ECLI:NL:RBNNE:2026:3121

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
28 juli 2026
Publicatiedatum
29 juli 2026
Zaaknummer
18-315743-24
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SvArt. 14b SvArt. 14c SvArt. 36f SvArt. 57 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor openlijke geweldpleging en mishandeling bij uitgaansincident in Leeuwarden

Op 29 september 2023 ontstond een conflict tussen verdachte, zijn medeverdachte en twee slachtoffers tijdens een uitgaansavond in Leeuwarden. Verdachte en medeverdachte raakten betrokken bij een vechtpartij waarbij slachtoffer 1 meerdere keren werd geslagen en mishandeld, en slachtoffer 2 werd geslagen tijdens een worsteling met verdachte.

De rechtbank sprak verdachte vrij van zware mishandeling en medeplegen van poging tot zware mishandeling, omdat het letsel niet als zwaar lichamelijk letsel werd aangemerkt en er geen nauwe samenwerking tussen verdachte en medeverdachte was vastgesteld. Wel werd bewezen verklaard dat verdachte zich schuldig maakte aan openlijke geweldpleging en mishandeling.

Verdachte voerde noodweer aan, maar de rechtbank verwierp dit omdat hij zich aan de situatie had kunnen onttrekken door weg te lopen. Gezien de ernst van de feiten, de persoon van verdachte en eerdere veroordelingen, legde de rechtbank een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden op met een proeftijd van 2 jaar.

Daarnaast werden schadevergoedingen toegewezen aan beide slachtoffers voor materiële en immateriële schade, met wettelijke rente vanaf de datum van het incident. Verdachte en medeverdachte zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de schade, waarbij betaling door één van beiden de verplichting voor de ander vermindert.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden voor openlijke geweldpleging en mishandeling.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht
Locatie Leeuwarden
parketnummer 18-315743-24
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken van 28 juli 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 2000 te [geboorteplaats] , thans gedetineerd in [instelling] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 14 juli 2026.
Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. K.I.E. Lammers, advocaat te Utrecht. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. A.H.P. Polstra.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1
hij op of omstreeks 29 september 2023 te Leeuwarden, op of aan [adres] en/of
[adres] tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
aan een persoon genaamd [slachtoffer 1] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten (ernstige) schade aan het gebit, te weten een afgebroken (voor)tand en/of één of meer andere beschadigde tanden, waarbij bij één van tanden door (de kracht van)het geweld een zenuw bloot is gelegd (welke hierdoor blijvende schade heeft opgelopen) en/of een (zware) hersenschudding, althans voor welk letsel die [slachtoffer 1] (meermalen) behandeld moest worden in het ziekenhuis en/of bij de tandarts, heeft/hebben toegebracht, door
  • die [slachtoffer 1] meermalen, althans eenmaal in het gezicht te slaan en/of te stompen en/of deze [slachtoffer 1] naar de grond te brengen en/of te duwen en/of (vervolgens)
  • bovenop die [slachtoffer 1] te gaan zitten en/of daarbij vele malen, althans meermalen, in ieder geval eenmaal (met veel kracht) in het gezicht en/of tegen het hoofd van die [slachtoffer 1] te stompen en/of te slaan en/of (vervolgens)
  • terwijl die [slachtoffer 1] nog op de grond lag- meermalen, althans eenmaal tegen de benen van die [slachtoffer 1] te trappen en/of (vervolgens)
  • terwijl die [slachtoffer 1] op zijn knieën was gaan zitten- tweemaal, althans meermalen, in ieder geval eenmaal, (met kracht) tegen de linkerzijde van het hoofd en/of nek van die [slachtoffer 1] te trappen en/of (vervolgens)
  • (met kracht) tegen de linkerzijde van het hoofd van die [slachtoffer 1] te slaan en/of te stompen;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 29 september 2023 te Leeuwarden, op of aan [adres] en/of [adres] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, immers hebben verdachte en/of diens mededader
  • die [slachtoffer 1] meermalen, althans eenmaal in het gezicht geslagen en/of te gestompt en/of deze [slachtoffer 1] naar de grond gebracht en/of te geduwd en/of (vervolgens)
  • bovenop die [slachtoffer 1] gezeten en/of daarbij vele malen, althans meermalen, in ieder geval eenmaal (met veel kracht) in het gezicht en/of tegen het hoofd van die [slachtoffer 1] gestompt en/of geslagen en/of (vervolgens)
