dwangmatige WhatsAppberichten naar aangeefster gestuurd. Voornoemde berichten zijn door verdachte naar zijn begeleidster [naam 1] gestuurd. Verder bevat het dossier wel veel e-mailberichten, maar de meeste zijn niet voorzien van een datum noch dreigend van aard. Bovendien blijkt uit door de verdediging overgelegde stukken van de hulpverlening en de Raad van de Kinderbescherming dat er in een groot deel van de ten laste gelegde periode wederzijds relationeel en soms ook intiem contact was tussen verdachte en aangeefster.
Ten aanzien van feit 2, de bedreiging, heeft de raadsvrouw betoogd dat alleen het eerste en het derde gedachtestreepje bewezen kunnen worden. Voor de bedreiging genoemd na het tweede gedachtestreepje (via een medewerker van de [zorginstelling 1] ) is volgens de raadsvrouw onvoldoende bewijs en daarvan dient verdachte dan ook partieel te worden vrijgesproken.
Oordeel van de rechtbank
Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.
Feit 1
Juridisch kader
Van belaging is blijkens artikel 285b van het Wetboek van Strafrecht sprake bij een wederrechtelijke stelselmatige opzettelijke inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van een ander, met het oogmerk die ander te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden dan wel vrees aan te jagen. Bij de beoordeling van de vraag of in een concrete situatie sprake is van belaging zijn van belang de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer. Daarbij geldt dat het (voorwaardelijk) opzet van de verdachte gericht moet zijn geweest op het maken van een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de ander. Dit betekent dat de verdachte opzet moet hebben gehad op het ontbreken van de toestemming om contact te hebben met de ander. Als het
gaat om bedreigingen en geweld of andere kwaadaardige bejegening ligt dat ontbreken van toestemming snel voor de hand, evenals het (voorwaardelijk) opzet. Gaat het om minder indringende handelingen dan kan het opzet op de inbreuk pas bewezen worden verklaard als de ander duidelijk te kennen heeft gegeven hiervan niet gediend te zijn.
Feitelijke gang van zaken
Uit het dossier leidt de rechtbank onder meer het volgende af. Verdachte een aangeefster hebben in maart 2021 een relatie gekregen. In deze relatie zijn twee kinderen geboren in 2022 en 2024. Per 1 april 2023 zijn verdachte en aangeefster in [plaats 2] komen te wonen. Eind 2024 is verdachte in [plaats 4] gaan wonen en kwam hij nog drie a vier keer per week in [plaats 2] . Op 12 juni 2025 is aangeefster met haar kinderen naar een blijf-van mijn-lijfhuis in [plaats 3] vertrokken, waar zij ongeveer 6 maanden heeft verbleven. Aangeefster heeft verklaard dat verdachte haar de eerste 2 maanden nadat zij in [plaats 3] zat extreem is gaan stalken en dat zij op een gegeven moment 800 gemiste oproepen had. Op 17 december 2025 is aangeefster weer terug gekomen in [plaats 2] . Zij heeft verklaard dat verdachte toen al 4 maanden rustig was. Nadat zij weer in [plaats 2] is gaan wonen, is verdachte haar weer lastig gaan vallen, aldus aangeefster.
Oordeel rechtbank
Aangeefster heeft verklaard dat verdachte op het moment dat zij terug kwam in [plaats 2] al 4 maanden rustig was. Dit betekent dat voor de periode 17 augustus tot 17 december 2025 in ieder geval geen sprake kan zijn van belaging.
Voor de periode van 12 juni 2025 tot 17 augustus 2025 en de periode van 17 december 2025 tot 9 februari 2026 geldt dat het dossier meerdere emailberichten van verdachte aan aangeefster bevat. De in het dossier opgenomen berichten variëren van liefkozend tot dwingend en uit sommige berichten zou afgeleid kunnen worden dat aangeefster verdachte (al dan niet tijdelijk) heeft geblokkeerd. De rechtbank merkt op dat het aantal berichten dat in het dossier is opgenomen uit de periode van juni 2025 tot augustus 2025 beperkt van aard is. Tevens merkt de rechtbank op dat vanaf pagina 150 van het dossier afdrukken van spraakoproepen zijn opgenomen. Op die afdrukken staat als beller [naam 2] of [naam 3] opgenomen. Gelet hierop kan de rechtbank kan niet vast stellen dat verdachte deze oproepen heeft gedaan.
