ECLI:NL:RBNNE:2026:3133

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
30 juli 2026
Publicatiedatum
30 juli 2026
Zaaknummer
18/168551-25
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 45 SrArt. 57 SrArt. 63 SrArt. 285 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling poging tot doodslag en wapenbezit na schietincident in woonwijk Emmen

Op 29 mei 2025 vond in Emmen een schietincident plaats waarbij verdachte met een (semi-)automatisch 9mm pistool tien keer schoot op een personenauto met twee inzittenden en op woningen in de nabijheid. De rechtbank achtte bewezen dat verdachte met opzet heeft geprobeerd de inzittenden van de auto en een bewoonster van een woning te doden, en dat hij ook andere buurtbewoners heeft bedreigd en schade aan woningen heeft veroorzaakt.

Het bewijs bestond uit camerabeelden, getuigenverklaringen van slachtoffers en omwonenden, forensisch onderzoek van hulzen en kogelinslagen, en een deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut. Verdachte bekende aanwezig te zijn geweest, maar ontkende aanvankelijk het schieten. De rechtbank verwierp de verdediging en concludeerde dat verdachte vol opzet handelde.

Daarnaast werd bewezen verklaard dat verdachte op 13 juni 2025 heroïne en cocaïne vervoerde, maar niet dat hij deze drugs verkocht of verstrekte. De rechtbank veroordeelde verdachte tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zes jaar, rekening houdend met de ernst van het geweldsdelict, de persoon van verdachte en het reclasseringsadvies. Tevens werden schadevergoedingen toegekend aan drie benadeelde partijen, met een correctie wegens eigen schuld voor twee van hen.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot zes jaar gevangenisstraf voor poging tot doodslag en wapenbezit na schietincident in Emmen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht
Locatie Assen
parketnummer 18/168551-25
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 30 juli 2026 in de zaak van het Openbaar Ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 2003 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] ,
thans gedetineerd te [instelling] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 16 juli 2026.
Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. E.G.S. Roethof, advocaat te Amsterdam. Het Openbaar Ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. H.J. Veen.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 29 mei 2025 te Emmen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, de/een inzittende(n) van een personenauto, te weten [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , althans een (aantal) perso(o)n(en), van het leven te beroven, met een vuurwapen een (aantal) kogel(s) op voornoemde personenauto, waarin zich die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] bevonden, heeft afgevuurd en/of in de richting van die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 29 mei 2025 te Emmen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, de/een inzittende(n) van een personenauto, te weten [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , althans een (aantal) perso(o)n(en), opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met een vuurwapen een (aantal) kogel(s) op voornoemde personenauto, waarin zich die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] bevonden, heeft afgevuurd en/of in de richting van die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2.
hij op of omstreeks 29 mei 2025 te Emmen, althans in Nederland, een wapen van categorie II en/of III van de Wet wapens en munitie, te weten een (semi)- automatisch wapen/pistool van het kaliber 9 mm Parabellum, althans een wapen van categorie II en/of III van de Wet wapens en munitie voorhanden heeft gehad;
3.
hij op of omstreeks 29 mei 2025 te Emmen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer 3] van het leven te beroven, meermalen, althans eenmaal, met een vuurwapen heeft geschoten door/in de richting van (het raam van) de woning aan [adres] , waarbij een of meer kogel(s) het raam en/of het kozijn hebben doorboord, terwijl die [slachtoffer 3] zich in de achter gelegen kamer, althans in de woning bevond, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 29 mei 2025 te Emmen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer 3] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen meermalen, althans eenmaal, met een vuurwapen heeft geschoten door/in de richting van (het raam van) de woning aan [adres] , waarbij een of meer kogel(s) het raam en/of het kozijn hebben doorboord, terwijl die [slachtoffer 3] zich in de achter gelegen kamer, althans in de woning bevond, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 29 mei 2025 te Emmen [slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door meermalen, met een vuurwapen door/in de richting van (het raam/kozijn van) de woning van die [slachtoffer 3] aan [adres] te schieten, in elk geval gedragingen van gelijke bedreigende aard en/of strekking;
4.
hij op of omstreeks 29 mei 2025 te Emmen [slachtoffer 4] , [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door met een vuurwapen door/in de richting van (het raam van) de woning van die [slachtoffer 4] aan [adres] te schieten en/of door/in de richting van (het raam/kozijn van) de woning van die [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] aan [adres] te schieten, in elk geval gedragingen van gelijke bedreigende aard en/of strekking;
5.
hij op of omstreeks 29 mei 2025 te Emmen opzettelijk en wederrechtelijk een of meerdere raam/ramen aan [adres] en/of een kozijn aan [adres] en/of een kozijn aan [adres] , in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] , [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] toebehoorde heeft vernield en/of beschadigd;
6.
hij op of omstreeks 13 juni 2025 te Emmen opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 20,05 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne en/of ongeveer 13,94 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde heroïne en cocaïne, (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het onder 1 primair, 2, 3 primair, 4, 5 en 6 ten laste gelegde, met dien verstande dat ten aanzien van het onder 6 ten laste gelegde ook wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte in cocaïne en heroïne heeft gehandeld.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op gronden zoals verwoord in zijn pleitnota en de aanvullingen daarop primair op het standpunt gesteld dat niet kan worden vastgesteld dat het verdachte is geweest die heeft geschoten, zodat het onder 1 tot en met 5 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen kan worden.
Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde niet kan worden vastgesteld dat verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , dat ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde niet kan worden vastgesteld dat er een aanmerkelijke kans bestond dat [slachtoffer 3] dodelijk zou worden getroffen en dat ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde niet kan worden vastgesteld dat verdachte opzet op de bedreiging had. De raadsman heeft zich ten aanzien van het onder 6 ten laste gelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, met dien verstande dat niet kan worden vastgesteld dat verdachte in drugs
heeft gehandeld.
Oordeel van de rechtbank
Feiten 1 tot en met 5
De rechtbank acht het onder 1 primair, 2, 3 primair, 4 en 5 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven. Ieder bewijsmiddel is ook in onderdelen slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
1.
​De door verdachte ter zitting van 16 juli 2026 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:
Het klopt dat ik op 29 mei 2025 in Emmen op de plek van het schietincident aanwezig was. Ik herken mijzelf op de camerabeelden van [locatie] . Op het moment dat het schieten begon bevond ik mij buiten het zicht van de camera aan de voorzijde van [locatie] . Het klopt dat [naam] en ik de twee personen zijn die zijn te zien op camerabeelden van de woning aan [adres] , net na het schietincident.
2. ​
​Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 1 juni 2025, opgenomen op pagina 31 e.v. (digitaal pagina 32) van het persoonsdossier van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2025140584 (onderzoek Biezenknop / NN3R025058) d.d. 23 oktober 2025, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 1] :
V: Wat is er toen precies gebeurd?
A: Ze [de rechtbank begrijpt: de inzittenden van de witte auto] reden naar [locatie] in Angelslo. We reden achter hun. De witte auto parkeerde bij [locatie] op de parkeerplaats. [slachtoffer 2] [de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 2] ] en ik komen net aanrijden en zien [verdachte] [de rechtbank begrijpt: [verdachte] , verdachte] voor [locatie] staan. Die opende ineens het vuur op ons.
A: De afstand tussen [verdachte] en de auto van ons was 3-6 meter op het moment dat hij begon te schieten.
3. ​
​Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 1 juni 2025, opgenomen op pagina 30 e.v. (digitaal pagina 132) van het persoonsdossier van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 2] :
A: Ik wilde hem achter de grijze auto zetten om te voorkomen dat hij weg kon rijden. Toen ik hem daar achter wilde zetten, zag ik dat ik werd beschoten. Ik keek naar voren en zag flitsen en zag een man op mij schieten.
4. ​
​Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal aangifte d.d. 19 juni 2025, opgenomen op pagina 34 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 3] :
Ik ben bewoner van [adres] te [plaats] . Op 29 mei 2025, omstreeks 19:10 uur, zat ik in de woonkamer meteen achter het raam aan de voorzijde van de woning met de rug naar het raam toe. Ik hoorde ineens een harde knal en stond op. Ik zag toen dat er een groot gat in de bovenzijde van het kunststof kozijn aan de voorzijde van de woning zat. Ik zat ongeveer 50 centimeter onder het kogelgat in een stoel.
5. ​
​Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal aangifte d.d. 19 juni 2025, opgenomen op pagina 31 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 4] :
Ik ben bewoner van [adres] . Ik hoorde van de buren dat er was geschoten en dat er ook kogelgaten in mijn woning zaten. Ik heb toen gekeken en zag dat er een kogelgat in het raam op de begane grond, aan
de voorzijde van de woning zit. De kogel is vervolgens door een binnenmuur gegaan en in een muur bij de eettafel achterin de woning ingeslagen. Op de eerste etage aan de voorzijde van de woning is een kogel door het raam van een slaapkamer gegaan. Deze is vervolgens door een binnendeur gegaan en in het kozijn van de slaapkamerdeur ingeslagen. Mijn dochter zit normaalgesproken veel op de bank in de woonkamer en als ze op was gestaan om te kijken doordat ze bijvoorbeeld een eerste knal hoorde, dan was ze misschien wel geraakt in haar lichaam. Dat idee beangstigd mijn dochter en mij wel. Dit had heel verkeerd kunnen aflopen. Het is op dit moment rustig bij [locatie] , maar als ik daar mensen hoor schreeuwen of ruzie hoor maken, dan ben ik wel extra op mijn hoede.
6. ​
​Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 21 juni 2025, opgenomen op pagina 38 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 5] :
Ik ben bewoner van de woning gelegen aan [adres] te [plaats] . Op 19 juni 2025 in ochtend waren we de ramen aan het schoonmaken aan de voorzijde van de woning. Mijn vrouw ging met een vegertje langs het kozijn en ontdekte toen het gat. Het gat bevindt zich in de bovenzijde van het kunststof deurkozijn aan de voorzijde van de woning.
7. ​
​Een proces-verbaal van verhoor getuige door de rechter-commissaris d.d. 28 april 2026, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 6] :
Mijn zoon en ik zaten voor de TV, ik hoorde en paar knallen. Toen de knallen dus doorgingen ging ik staan en ik zag buiten iemand recht voor mij staan. Ik zag dat hij stond met gestrekte arm. U vraagt wat de afstand was. Ik denk dat het ongeveer 50 meter was. Ik zag dat zijn rechterarm gestrekt was en hij ondersteunde zijn arm ter hoogte van zijn elleboog met zijn andere hand. Hij maakte schietbewegingen. Ik hoorde ook knallen. De man schoot echt gericht op de auto. In de directe omgeving van de persoon met de gestrekte arm heb ik geen andere personen gezien. Wel dus wat mensen bij [locatie] maar er stond dus verder niemand direct naast hem.
8. ​
​Een schriftelijk bescheid, te weten een niet-ondertekend proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 29 mei 2025, opgenomen op pagina 396 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige 1] :
Ik heb de persoon die schoot alleen weg zien rennen. Hij rende weg langs achterzijde [locatie] en ging daar rechtsaf.
9. ​
​Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verdenking d.d. 1 juni 2025, opgenomen op pagina 9 e.v. van het persoonsdossier bij voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [getuige 2] :
Bij [locatie] hing een camera. Om 19.08:28 uur loopt [verdachte] samen met een andere man, met een donkerkleurige gewatteerde jas aan, hierna te noemen NNM1, in de richting van de ingang van [locatie] . Om 19.10 uur loopt [verdachte] weer in beeld. Dan loopt [verdachte] richting de hoek van [locatie] en staat hier op zijn telefoon te kijken. De opname stopt om 19.11:24 uur. Om 19.11:40 uur begint het beeld weer. Om 19.11:48 uur zijn er schoten te horen. De man met de gewatteerde donkerkleurige jas, die eerder bij [verdachte] was, loopt gelijk richting de schoten, de hoek om. De schoten zijn opgehouden voordat hij de hoek om is, deze man kan niet de schutter zijn geweest.