  • terwijl die [slachtoffer 1] nog op de grond lag- meermalen, althans eenmaal tegen de benen van die [slachtoffer 1] getrapt en/of (vervolgens)
  • terwijl die [slachtoffer 1] op zijn knieën was gaan zitten- tweemaal, althans meermalen, in ieder geval eenmaal, (met kracht) tegen de linkerzijde van het hoofd en/of nek van die [slachtoffer 1] getrapt en/of (vervolgens)
  • (met kracht) tegen de linkerzijde van het hoofd van die [slachtoffer 1] geslagen en/of gestompt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 29 september 2023 te Leeuwarden openlijk, te weten op of aan [adres] en/of het [adres] , in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer 1] door
- die [slachtoffer 1] meermalen, althans eenmaal in het gezicht te slaan en/of te stompen en/of deze [slachtoffer 1] naar de grond te brengen en/of te duwen en/of (vervolgens)
  • bovenop die [slachtoffer 1] te gaan zitten en/of daarbij vele malen, althans meermalen, in ieder geval eenmaal (met veel kracht) in het gezicht en/of tegen het hoofd van die [slachtoffer 1] te stompen en/of te slaan en/of (vervolgens)
  • terwijl die [slachtoffer 1] nog op de grond lag- meermalen, althans eenmaal tegen de benen van die [slachtoffer 1] te trappen en/of (vervolgens)
  • terwijl die [slachtoffer 1] op zijn knieën was gaan zitten- tweemaal, althans meermalen, in ieder geval eenmaal, (met kracht) tegen de linkerzijde van het hoofd en/of nek van die [slachtoffer 1] te trappen en/of (vervolgens)
  • (met kracht) tegen de linkerzijde van het hoofd van die [slachtoffer 1] te slaan en/of te stompen, terwijl dit door hem gepleegde geweld enig lichamelijk letsel, te weten meerdere beschadigde tanden, althans schade aan het gebit en/of een (zware)hersenschudding en/of een kapotte lip, voor [slachtoffer 1] ten gevolge heeft gehad.
2
hij op of omstreeks 29 september 2023 te Leeuwarden, op of aan [adres] en/of
[adres] alhier, een persoon genaamd [slachtoffer 2] heeft mishandeld door deze
  • naar de grond te trekken en/of brengen en/of
  • meermalen, althans eenmaal (met kracht) in het gezicht en/of tegen hoofd te slaan en/of te stompen.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd van feit 1 primair, omdat er volgens hem geen sprake is van zwaar lichamelijk letsel waardoor zware mishandeling niet bewezen kan worden. De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor feit 1 subsidiair en feit 2. Hij acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van een poging tot zware mishandeling van aangever [slachtoffer 1] en dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan de mishandeling van aangever [slachtoffer 2] . Daartoe heeft de officier van justitie aangevoerd dat verdachte samen met de medeverdachte op pad was en dat ze gezamenlijk in conflict raakten met het groepje van beide aangevers. Ze hebben gelijktijdig geweld uitgeoefend tegen aangever [slachtoffer 1] door hem te slaan. Als verdachte wordt weggetrokken, schopt de medeverdachte aangever [slachtoffer 1] tegen het hoofd. Verdachte werkt aangeefster [slachtoffer 2] tegen de grond, geeft haar een klap tegen het hoofd en slaat daarna aangever [slachtoffer 1] nog een keer. Vervolgens gaan beide verdachten samen weg. Dat is voldoende voor een nauwe en bewuste samenwerking in de zin van medeplegen. Het is een feit van algemene bekendheid dat het hoofd een zeer kwetsbaar en vitaal onderdeel van het menselijk lichaam is. Door op het lichaam van aangever te gaan zitten en harde klappen op het hoofd van aangever [slachtoffer 1] te geven, in combinatie met het schoppen tegen het hoofd door de medeverdachte, heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel op zou lopen. Op de beelden is te zien dat verdachte na te zijn aangevallen, niet wegloopt maar zelf meermalen de confrontatie blijft zoeken. Van een noodweersituatie is volgens de officier van justitie dan ook geen sprake.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw stelt zich eveneens op het standpunt dat er geen sprake is van zwaar lichamelijk letsel en dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 primair ten laste gelegde. De raadsvrouw heeft ook tot vrijspraak geconcludeerd van het subsidiair ten laste gelegde medeplegen van een poging tot zware mishandeling. Daartoe heeft de raadsvrouw betoogd dat verdachte weliswaar enkele malen heeft geslagen, maar dat hij geen (voorwaardelijke) opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.