Verdachte heeft in zijn verhoor toegegeven dat hij op sommige momenten erg veel berichten heeft verstuurd en dat hij op die momenten doorgedraaid was of kortsluiting had. Hij heeft echter ook verklaard dat hij toestemming van aangeefster had om contact met haar te hebben, dat aangeefster regelmatig contact met hem opnam en dat er meerdere momenten van seksueel contact zijn geweest.
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad dat was gericht op het maken van een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster en komt tot het oordeel dat dat voor de periode tot 23 januari 2026 onvoldoende overtuigend vastgesteld kan worden. In het procesdossier bevinden zich sterke aanwijzingen dat verdachte en aangeefster in deze periode over en weer contact zochten en vrijwillig met elkaar omgingen, ook op intieme wijze. Het was een situatie van over en weer afwisselend telkens toenadering zoeken en weer afstand nemen. Dit is niet alleen door verdachte verklaard, maar vindt ook steun in de door de verdediging overgelegde verklaring van [naam 1] van [zorginstelling 2] De rechtbank acht daarom niet bewezen dat verdachte toen wist dat zijn berichten en bezoeken voor aangeefster ongewenst waren. In deze situatie acht de rechtbank daarom niet bewezen dat verdachte in deze periode steeds opzettelijk tegen de wens van aangeefster contact met haar had.
Voor de periode 23 januari 2026 tot en met 9 februari 2026 vindt de rechtbank dat wel kan worden bewezen dat verdachte opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster. Blijkens foto 51 op pagina 293 van het procesdossier heeft aangeefster op 23 januari 2026 aan verdachte een mail gestuurd met de tekst dat zij wil dat hij ophoudt met bellen, mailen en langskomen. Contact over bijvoorbeeld hun kinderen moest voortaan verlopen via de gezinsvoogden. Dit mailbericht is anders dan veel andere berichten in het procesdossier voorzien van een datum, waardoor precies vaststaat dat en wanneer aangeefster verdachte ondubbelzinnig heeft laten weten dat verder rechtstreeks contact ongewenst was.
Uit de bewijsmiddelen waaronder de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting blijkt dat verdachte deze wens opzettelijk niet heeft gerespecteerd. Tot en met 9 februari 2026 heeft hij veelvuldig naar aangeefster gemaild en gebeld, en is hij onuitgenodigd bij haar huis geweest. De teksten van de mails zijn dwingend en intimiderend van toon. Verdachte verwoordt hierin dat hij contact wil met aangeefster over en met hun kinderen, en dat hij haar en hun kinderen, hun huis maar ook zichzelf wat zal aandoen als aangeefster niet meewerkt. De rechtbank leest in de berichten de onmacht en wanhoop van verdachte, die extreem veel en indringend contact met aangeefster zocht en haar gedurende ruim twee weken geen rust gunde. De rechtbank acht hiermee de tenlastegelegde stalking in die periode bewezen.
Onvoldoende bewijs is er voor de tenlastegelegde Whatsappberichten aan aangeefster en aan haar verstuurde seksfilmpjes. Hiervan zal verdachte dan ook worden vrijgesproken.
Feit 2
Gelet op de aangifte, de tekst van de berichten van verdachte en zijn bekentenis ter terechtzitting, acht de rechtbank bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan bedreiging van aangeefster en hun kinderen met een misdrijf tegen het leven gericht en met brandstichting. Verdachte was ten einde raad over het uitblijven van contact met aangeefster en zijn kinderen en heeft op 9 februari 2026, zowel via hulpverleners als rechtstreeks in telefonisch contact met aangeefster, uitlatingen gedaan over het in brand steken van haar woning met iedereen erin. Hiermee heeft hij redelijkerwijs de vrees doen ontstaan dat hij ook echt tot brandstichting over zou gaan.