CAMERABEELDEN [adres]

Kort na de schoten is te zien dat een man, waarvan het signalement overeenkomt met NMM1, aangerend komt vanuit de richting van [locatie] . Kort hierna is te zien dat een man, die overeenkomt met het signalement van [verdachte] , aan komt rennen vanuit de richting van [locatie] .
10. ​
​een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 31 mei 2025, opgenomen op pagina 301 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [getuige 2] :
Op 31 mei 2025 bekeek ik de camerabeelden van [adres] in Emmen. De tijd komt overeen met de tijd dat de melding van een schietpartij binnenkomt bij de meldkamer. Op basis hiervan kan gesteld worden dat de tijd van de camerabeelden overeen komt met de werkelijke tijd. Ik zag dat op de beelden de datum 29 mei 2025 en de tijd 19:11:51 uur te zien was. Ik hoorde gelijk als de beelden starten meerdere schoten. Ik zag dat, om 19 12:24 uur, een man, hierna te noemen NNM1, komt aanrennen vanuit de richting van [adres] , de richting van de plaats delict. Ik zag dat NNM1 meerdere keren achteromkijkt. Ik zag dat, om 19:12:40 uur, een man hierna te noemen NNM2, komt aanrennen vanuit de richting van de plaats delict.
Ik zag dat, om 19:12:45 uur, NNM2 van rennen naar looppas gaat en dat hij naar NNM1 loopt. Ik zag dat zij hierna verder liepen in de richting van [adres] .
11. ​
​Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 16 juli 2025, opgenomen op pagina 22 e.v. (digitaal pagina 230) van het persoonsdossier van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [naam] :
V: Op camerabeelden is te zien dat jullie elkaar weer treffen nabij [adres] . We tonen je afbeelding 14+15. A: Wij kwamen elkaar daar weer tegen. [verdachte] liep daar en ik ook.
12. ​
​Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 5 juni 2025, opgenomen op pagina 317 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant] :
Op 5 juni 2025 bekeek ik de gevorderde camerabeelden van [adres] te Emmen. Er zijn tien harde knallen te horen.
13. ​
​Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal forensisch onderzoek plaats delict ( [adres] ) d.d. 11 augustus 2025, opgenomen op pagina van 42 e.v. van het Forensisch Dossier

Schietincident [adres] d.d. 10 oktober 2025, behorend bij voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant] :