Het slaan op het hoofd en lichaam levert ook niet automatisch een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel op. Uit het dossier blijkt niet dat de klappen van dien aard waren dat het niet anders kon dan dat er zwaar lichamelijk letsel zou ontstaan. Het moment dat [slachtoffer 1] tegen zijn hoofd werd
geschopt door de medeverdachte kan niet voor rekening komen van verdachte. Hij was toen niet bij [slachtoffer 1] in de buurt. Ten aanzien van de meer subsidiair ten laste gelegde openlijke geweldpleging heeft de raadsvrouw geconcludeerd dat sprake was van een openlijk geweld situatie waarbij verdachte klappen heeft uitgedeeld aan [slachtoffer 1] . Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsvrouw geconcludeerd dat verdachte aangeefster [slachtoffer 2] heeft geslagen, maar dat hij dient te worden vrijgesproken omdat er sprake is van noodweer.
Oordeel van de rechtbank
Feitenvaststelling
Op grond van het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting stelt de rechtbank het volgende vast. In de nacht van 29 september 2023 ontstaat een conflict over het gebruik van een taxi tussen verdachte, die samen met medeverdachte [medeverdachte] op stap is, en aangevers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] die samen met twee vrienden op stap zijn. Op camerabeelden van Stadstoezicht is te zien dat verdachte bij de taxi staat. Hij krijgt eerst van [slachtoffer 2] een duw waardoor hij in de taxi belandt. Verdachte komt echter uit de taxi en dan lijkt [slachtoffer 1] verdachte met slaande en trappende bewegingen terug in de taxi te duwen. Daarna zwenkt de camera weg. Als de camera weer terug zwenkt, bevinden verdachte en [slachtoffer 1] zich op het plein. [slachtoffer 1] loopt met zwaaiende bewegingen op verdachte af.
Verdachte loopt achteruit, gaat stilstaan en maakt met zijn bovenlichaam een schijnbeweging naar voren in de richting van aangever, als een bokser in de ring. [slachtoffer 1] reageert en verdachte stapt achteruit en ontwijkt [slachtoffer 1] . Als er meer ruimte tussen beiden ontstaat, gaat [slachtoffer 1] stil staan en laat hij zijn armen zakken. Op dat moment zet verdachte twee stappen naar voren tot hij vlak voor verdachte staat. [slachtoffer 1] reageert daarop met een slaande beweging en verdachte ontwijkt hem weer. Daarna ontstaat er een gevecht. Er wordt over en weer geslagen en dan brengt verdachte [slachtoffer 1] naar de grond. Als ze op de grond zijn, zit verdachte bovenop [slachtoffer 1] . [medeverdachte] slaat de liggende [slachtoffer 1] en loopt weg. Verdachte blijft op [slachtoffer 1] zitten en slaat [slachtoffer 1] . Aangeefster [slachtoffer 2] staat erbij. Op camerabeelden van een filmende voorbijganger is te zien [slachtoffer 2] tussenbeide wil komen en dat [slachtoffer 2] aan verdachte trekt.