De rechtbank past de bewijsmiddelen toe zoals die zullen worden opgenomen in de eventueel later op te maken aanvulling van dit vonnis. Deze bewijsmiddelen bevatten de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden, waarbij ieder bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts gebruikt is voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft. Die aanvulling wordt dan aan dit verkort vonnis gehecht.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht feiten 1 en 2 wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
1
hij op verschillende data en tijdstippen in de periode van 23 januari 2026 tot en met 9 februari 2026 in Nederland wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer] , met het oogmerk [slachtoffer] te dwingen iets te doen, te dulden en vrees aan te jagen door onder meer
- fysiek contact te zoeken met [slachtoffer] door zich overdag op te houden bij de woning van [slachtoffer] , terwijl zij heeft aangegeven geen contact te willen met verdachte en
  • veelvuldig te bellen naar [slachtoffer] en
  • veelvuldig e-mailberichten te sturen naar [slachtoffer] met onder meer de dreigende woorden zakelijk weergegeven- dat hij de kinderen zal afpakken en het huis zal slopen van [slachtoffer] ;
2
hij op 9 februari 2026 te [plaats 1] of te [plaats 2] , in het arrondissement Noord-Nederland, meermalen, [slachtoffer] en haar kinderen heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en met brandstichting, door
  • [slachtoffer] via de telefoon dreigende de woorden toe te voegen: "ik wil niks meer met hulpverlening en ik ga vanavond naar de woning en steek de boel, mijzelf en de kinderen in de hens" en
  • een medewerker van de [zorginstelling 1] via de telefoon dreigend de woorden toe te voegen zakelijk weergegeven- dat hij in de avond naar het huis van [slachtoffer] zal gaan en het huis in de brand zal steken, van welke dreiging/dreigende woorden [slachtoffer] kennis heeft genomen en
  • Whatsappberichten te sturen naar een medewerker van de gemeente met daarin de dreigende woorden zakelijk weergegeven- dat hij er klaar mee is en vanavond naar de woning van [slachtoffer] gaat en haar huis in brand zal steken met iedereen er in.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:
belaging
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en bedreiging met brandstichting, meermalen gepleegd.
Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar, met daaraan gekoppeld de
bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering. Daarnaast heeft de officier van justitie de oplegging van de vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38v Sr gevorderd, inhoudende een contactverbod met [slachtoffer] en een locatieverbod voor de woonplaats van [slachtoffer] , zijnde [plaats 2] . De officier van justitie heeft gevorderd de maatregel op te leggen voor een periode van vijf jaren, en de vervangende hechtenis bij iedere overtreding op één week hechtenis vast te stellen met een maximum van zes maanden. De officier van justitie vordert de maatregel dadelijk uitvoerbaar te verklaren.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft gepleit voor een deels voorwaardelijke gevangenisstraf, waarvan het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan het voorarrest, met daaraan verbonden de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden, waaronder een ambulante behandeling en begeleid wonen bij [instelling 2] in [plaats 3] per 20 juli 2026. De raadsvrouw acht een contact- en locatieverbod ex. artikel 38v Sr niet noodzakelijk, omdat verdachte instemt met de bijzondere voorwaarden, waaronder een contact- en locatieverbod, die controleerbaar zijn door middel van het elektronisch toezicht. Vanaf 20 juli 2026 is er voor verdachte een plek beschikbaar bij [instelling 2] beschermd wonen in [plaats 3] . De raadsvrouw heeft daarom verzocht het bevel voorlopige hechtenis per 20 juli 2026 te schorsen, zodat verdachte kan worden overgeplaatst naar [instelling 2] .