Bevindingen

Voor [locatie] , op de stoep, zag ik meerdere pionnen staan. Deze waren, door de collega's, over de hulzen heen gezet (foto's 1 t/m 3) . Ik zag op de bodems van de hulzen het kaliber 9 mm staan. Gelet op voorgaande informatie is door mij de omringende bosschages bij de stoep gezocht naar nog twee hulzen. Deze werden door mij voor en in de bosschages aangetroffen (foto 4). Alle zes hulzen zijn door mij veiliggesteld.
[adres]
Zoals eerder benoemd zou deze woning eenmalig geraakt zijn. Boven de ruit van de woonkamer, welke in de voorgevel gesitueerd is, zag ik in de bovendorpel van het kunststoffen kozijn een ovaalvormig gat op een geschatte hoogte van 210 centimeter (foto 8). In de woonkamer, zag ik in dezelfde bovendorpel een groter gat (foto 9). Gelet op de grootte en vorm van dit gat, kan dit passen bij een uitschot. In de woning, op de vloer, zag ik een deel van een mantel van een projectiel liggen (foto 10) .
Ik zag in de voorgevel twee gaten, één gesitueerd in de ruit van de woonkamer en één in de ruit van de linker slaapkamer op de eerste verdieping (foto 11). De ruit van de woonkamer was dubbel laags en in beide lagen, achtereenvolgend, zat een gat (foto 12). Het gat in de ruit aan de zijde van de openbare weg zat op een gemeten hoogte van 168 cm vanaf de grond gemeten (foto 13). De hoogte van het gat in de achterste ruit, aan de binnenzijde van de woning, zat op een gemeten hoogte van 160 cm vanaf de vloer (foto 14). In het glas, om beide gaten, zag ik concentrische breuklijnen. Bij het gat in het voorste ruit, waren deze concentrische breuken dusdanig smal om het gat, dat het glas melkkleurig was. Gelet op voorgaande kenmerken is dit passend bij een perforatie van het glas door een projectiel met een hoge snelheid. Gelet op de grootte, vorm en kleur van de concentrische breuklijnen is het aannemelijk dat de gaten in de ruit een doorschot betrof waarbij het voorste ruit het inschot betreft.
Achter de ruit hing een grijskleurige vitrage. In deze vitrage, op de hoogte van het doorschot zag ik een gat in de vitrage (foto 15) . Boven de eettafel, op een gemeten hoogte van 148 cm, zag ik een
langwerpige ovaalvormige beschadiging in de muur (foto's 15 t/m 17). Ik zag dat het behang aan de linkerzijde van de beschadiging was opgestroopt. Tevens lag de beschadiging in lijn met de hoogte van het doorschot in het ruit. Het beeld is passend bij de schade van een afgeketste kogel, een zogeheten ricochet. Ik zag dat de bewegingsrichting van rechts naar links was (foto 18). In de achterste wand zag ik een beschadiging in het behang (foto 19). Mogelijk dat het projectiel hier tegen aan geketst is. Op de vloer bij de eettafel, bij een eetkamerstoel, zag ik een gedeelte van de mantel van het projectiel liggen (foto's 21 en 21).
Gezien vanaf deuropening van de linkerkamer op de eerste verdieping was het gat in de ruit, op een gemeten hoogte van 137 cm vanaf de slaapkamervloer, gesitueerd (foto 22). De karakteristieken van dit gat kwamen overeen met de eerdergenoemde karakteristieken en herkende ik het gat als een doorschot. Voor het doorschot stond, op de vloer, een hometrainer. Gezien vanaf de deuropening van de kamer, bevond zich links op de linkerwand een lichtschakelaar (foto 23). Onder deze lichtschakelaar zat er een langwerpige beschadiging in de muur. Ook hier zag ik dat het behang was opengescheurd en dat het aan de linkerzijde van de beschadiging was opgehoopt. Aan de rechterzijde van de beschadiging zag ik een zwartkleurige aftekening tot halverwege de beschadiging. Het beeld is passend bij de schade van een afgeketste kogel, een ricochet (foto 24). Gelet op de beschadiging van het behang op deze plek is het aannemelijk dat de beschadiging veroorzaakt is van rechts naar links. Op de hoogte van deze beschadiging zat in het kozijn van de kamerdeur een beschadiging (foto 25).
14.
​Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal forensisch onderzoek voertuigen d.d. 9 juli 2025, opgenomen op pagina van 78 e.v. van het Forensisch Dossier Schietincident [adres] d.d. 10 oktober 2025, behorend bij voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant] :

Bevindingen Volkswagen Golf ( [kenteken] )

Op het dak zag ik een ricochet beschadiging van 9 centimeter lang (foto's 11 en 12). Het ricochet was ter hoogte van de bijrijdersportier, halverwege het dak, gesitueerd. Door mij zijn de hoek van de ''lead-in'' en ''lead-out'' gemeten. Gelet op het feit dat het materiaal van het dak een zacht materiaal betrof is de hoek van inslag altijd kleiner dan de hoek waaronder het projectiel het oppervlak verlaat. De lead-in betrof een hoek van ongeveer vijf graden. De lead-out betrof een hoek van acht graden. Gelet op het feit dat de lead-out een grotere hoek heeft dan de lead-in zou dit kunnen betekenen dat er haaks, in de richting van het bijrijdersportier, op het voertuig is geschoten.
15. ​
​Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal forensisch onderzoek woning ( [adres] )
d.d. 8 oktober 2025, opgenomen op pagina van 165 e.v. van het Forensisch Dossier Schietincident [adres] d.d. 10 oktober 2025, behorend bij voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant] :
Op zaterdag 21 juni 2025 om 11:40 uur kwamen wij voor forensisch onderzoek aan op de locatie Tammingecamp 46. Wij zagen dat er op het kozijn van de voordeur aan de linkerzijde een beschadiging aanwezig was (foto 2). Wij zagen dat de beschadiging zich op 214 cm vanaf de grond bevond (foto 3). De beschadiging was passend bij een beschadiging die veroorzaakt zou kunnen zijn door een projectiel. Wij zagen aan de achterzijde van het kozijn geen beschadiging. Hierdoor is het aannemelijk dat het projectiel zich aan de binnenzijde van het kozijn bevindt. Omdat het veiligstellen van het projectiel destructief gevolgen zou hebben voor kozijn is deze niet veiliggesteld.
16. ​
​Een schriftelijk bescheid, te wetten een kennisgeving van inbeslagneming d.d. 29 mei 2025, opgenomen op pagina 552 e.v. van voornoemd dossier, voor zover inhoudend:

Inbeslagneming

Locatie: [adres] te Emmen (winkelcentrum) Datum en tijd: 29 mei 2025 om 22:16 uur
Omstandigheden: Naar aanleiding van een melding ter plaatse gegaan naar incident waar verdachten zouden zijn. Bij verdachten fouillering toegepast en vuurwapen aangetroffen in de linkerjaszak.
Beslagene
Voornamen: [slachtoffer 1]
Achternaam: [slachtoffer 1]
Volgnummer 1
Goednummer: PL0100-2025140584-1833426
Uniek Voorwerp Nummer: BZAL9096
17.
​Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal forensisch vooronderzoek lab d.d. 17 juni 2025, opgenomen op pagina van 25 e.v. van het Forensisch Dossier Schietincident [adres] d.d. 10 oktober 2025, behorend bij voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant] :

Sporendragers

Goednummer: PL0100-2025140584-1833426
Uniek Voorwerp Nummer: BZAL9096 SIN: AAAQR0142NL
18. ​
​Een deskundigenrapport (Wapen- en munitieonderzoek naar aanleiding van een schietincident in Emmen op 29 mei 2025) afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Justitie en Veiligheid, zaaknummer 2025.06.20.150, d.d. 10 december 2025, opgemaakt door B. Jacobs, op de door hem/haar afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige, voor zover inhoudend als zijn/haar verklaring:

2 Vraagstelling

Zijn de verschoten hulzen afkomstig uit de aangeboden vuurwapens? Zo niet, is er sprake van één of meerdere andere vuurwapens en wat is hiervan het soort en merk?
4.6
Hulzen [AAOJ3645NL, -46NL, AARS9969NL en -70NL]
Systeemsporen
In de hulzen bevinden zich sporen die veroorzaakt zijn tijdens het verschieten uit een vuurwapen. Zo zijn er sporen te zien van een slagpin, een stootbodem, een hulsuitwerper, een patroontrekkerhaak en de kamer van een loop. De algemene vorm, plaats en grootte van deze systeemsporen passen niet bij de systeemkenmerken van de pistolen [AAQR0142NL, AARZ5445NL, -47NL, -49NL en -51NL], Een vergelijkend onderzoek wordt hierdoor niet uitgevoerd.
Sporen voor vergelijkend onderzoek
In een deel van de systeemsporen bevinden zich kraslijnen en/of oneffenheden die veroorzaakt zijn tijdens het verschieten uit een vuurwapen. Deze sporen zijn geschikt voor vergelijkend huisonderzoek.
5
Vergelijkend onderzoek
5.3
Mogelijk gebruikt(e) vuurwapen(s)
De vorm en de ligging van de systeemsporen in de hulzen vertonen sterke gelijkenis met die van een (semi-) automatisch werkend pistool van het kaliber 9mm Parabellum. Een merk of model kon niet vastgesteld worden.
6
Conclusie
Vraag 1
De vier hulzen [AAOJ3645NL, -46NL, AARS9969NL en -70NL] zijn niet verschoten uit een van de vijf vuurwapens [AAQR0142NL, AARZ5445NL, -47NL, -49NL en -51NL].
Het vergelijkend onderzoek heeft aanwijzingen opgeleverd dat de vier hulzen [AAOJ3645NL, -46NL, AARS9969NL en -70NL] zijn verschoten met één vuurwapen. De sterkte van deze aanwijzingen wordt hieronder verder toegelicht.
Voor de verschillende hulzenparen die te combineren zijn binnen de vier hulzen [AAOJ3645NL, -46NL, AARS9969NL en -70NL], kaliber 9mm Parabellum, zijn de volgende hypothesen beschouwd:
Hypothese 1: De hulzen zijn verschoten met één en hetzelfde vuurwapen.
Hypothese 2: De hulzen zijn verschoten met twee vuurwapens van hetzelfde kaliber en met dezelfde systeemkenmerken.
De resultaten van het vergelijkend huisonderzoek zijn waarschijnlijker wanneer hypothese 1 waar is, dan wanneer hypothese 2 waar is.
Nadere bewijsoverweging
De rechtbank stelt met betrekking tot het onder 1 tot en met 5 ten laste gelegde aan de hand van de bewijsmiddelen het volgende vast.
Algemene bevindingen schietincident
Op 29 mei 2025 heeft aan [adres] in Emmen nabij [locatie] een schietincident plaatsgevonden. Uit de beschrijving van camerabeelden blijkt dat er tien keer is geschoten. Bij [locatie] worden op de stoep en in de omringende bosschages in totaal zes hulzen aangetroffen. Vier hulzen zijn door het NFI nader onderzocht. Aan de hand van de vorm en ligging van de systeemsporen in de vier hulzen blijkt dat dat zij een sterke gelijkenis vertonen met hulzen verschoten met een (semi-)automatisch werkend pistool van het kaliber 9mm. Het NFI concludeert dat het waarschijnlijker is dat de vier hulzen zijn verschoten met één en hetzelfde vuurwapen dan dat zij zijn verschoten met twee vuurwapens van hetzelfde kaliber en met dezelfde systeemkenmerken. In combinatie met de bevinding dat de hulzen in ieder geval niet afkomstig kunnen zijn geweest uit het vuurwapen dat bij [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ) is aangetroffen, en er geen aanwijzingen zijn dat er nog een vuurwapen op of bij de plaats delict is gebruikt, is de gevolgtrekking gerechtvaardigd dat de vier hulzen zijn verschoten met één en hetzelfde
(semi-)automatische vuurwapen met een kaliber van 9mm.
Ongeveer tien minuten na het schietincident worden in de wijk door de politie [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2] ) aangetroffen bij een Volkswagen Golf. [slachtoffer 1] heeft verklaard dat hij bij bestuurder [slachtoffer 2] in de Volkswagen Golf zat en dat hij, [slachtoffer 1] , terwijl zij kwamen aanrijden bij [locatie] , verdachte voor [locatie] zag staan en dat verdachte ineens op hun auto begon te schieten. Tijdens forensisch onderzoek aan de auto waarin [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zaten is halverwege het dak, ter hoogte van het bijrijdersportier, een ricochetbeschadiging van 9 centimeter aangetroffen. De onderzoeker concludeert op basis van het sporenbeeld dat dit zou kunnen betekenen dat er haaks, in de richting van het bijrijdersportier, op de auto is geschoten. Naast een ricochetbeschadiging op het dak van de auto zijn er kogelinslagen aangetroffen in een drietal woningen aan [adres] , gelegen aan de overzijde van [locatie] . Bij huisnummer [nummer] is zowel een gat door het dubbelglas van de woonkamer als door het dubbelglas van de slaapkamer op de eerste etage aangetroffen. Bij huisnummer [nummer] is een beschadiging passend bij de inslag van een projectiel vastgesteld in het kozijn van de voordeur. Bij huisnummer [nummer] is in de bovendorpel van het kunststoffen kozijn van het woonkamerraam zowel aan de binnen- als buitenzijde een gat aangetroffen. Op de vloer in de woonkamer is een deel van een mantel van een projectiel aangetroffen.
Uit de beschrijving van de camerabeelden van de voorzijde van [locatie] blijkt dat verdachte zich daar kort voor het schietincident, tot 19.11:24 uur, bevond. Op dat moment eindigt dit camerabeeld. Vanaf zestien seconden later, om 19.11:40 uur, zijn weer beelden van deze camera beschikbaar. Vanaf 19.11:48 uur zijn de schoten te horen. Op het moment dat de schoten zijn te horen is [naam] (hierna: [naam] ) nog in beeld van deze camera en is te zien dat [naam] niet aan het schieten is. [naam] rent vervolgens van de rechterzijde naar de linkerzijde van het beeld en verdwijnt daar uit beeld. Verdachte is vanaf het moment dat de camerabeelden weer gaan lopen om 19.11:40 niet meer in beeld en ook nadat het schietincident is geëindigd niet meer zichtbaar op deze camerabeelden. Uit de beschrijving van de camerabeelden van een woning aan [adres] , aan de andere kant van [locatie] , en hetgeen daarover door verdachte is verklaard kan worden vastgesteld dat kort nadat de schoten te horen zijn geweest twee personen, te weten verdachte en [naam] , komen aanrennen vanuit de richting van de plaats delict.