Verdachte zit dan niet meer op [slachtoffer 1] . Verdachte en [slachtoffer 2] raken in een worsteling en verdachte slaat [slachtoffer 2] . Op het moment van de worsteling tussen verdachte en [slachtoffer 2] , zit [slachtoffer 1] achter de rug van verdachte op zijn knieën op de grond en wordt hij tweemaal tegen zijn hoofd geschopt door [medeverdachte] . [slachtoffer 1] heeft door het tegen hem gepleegde geweld een hersenschudding, een wond bij de wenkbrauw en schade aan het gebit opgelopen.
Vrijspraak feit 1 primair, zware mishandeling
De rechtbank acht feit 1 primair niet wettig en overtuigend bewezen, zodat verdachte hiervan zal worden vrijgesproken. De rechtbank is, met de officier van justitie en de raadsvrouw, van oordeel dat het letsel van [slachtoffer 1] niet kan worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel en dat zware mishandeling daarom niet bewezen kan worden.
Vrijspraak feit 1 subsidiair, medeplegen van een poging tot zware mishandeling
Geen medeplegen
De rechtbank ziet zich eerst voor de vraag gesteld of sprake is geweest van een zodanige nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachte dat het op [slachtoffer 1] toegepaste geweld van medeverdachte ook aan verdachte kan worden toegerekend.
Uit de camerabeelden volgt dat verdachte als eerste in een gevecht met aangever [slachtoffer 1] verwikkeld raakt. De medeverdachte gaat zich er later mee bemoeien. Het is de rechtbank niet gebleken dat verdachte en de medeverdachte voorafgaand aan of tijdens de vechtpartij een gezamenlijk plan hadden om [slachtoffer 1] (zwaar) te mishandelen. Ook lijken zij hun handelingen niet op elkaar af te hebben gestemd. Op het moment dat de medeverdachte [slachtoffer 1] sloeg, was verdachte nog in
gevecht met [slachtoffer 1] en bevond hij zich in een zodanige positie dat hij niet heeft kunnen waarnemen dat de medeverdachte geweld tegen [slachtoffer 1] gebruikte. Op het moment waarop de medeverdachte [slachtoffer 1] tweemaal tegen het hoofd schopte, was de confrontatie tussen verdachte en [slachtoffer 1] reeds geëindigd. Verdachte was door aangeefster [slachtoffer 2] bij [slachtoffer 1] weggetrokken en met haar in een afzonderlijke worsteling geraakt. Daarbij stond verdachte met zijn rug naar [slachtoffer 1] toegekeerd en heeft hij de schoppen tegen het hoofd van [slachtoffer 1] door de medeverdachte, niet kunnen zien. Op grond van het voorgaande is rechtbank van oordeel dat de voor medeplegen vereiste voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachte niet is komen vast te staan.
Geen aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel
De rechtbank stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg zoals hier het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aanwezig is als de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden.
De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.
Op grond van wat hiervoor door de rechtbank is vastgesteld en overwogen, is verdachte in gevecht geraakt met aangever [slachtoffer 1] en heeft hij [slachtoffer 1] meermalen geslagen. De rechtbank kan op grond van het dossier en de beelden niet vaststellen met hoeveel kracht verdachte geslagen heeft en waar hij [slachtoffer 1] precies heeft geraakt. De rechtbank is gelet op deze feiten en omstandigheden van oordeel dat niet is komen vast te staan dat er door het slaan van verdachte sprake was van een aanmerkelijke kans op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Dat [slachtoffer 1] hard tegen zijn hoofd is geschopt door de medeverdachte en dat [slachtoffer 1] daardoor mogelijk zwaar letsel had kunnen oplopen, kan niet aan verdachte worden toegerekend nu er naar het oordeel van de rechtbank geen sprake is van medeplegen. De rechtbank zal verdachte daarom van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde medeplegen van poging zware mishandeling vrijspreken.
Bewezenverklaring feit 1 meer subsidiair, openlijke geweldpleging.