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, de rapportages van de psycholoog en de reclassering, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan stalking van zijn ex-partner. Verdachte heeft zijn ex-partner stelselmatig lastig gevallen door haar gedurende meerdere weken veelvuldig te bellen en dwingende berichten te sturen nadat aangeefster uitdrukkelijk had aangegeven dat verdachte moest stoppen met het zoeken van contact. Ook heeft verdachte zich tegen de wil van aangeefster in, bij en in haar woning opgehouden. Verdachte heeft met zijn gedrag niet alleen gevoelens van angst teweeg gebracht, maar hij heeft ook een ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster. Verder heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan zeer ernstige bedreigingen van zijn ex-partner en de kinderen door te dreigen met brandstichting in het huis van aangeefster, maar ook te dreigen de kinderen in brand te zullen steken. De rechtbank rekent verdachte deze feiten zwaar aan.
Het strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van verdachte. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
De persoon van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen de PJ-rapportage van C. Sipma, GZ-psycholoog, van 29 mei 2026. Volgens de deskundige is er bij verdachte sprake van een licht verstandelijke beperking, ADHD, een
posttraumatische stressstoornis en een voorgeschiedenis van problematisch middelengebruik. Deze stoornissen bestonden ook ten tijde van het ten laste gelegde. De afgelopen jaren zijn de PTSS klachten toegenomen door een combinatie van stressvolle omstandigheden. Een belangrijke stressor was de conflictueuze relatie met aangeefster. De onduidelijkheid over de relatie maakte hem onzeker, waardoor hij zich verloor in obsessief claimend, pleasend en aandachtzoekend gedrag richting aangeefster. Ook ten aanzien van de hulpverlening wist verdachte niet wat hij kon verwachten, waardoor hij gefrustreerd raakte. Die frustraties lijken een rol te hebben gespeeld bij de bedreigingen. De deskundige adviseert om verdachte beide feiten in verminderde mate toe te rekenen. Door zijn problematiek was hij ten tijde van de feiten beperkt in zijn impulscontrole, emotieregulatie en het inschatten van sociale grenzen. Als verdachte niet wordt behandeld en begeleid, schat de deskundige ten aanzien van gewelddadig gedrag de kans op herhaling op zowel korte als op lange termijn in als matig tot hoog. Ten aanzien van belaging wordt de kans op herhaling als hoog ingeschat. Een integrale aanpak waarin behandeling en woonbegeleiding worden aangeboden en tevens aandacht is voor een gestructureerde invulling van de dag, is aangewezen om het functioneren van verdachte te verbeteren en verergering van de problematiek te voorkomen. De deskundige adviseert een (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met verplicht reclasseringstoezicht met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, het zich houden aan afspraken met betrekking tot begeleiding, middelengebruik, de omgangsregeling met zijn kinderen, het contact met zijn ex-partner én het volgen van een ambulante behandeling bij een forensische polikliniek met voldoende deskundigheid van de behandeling bij mensen met een lichte verstandelijke beperking.
De rechtbank heeft verder kennisgenomen van het reclasseringsadvies over verdachte van 10 juli 2026. De rechtbank maakt uit het rapport op dat de reclassering zich kan vinden in de diagnoses en conclusies van de deskundige. Verdachte is gemotiveerd om in behandeling te gaan en hulp te accepteren. De reclassering adviseert toepassing van Elektronische Monitoring (EM) als hulpmiddel om de risicos voor het slachtoffer te beperken en verdachte te helpen zijn impulsen om het slachtoffer op te zoeken te beheersen. Verder adviseert de reclassering de volgende bijzondere voorwaarden: een meldplicht, de gedragsinterventie agressiebeheersing, een ambulante behandeling, verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang, een contactverbod, een locatieverbod (met elektronisch toezicht), een locatiegebod (met elektronisch toezicht) en dagbesteding. Het verblijf bij [instelling 2] kan starten op 20 juli 2026 en op die datum kan verdachte in de PI Leeuwarden ook worden aangesloten op een enkelband.