Is er door meer dan één persoon geschoten?
Verdachte heeft, overigens eerst nadat het einddossier gereed was, verklaard dat vanuit de auto waarin [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zaten door [slachtoffer 1] drie keer op hen is geschoten, waarna is
teruggeschoten door een persoon die naast verdachte bij [locatie] stond en wiens naam verdachte niet wil noemen. Getuige [getuige 3] (hierna: [getuige 3] ) heeft naderhand bij de rechter-commissaris een soortgelijke verklaring afgelegd.
De rechtbank stelt vast dat de verklaring van verdachte, dat op hem is geschoten vanuit de auto, verder op geen enkele wijze steun vindt in het dossier. Uit het forensisch onderzoek blijkt dat er enkel kogelinslagen zijn aangetroffen in woningen tegenover de voorzijde van [locatie] , hetgeen past bij een scenario waarbij er vanaf de plek waarop de camera van [locatie] was gericht in de richting van die woningen is geschoten. Er zijn daarentegen geen kogelinslagen aangetroffen in of rondom [locatie] , noch enige andere aanwijzing dat er ook vanaf de tegenovergestelde richting is geschoten. Zoals hierboven al overwogen zijn er bovendien slechts op één plek, op de stoep en in de bosschages bij de voorzijde van [locatie] , hulzen aangetroffen. De vier onderzochte hulzen zijn, zo heeft de rechtbank eerder al geconcludeerd, buiten redelijke twijfel met hetzelfde vuurwapen verschoten en dat kan niet het vuurwapen zijn geweest dat kort daarna bij [slachtoffer 1] is aangetroffen. De rechtbank wijst er overigens op dat er in de auto van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] geen hulzen zijn aangetroffen of enige andere indicatie is gevonden dat er (ook) vanuit die auto geschoten is.
De forensische bevindingen ondersteunen daarmee een scenario waarbij er enkel schoten zijn gelost, met gebruikmaking van één vuurwapen, vanaf de voorzijde van [locatie] in de richting van [adres] . Hierbij past ook de verklaring van de getuige [slachtoffer 6] (hierna: [slachtoffer 6] ) bij de rechter-commissaris, die heeft verklaard dat zij een man met gestrekte arm gericht heeft zien schieten op een auto en dat er niemand direct naast deze man stond.
De verklaring van [getuige 3] schuift de rechtbank als onbetrouwbaar terzijde. De rechtbank merkt in dit kader op dat zijn verklaring geen steun vindt in de hierboven besproken objectieve onderzoeksbevindingen en dat verbalisanten [getuige 3] kort na het schietincident op de plek waar de hulzen zijn aangetroffen schopbewegingen heeft zien maken, waarbij zij vermoedden dat dit was om de hulzen weg te schoppen, wat past bij het feit dat er een aantal hulzen in de bosjes zijn teruggevonden. Verder heeft [getuige 3] verklaard dat hij en verdachte bevriend zijn en dat hij door verdachte op de hoogte is gebracht dat hij, [getuige 3] , is opgeroepen om bij de rechter-commissaris te worden gehoord.
De rechtbank concludeert op basis van het voorgaande dat er door één persoon vanuit de richting van [locatie] tien keer is geschoten in de richting van de getroffen woningen aan [adres] . Uit de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , de camerabeelden van [locatie] en de bevindingen met betrekking tot de ricochetinslag op het dak van hun auto, volgt bovendien dat zij zich in de baan van deze schoten hebben bevonden.
Heeft verdachte geschoten?
De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaring van [slachtoffer 1] , inhoudende dat het verdachte is geweest die heeft geschoten. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat [slachtoffer 1] deze verklaring vanaf het eerste moment heeft afgelegd en dat hij verdachte kent, zodat hij verdachte ten tijde van het schietincident ook kon herkennen.
De verklaring van [slachtoffer 1] vindt bovendien steun in andere bewijsmiddelen. Verdachte heeft zelf verklaard dat hij zich op het moment van de schietpartij bevond op de plek van waaraf is geschoten. Getuige [slachtoffer 6] heeft, zoals al opgemerkt, verklaard dat zij, op die plek en op dat moment, bij de schutter geen andere personen heeft gezien. Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat de schutter na het schieten via de achterzijde van [locatie] is weggerend en op camerabeelden van [adres] is te zien dat
verdachte en [naam] kort na de schietpartij vanuit de richting van de plaats delict komen aanrennen. Zoals reeds overwogen staat vast dat [naam] niet de persoon kan zijn geweest die heeft geschoten.
De rechtbank stelt op basis van het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, buiten redelijke twijfel vast dat het verdachte is geweest die op 29 april 2025 in Emmen tienmaal met een vuurwapen heeft geschoten op het voertuig met daarin [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] .
De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld hoe het handelen van verdachte in het licht van het onder 1 tot en met 5 ten laste gelegde gekwalificeerd dient te worden.
Feit 1
De rechtbank stelt vast dat verdachte, terwijl hij wist dat zich meerdere personen in de auto bevonden, vanaf korte afstand van die auto meermalen gericht in de richting van het passagierscompartiment heeft geschoten. Dat laatste volgt uit de plek waarop de ricochetbeschadiging is aangetroffen, namelijk halverwege de bovenzijde van het dak ter hoogte van het bijrijdersportier, dus vlak boven het hoofd van [slachtoffer 1] . Bovendien zijn drie van de kogelinslagen in de daarachter gelegen woningen aangetroffen op de begane grond, ongeveer op ooghoogte.
Naar het oordeel van de rechtbank kan onder deze omstandigheden geen andere conclusie worden getrokken dan dat het handelen van verdachte was gericht op het doden van de inzittenden. Het meermalen afvuren van kogels op borst- en hoofdniveau in een afgesloten voertuig waarin zich personen bevinden is naar zijn uiterlijke verschijningsvorm zozeer op het veroorzaken van hun dood gericht, dat de rechtbank daaruit afleidt dat verdachte die dood daadwerkelijk heeft gewild. Van contra-indicaties is de rechtbank niet gebleken.