Zoals hiervoor is vastgesteld en overwogen, is er door verdachte en de medeverdachte op straat geweld gebruikt tegen aangever [slachtoffer 1] . Verdachte heeft [slachtoffer 1] daarbij meermalen geslagen. De rechtbank is van oordeel dat verdachte aan het gepleegde geweld een wezenlijke bijdrage heeft geleverd. De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan openlijke geweldpleging. Op grond van het dossier en de beelden kan de rechtbank echter niet vaststellen dat verdachte degene is geweest die het lichamelijk letsel aan [slachtoffer 1] heeft toegebracht. Daarom zal de rechtbank verdachte vrijspreken van de ten laste gelegde strafverzwarende omstandigheid, te weten dat het door verdachte gepleegde geweld enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft gehad.
Feit 2, mishandeling
De rechtbank acht op grond van de aangifte van [slachtoffer 2] en de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan mishandeling.
Het verweer dat sprake was van noodweer(exces) zal de rechtbank hierna onder Strafbaarheid van verdachte bespreken.
Bewijsmiddelen
De rechtbank acht feit 1 meer subsidiair en feit 2 wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte deze duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.
Deze opgave luidt als volgt:
de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 14 juli 2026;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 29 september 2023, opgenomen op pagina 17 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummers 2023260143 en 2024005429 d.d. 4 september 2024, inhoudend de verklaring van [slachtoffer 1] ;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 2 oktober 2023, opgenomen op pagina 32 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van [slachtoffer 2] ;
een beeldopname, te weten beveiligingsbeelden van een vaste bewegende beveiligingscamera van Stadstoezicht die hangt op de kruising van [adres] met [adres] en het [adres] te Leeuwarden, bestandsnaam: [bestandsnaam 1] ;
een beeldopname, te weten een videopname gemaakt getuige [getuige] , bestandsnaam: [bestandsnaam 2] .
Het gebruik van de beeldopname als wettig bewijsmiddel stoelt de rechtbank op artikel 567 van Pro het nieuwe Wetboek van Strafvordering1, hetgeen in het kader van de Innovatiewet Strafvordering2(tijdelijk) is toegestaan.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht feit 1 meer subsidiair en feit 2 wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
1
hij op 29 september 2023 te Leeuwarden openlijk op [adres] en/of het [adres] in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1] door
- [ [slachtoffer 1] meermalen in het gezicht te slaan of te stompen en [slachtoffer 1] naar de grond te brengen en
  • bovenop [slachtoffer 1] te gaan zitten en daarbij meermalen in het gezicht en/of tegen het hoofd van [slachtoffer 1] te stompen of te slaan en
  • terwijl [slachtoffer 1] nog op de grond lag, meermalen tegen de benen van [slachtoffer 1] te trappen en
  • terwijl [slachtoffer 1] op zijn knieën was gaan zitten, tweemaal tegen de linkerzijde van het hoofd van [slachtoffer 1] te trappen en
  • tegen de linkerzijde van het hoofd van [slachtoffer 1] te slaan.
2
hij op 29 september 2023 te Leeuwarden op [adres] en/of [adres] een persoon genaamd [slachtoffer 2] heeft mishandeld door deze
  • naar de grond te trekken en
  • in het gezicht of tegen hoofd te slaan.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:
meer subsidiair openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.
mishandeling
Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

Beroep op noodweer(exces)
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte strafbaar is.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft primair bepleit dat er sprake is van noodweer en dat verdachte daarom moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging voor feit 1 en moet worden vrijgesproken voor feit 2. Zij heeft daartoe aangevoerd dat er sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding
.Verdachte werd bij de taxi eerst aangevallen door aangeefster [slachtoffer 2] en daarna door aangever [slachtoffer 1] .
Vervolgens is hij uit de taxi getrokken en werd hij op het plein weer aangevallen door aangever [slachtoffer 1] . Verdachte kon geen kant op. Als hij zou zijn weggelopen, dan was hij door [slachtoffer 1] in zijn rug aangevallen. De reactie van verdachte was binnen de grenzen van proportionaliteit en subsidiariteit. Subsidiair heeft de raadsvrouw bepleit dat er sprake was van noodweerexces.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden zoals eerder vermeld onder het kopje feitenvaststelling.