Toerekenbaarheid
De rechtbank neemt de conclusie van de deskundige ten aanzien van de toerekenbaarheid over. De problematiek van verdachte heeft invloed gehad op het functioneren van verdachte ten tijde van het ten laste gelegde. Dit leidt tot het oordeel van de rechtbank dat de bewezen verklaarde feiten in verminderde mate aan verdachte kunnen worden toegerekend.
De straf
De rechtbank acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van 240 dagen, waarvan 79 dagen voorwaardelijk, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, en een proeftijd van 3 jaar met oplegging van de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden passend en geboden. De rechtbank komt tot een lagere straf dan door de officier van justitie is gevorderd, omdat de rechtbank ten aanzien van de belaging een aanzienlijk kortere periode bewezen acht.
De maatregel
De rechtbank zal voorts, overeenkomstig de vordering van de officier van justitie, aan verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr opleggen, inhoudende een contactverbod met aangeefster, tenzij dit onder begeleiding plaatsvindt van de hulpverlening en in het belang is van de
gezamenlijke kinderen en een locatieverbod voor [plaats 2] .
De rechtbank acht het van belang dat aangeefster en ook haar kinderen rust in hun leven krijgen zonder dat aangeefster de angst krijgt dat verdachte zich opnieuw belastend jegens haar zal gedragen. Dit geldt temeer omdat verdachte vooral voorrang lijkt te geven aan zijn eigen behoeftes en daarbij de belangen van aangeefster en ook van de kinderen uit het oog verliest. Om dit te voorkomen zal de rechtbank oplegging van een contactverbod op grond van artikel 38v Sr voor de duur van drie jaren bevelen, met één week hechtenis voor iedere overtreding van dit verbod (met een maximum van zes maanden). Omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit pleegt of zich belastend gedraagt jegens aangeefster [slachtoffer] , zal de rechtbank deze maatregel dadelijk uitvoerbaar verklaren.
De reden om naast bijzondere voorwaarden ook een contactverbod op grond van artikel 38v Sr op te leggen, is gelegen in de omstandigheid dat de rechtbank belang hecht aan de behandeling van de problematiek van verdachte. In het kader van artikel 38v Sr kan direct worden opgetreden tegen een overtreding van het contact- en/of locatieverbod, zonder dat dit leidt tot een eventuele tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf en een voortijdig einde van het behandeltraject.
Voorlopige hechtenis
De rechtbank heeft bij afzonderlijke beslissing het bevel voorlopige hechtenis geschorst per 20 juli 2026. De rechtbank ziet geen aanleiding dit geschorste bevel voorlopige hechtenis op te heffen. De schorsing zal onder dezelfde voorwaarden blijven doorlopen na de uitspraak, tijdens een eventueel hoger beroep dan wel eindigen als de uitspraak onherroepelijk wordt. In dat geval zullen de voorwaarden gaan gelden die gekoppeld zijn aan de voorwaardelijke gevangenisstraf.
Benadeelde partij
[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van 5.577,24 ter vergoeding van materiële schade en
7.000 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de posten huur van de woning en de kosten voor internet en televisie deels kunnen worden toegewezen en dat kosten voor de beveiligingscameras en de reiskosten naar de opvang geheel kunnen worden toegewezen. Ten aanzien van het immateriële deel kan de officier van justitie zich voorstellen dat de rechtbank de vordering matigt en de gebruik maakt van haar schattingsbevoegdheid. Het toe te wijzen bedrag dient te worden vermeerderd met de wettelijke rente en onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft primair verzocht de vordering af te wijzen dan wel niet-ontvankelijk te verklaren. Subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de posten huur van de woning en de kosten voor internet en televisie geen rechtstreekse schade zijn. Er is geen causaal verband met de gedragingen van verdachte. De benadeelde partij heeft destijds de aangifte ingetrokken en niemand heeft haar verplicht om tijdelijk in de opvang te verblijven. Verder was de aanschaf van de veiligheidscameras niet noodzakelijk, omdat verdachte gedetineerd is en er elektronische monitoring is geadviseerd waardoor er toezicht is op verdachte als hij vrijkomt. Over de post reiskosten heeft de verdediging geen opmerkingen gemaakt. Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade, aantasting in de persoon op andere wijze, heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de vordering op dat punt onvoldoende onderbouwd is. Het is voorstelbaar dat de benadeelde partij enige last en hinder heeft ervaren, maar dat rechtvaardigt niet de hoogte van het bedrag en daarbij komt dat de benadeelde partij
ook een eigen aandeel in de situatie had. Een enkele doorverwijzing naar [instelling 3] is onvoldoende om de gestelde klachten te onderbouwen.