Op grond van hiervoor vermelde feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de verdediging tegen de aanranding van [slachtoffer 1] niet noodzakelijk was, omdat verdachte zich aan de aanranding had kunnen en moeten onttrekken door weg te gaan. Verdachte stond op een groot en grotendeels leeg
plein en had zich aan de situatie kunnen onttrekken op het moment dat [slachtoffer 1] stil stond en zijn armen liet zakken. Onder die omstandigheden was vluchten een reële en redelijke mogelijkheid, terwijl ook van de verdachte kon worden gevergd dat hij zou vluchten. In plaats van dan weg te lopen, gaat de verdachte juist de confrontatie weer aan door op [slachtoffer 1] af te stappen waarna het gevecht ontstaat waarbij [slachtoffer 1] en verdachte op de grond terecht komen en verdachte [slachtoffer 1] slaat, terwijl hij bovenop [slachtoffer 1] zit. Vervolgens probeert [slachtoffer 2] [slachtoffer 1] te ontzetten door verdachte van [slachtoffer 1] af te trekken waarna verdachte zich op [slachtoffer 2] richt en haar mishandelt. Gelet op het voorgaande wordt het noodweerverweer verworpen. Aan de beoordeling van het noodweerexcesverweer komt de rechtbank niet meer toe.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden.
Standpunt van de verdediging
Bij een bewezenverklaring heeft de raadsvrouw schuldigverklaring zonder oplegging van straf of maatregel bepleit. Verdachte heeft de situatie immers niet doen ontstaan en hij had een klein aandeel in het geweld. Ook is er geen sprake van recidive. Sinds het incident heeft plaatsgevonden, zijn er bijna drie jaar verstreken. In die tussentijd is verdachte voor een ander feit veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf jaar. Een nieuwe straf heeft dan geen toegevoegde waarde meer. Mocht de rechtbank hier niet in meegaan dan heeft de raadsvrouw gepleit voor oplegging van een geheel voorwaardelijke straf.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, de rapportage van de reclassering, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
De ernst van de feiten
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging en mishandeling. Verdachte heeft het slachtoffer van feit 1 meermalen geslagen. Toen het slachtoffer op de grond lag en door verdachte werd geslagen, kwam een vriendin van het slachtoffer tussenbeide. Daarop werd zij door verdachte geslagen (feit 2). Verdachte heeft hiermee inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van beide slachtoffers.
Voor hen is het een stressvolle en ingrijpende ervaring geweest en de rechtbank rekent verdachte dat dan ook aan. Een gebeurtenis als deze brengt bovendien in de maatschappij gevoelens van angst en onveiligheid teweeg. De feiten zijn gepleegd in het centrum van Leeuwarden tijdens een uitgaansavond waardoor verschillende mensen ongevraagd getuige waren van het geweld.
Het strafblad
De rechtbank heeft tevens in aanmerking genomen dat verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
De persoon van verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het reclasseringsadvies over verdachte van 26 februari 2025 dat is opgemaakt ten behoeve van een andere strafzaak tegen verdachte. De rechtbank maakt uit het rapport onder meer op dat verdachte vanaf zijn negentiende in een negatieve spiraal is geraakt waarbij er sprake is van verslavingsproblematiek, een negatief sociaal netwerk, cognitieve tekorten en een procriminele houding. Hoewel verdachte ten tijde van de totstandkoming van het rapport gemotiveerd was om zijn verslavingsproblematiek het hoofd te bieden en mee wilde werken aan een behandeling, wilde hij niet meewerken aan verdiepingsdiagnostiek. De reclassering heeft destijds een straf zonder bijzondere voorwaarden geadviseerd en verdachte is in die strafzaak op 10 juni 2026 door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden wegens een poging doodslag en vuurwapenbezit veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf jaar.
De straf
Alles overwegend komt de rechtbank tot het volgende oordeel. Gelet op de aard en ernst van het bewezenverklaarde en de straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd, zou in beginsel een onvoorwaardelijke straf passend zijn. De rechtbank ziet echter in het tijdsverloop en de reeds door het gerechtshof opgelegde langdurige gevangenisstraf aanleiding daarvan af te wijken en volstaat met het opleggen van een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden met een proeftijd van 2 jaren. Dit als stok achter de deur om verdachte ervan te weerhouden opnieuw (gewelds)delicten te plegen als hij vrijkomt uit de gevangenis.