Geheel subsidiair verzoekt de verdediging de rechtbank de vordering sterk te matigen.
Oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van het materiële deel van de vordering: de benadeelde partij heeft een schadevergoeding gevorderd voor de kosten van de huur van de woning, de kosten voor internet en televisie en reiskosten naar de opvang in Emmen. Deze schadeposten hebben betrekking op een periode in 2025. Nu de rechtbank de belaging slechts bewezen verklaart over de periode vanaf 23 januari 2026, ontbreekt ten aanzien van deze schadeposten het vereiste verband met het bewezenverklaarde feit. Voor zover de vordering op deze posten betrekking heeft, kan de rechtbank daarom niet treden in de beoordeling daarvan. De benadeelde partij zal in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering en kan dat deel slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Verder heeft de benadeelde partij een schadevergoeding gevorderd voor de kosten van de aanschaf van veiligheidscameras voor bij de woning van de benadeelde partij, omdat de benadeelde partij zich door de belaging en met name de bedreiging onveilig voelt. Naar het oordeel van de rechtbank is deze schade een rechtstreeks gevolg van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde. De rechtbank wijst toe dit materiële deel van de vordering, zijnde
89,85.
Ten aanzien van de gevorderde immateriële schadevergoeding van 7.000 is naar het oordeel van de rechtbank voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van onder 1 en 2 bewezenverklaarde. De rechtbank overweegt daartoe dat verdachte een ernstige inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de benadeelde partij door haar te stalken en haar en de kinderen met de dood te bedreigen. Op grond van art. 6:106 van Pro het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij daarom recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade. Door de belaging is de benadeelde partij op andere wijze in de persoon aangetast. De aard en de ernst van deze normschending brengen mee dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor haar zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Uit de vordering van de benadeelde partij en de schriftelijke verklaring blijkt dat het handelen van verdachte een grote impact had op het leven van de benadeelde partij. Ze kampt met spanningsklachten en slaapproblemen. Bij de vaststelling van de hoogte van schadebedrag neemt de rechtbank wel in aanmerking dat ten aanzien van de belaging slechts een klein deel van de ten laste gelegde periode bewezen is verklaard. De rechtbank zal de immateriële schade daarom naar billijkheid begroten op een bedrag van 1.500 en het immateriële deel van de vordering tot dat bedrag toewijzen. Het overige deel van de vordering zal niet-ontvankelijk worden verklaard en kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Inbeslaggenomen goederen
De rechtbank is van oordeel dat de inbeslaggenomen telefoon moeten worden teruggegeven aan verdachte nu het belang van strafvordering zich daartegen niet verzet.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 38v, 38w, 57, 285, 285b van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 240 dagen .

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf
een gedeelte, groot 79 dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op
3 jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of gedurende die proeftijd de hierna te noemen voorwaarden niet heeft nageleefd.
Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.
Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
  • zich meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt de verdachte zich binnen 3 dagen nadat de proeftijd is ingegaan bij de Reclassering Nederland aan de [adres] .
  • deelneemt aan de gedragsinterventie agressie en emotieregulatie van Trajectum of aan een andere gedragstraining die gericht is op agressiebeheersing, te bepalen door de reclassering, zolang Trajectum de training nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de afspraken en aanwijzingen van de trainer.
  • zich laat behandelen door Trajectum of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De behandeling start bij het ingaan van de proeftijd. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling.
  • of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, verblijft in [instelling 2] beschermd wonen aan de [adres] . Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt.
  • op geen enkele wijze direct of indirect contact zoekt of heeft met slachtoffer [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 1994, tenzij dit onder begeleiding plaatsvindt van de hulpverlening en in het belang is van de gezamenlijke kinderen.
  • zich gedurende drie jaren niet bevindt in [plaats 2] . Veroordeelde werkt mee aan elektronisch toezicht op de naleving van het locatieverbod, voor de genoemde periode of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt.
  • op vooraf vastgestelde tijdstippen aanwezig is op het verblijfadres, zolang de reclassering dat nodig vindt. Het locatiegebod geldt op de volgende dagen en tijden: Bij de start dient veroordeelde op doordeweekse dagen met dagbesteding 10 uur op het verblijfadres te zijn. Op doordeweekse dagen zonder opleiding, (vrijwilligers)werk of behandeling is dat 22 uur en op dagen in het weekend 16 uur. De reclassering kan tijdens de proeftijd de dagen en tijden waarop het locatiegebod geldt, al dan niet tijdelijk, verminderen. De reclassering stelt de precieze tijdstippen vast, in overleg met veroordeelde en afhankelijk van de dagbesteding.
Het huidige verblijfadres is [instelling 2] aan de [adres] . Een ander adres voor het locatiegebod is alleen mogelijk als de reclassering daarvoor toestemming geeft.
Veroordeelde werkt mee aan elektronisch toezicht op de naleving van het locatiegebod, voor de genoemde periode of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt.
  • voor een goede werking van het elektronisch toezicht gedurende de duur van het elektronisch toezicht Nederland niet verlaat zonder toestemming van de reclassering.
  • zich inspant voor het vinden en behouden van betaald of onbetaald werk en/of
vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. Indien veroordeelde zelf geen dagbesteding kan organiseren volgt hij het programma van de beschermde woonvorm waar hij verblijft.
Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde:
  • ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
  • medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.
Legt op de maatregeldat de veroordeelde voor de duur van
3 jarenop geen enkele wijze -direct of indirect- contact zal opnemen, zoeken of hebben met slachtoffer [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 1994, tenzij dit onder begeleiding plaatsvindt van de hulpverlening en in het belang is van de gezamenlijke kinderen.
Legt op de maatregeldat de veroordeelde voor de duur van
3 jarenzich niet zal ophouden in [plaats 2] .
Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan het voornoemde contact-en/of locatieverbod wordt voldaan. De duur van de vervangende hechtenis bedraagt 1 week voor iedere keer dat niet aan het contact- en/of locatieverbod wordt voldaan, met een maximum van 6 maanden.
Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.

Beveelt dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is.

Ten aanzien feit 1 en 2.
Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte om aan
[slachtoffer]te betalen:
  • het bedrag van 1.589,85 (zegge: vijftienhonderdnegenentachtig euro en vijfentachtig eurocent);
  • de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 9 februari 2026 tot de dag van algehele voldoening;
  • de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.
Verklaart de vordering van [slachtoffer] voor het overige niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat te betalen een bedrag van 1.589,85 (zegge: vijftienhonderdnegenentachtig euro en vijfentachtig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 februari 2026 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit 89,85 aan materiële schade en 1.500,-- aan immateriële schade.
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 15 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.
Gelast de
teruggaveaan veroordeelde [verdachte] van de in beslag genomen en nog niet teruggegeven telefoon, Samsung (goednummer 910921).
Dit vonnis is gewezen door mr. A. van den Oever, voorzitter, mr. W.S. Sikkema en
mr. M.E. Joha, rechters, bijgestaan door K. de Ruiter, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 28 juli 2026.