Benadeelde partij

De volgende personen hebben zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding:
[slachtoffer 1] , ten aanzien van feit 1, een bedrag van 366,06 ter vergoeding van materiële schade en 900,-- ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan;
[slachtoffer 2] , ten aanzien van feit 2, een bedrag van 1.000,-- ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie vordert toewijzing van de gehele vordering van beide benadeelde partijen, alsmede oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat beide benadeelde partijen niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard. Subsidiair is de raadsvrouw van mening dat de vorderingen dienen te worden gematigd wegens een mate van eigen schuld aan de zijde van de benadeelde partijen.
Oordeel van de rechtbank
1.
[slachtoffer 1]
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij de gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1 meer subsidiair bewezen verklaarde. De vordering, waarvan de hoogte onvoldoende door verdachte is betwist, zal daarom worden toegewezen vermeerderd met wettelijke rente vanaf 29 september 2023.
2. [
[slachtoffer 2]
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij de gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 2 bewezen verklaarde. De vordering, waarvan de hoogte onvoldoende door verdachte is betwist, zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 29 september 2023.
Het verweer van de raadsvrouw dat sprake is van eigen schuld van de benadeelde partijen wordt verworpen. Van eigen schuld aan de zijde van de benadeelde partijen in die zin dat de schade mede aan henzelf kan worden toegerekend, is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. Wat er ook zij van het handelen van de slachtoffers bij de eerste confrontatie bij de taxi, de slachtoffers hadden er niet op bedacht hoeven te zijn dat zij nadien in een (openlijk) geweldssituatie terecht zouden komen waarbij met name tegen slachtoffer [slachtoffer 1] veel geweld is uitgeoefend.
De rechtbank stelt vast dat verdachte het onder 1 meer subsidiair bewezenverklaarde feit samen met een ander heeft gepleegd en dat zij naar civielrechtelijke maatstaven hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade. De rechtbank zal daarom bepalen dat verdachte de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen indien zijn medeverdachte deze al heeft betaald, en andersom.
Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank telkens de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partijen tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partijen ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Toepassing van wetsartikelen
De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 63, 141 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder feit 1 primair en subsidiair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 meer subsidiair en 2 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden.
Bepaalt dat deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op
2 jaar, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Ten aanzien van feit 1 meer subsidiair
Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, om aan
[slachtoffer 1]te betalen:
  • het bedrag van 1.266,06 (zegge: twaalfhonderdzesenzestig euro en 6 eurocent);
  • de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 29 september 2023 tot de dag van algehele voldoening;
  • de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.
Legt aan verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer 1] aan de Staat te betalen een bedrag van 1.266,06 (zegge: twaalfhonderdzesenzestig euro en 6 eurocent) vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 september 2023 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit 366,06 aan materiële schade en 900,-- aan immateriële schade.
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 12 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat als verdachte of de mededader voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.
Ten aanzien van feit 2
Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte om aan
[slachtoffer 2]te betalen:
  • het bedrag van 1.000,-- (zegge: duizend euro);
  • de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 29 september 2023 tot de dag van algehele voldoening;
  • de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.
Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer 2] aan de Staat te betalen een bedrag van 1.000 (zegge: duizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 september 2023 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 10 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.E. Joha, voorzitter, mr. H.C.L. Vreugdenhil en
mr. A. van den Oever, rechters, bijgestaan door K. de Ruiter, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 28 juli 2026.
Mr. A. van den Oever is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
1. Vaststelling van het nieuwe Wetboek van Strafvordering (Wetboek van Strafvordering), kamerstukken
36327.
2 Wet van 22 juni 2022 tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering ter bevordering van innovatie van
verschillende onderwerpen in het kader van de modernisering van het Wetboek van Strafvordering (Innovatiewet Strafvordering).