De rechtbank stelt daarmee vast dat verdachte vol opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en acht de onder 1 primair ten laste gelegde poging tot doodslag wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna bewezenverklaard.
Feit 2
Uit forensisch onderzoek aan de aangetroffen hulzen is gebleken dat zij een sterke gelijkenis vertonen met hulzen verschoten met een (semi-)automatisch werkend pistool van het kaliber 9mm. Dat moet dus het type en kaliber vuurwapen zijn geweest dat door verdachte is gebruikt. De rechtbank acht daarmee het onder 2 ten laste gelegde vuurwapenbezit wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna bewezenverklaard.
Feit 3
De rechtbank stelt vast dat verdachte met een vuurwapen heeft geschoten op een auto terwijl zich achter die auto meerdere woningen bevonden. Eén kogel heeft de bovendorpel van het raamkozijn van een woonkamer doorboord, terwijl de bewoonster van die woning, [slachtoffer 3] , op dat moment in een stoel bij dat raam zat. In de woonkamer is een deel van de mantel van het projectiel aangetroffen.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte zich willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat als gevolg van zijn handelen [slachtoffer 3] zou overlijden en deze kans bewust
aanvaard. Door overdag, op een moment dat de bewoners naar logischerwijs valt te verwachten thuis zijn, tien keer in de richting van een rij woningen te schieten, heeft verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans in het leven geroepen dat één of meer van de bewoners door kogels zou worden getroffen. In dit geval heeft de kogel bij de woning van [slachtoffer 3] de bovendorpel van het raamkozijn doorboord en bij buren hebben kogels het dubbelglas van ramen doorboord. Hieruit leidt de rechtbank af dat de door verdachte afgevuurde kogels nog steeds over voldoende kracht beschikten om, indien deze [slachtoffer 3] hadden geraakt, dodelijk letsel te veroorzaken. Ook de kans dat één van de bewoners van de woningen zou komen te overlijden acht de rechtbank daarmee aanmerkelijk en door toch te schieten op de manier waarop hij heeft gedaan, heeft verdachte ook die kans bewust aanvaard. Van contra-indicaties is de rechtbank niet gebleken.
De rechtbank stelt daarmee vast dat verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer 3] en acht de onder 3 primair ten laste gelegde poging tot doodslag wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna bewezenverklaard.
Feit 4
De rechtbank stelt voorop dat voor een veroordeling voor bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht is vereist dat de bedreigde daadwerkelijk op de hoogte is geraakt van de bedreiging en dat door de bedreiging, gelet op de aard daarvan en de omstandigheden waaronder deze heeft plaatsgevonden, bij de betrokkene in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat deze het leven zou kunnen verliezen en dat het opzet van de verdachte daarop was gericht.
De rechtbank stelt vast dat de bewoners van huisnummers [nummer] en [nummer] daadwerkelijk op de hoogte zijn geraakt van de beschieting van hun woning en een dergelijk feit heeft naar haar uiterlijke verschijningsvorm een evident intimiderend en levensbedreigend karakter.
Door doelbewust met een vuurwapen te schieten op een auto terwijl zich achter die auto meerdere woningen bevinden die door kogels zijn geraakt heeft verdachte zich willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat de bewoners kennis zouden nemen van de beschieting en daardoor in redelijkheid zouden vrezen voor hun leven. Deze kans is naar haar aard aanmerkelijk en verdachte heeft die, gelet op de uiterlijke verschijningsvorm van zijn gedragingen en bij gebreke van contra-indicaties, bewust aanvaard.
De rechtbank acht het onder 4 ten laste gelegde daarmee wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna bewezenverklaard.
Feit 5
Door het handelen van verdachte heeft verdachte ramen aan [adres] vernield en kozijnen aan [adres] en [nummer] beschadigd. De rechtbank acht het onder 5 ten laste gelegde daarmee wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna bewezenverklaard.
Feit 6
De rechtbank acht het onder 6 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de
rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.
Deze opgave luidt als volgt:
de bekennende verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 16 juli 2026;
een schriftelijk bescheid, te weten een kennisgeving van inbeslagneming d.d. 13 juni 2025, opgenomen op pagina 606 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2025140584 (onderzoek Biezenknop / NN3R025058) d.d. 23 oktober 2025;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal vooronderzoek lab d.d. 30 oktober 2025, opgenomen op pagina 19 e.v. (digitaal) van de aanvulling op het Forensisch Dossier Schietincident [adres]
d.d. 7 januari 2026, behorend bij voornoemd dossier;
4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal onderzoek verdovende middelen d.d. 10 november 2025, opgenomen op pagina 1 e.v. van een aanvullend proces-verbaal behorend bij voornoemd dossier, inhoudend het relaas van verbalisanten [verbalisant] , [verbalisant] en [verbalisant] ;
5. een schriftelijk bescheid, te weten een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Justitie en Veiligheid, zaaknummer 2025.10.28.122 (aanvraag 005) d.d. 28 oktober 2025, opgemaakt door ing. L.I. Stuyver op de door hem/haar afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige, opgenomen op pagina 9 (digitaal) van een aanvullend proces-verbaal behorend bij voornoemd dossier;
6. een schriftelijk bescheid, te weten een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Justitie en Veiligheid, zaaknummer 2025.10.28.122 (aanvraag 004) d.d. 28 oktober 2025, opgemaakt door ing. L.I. Stuyver op de door hem/haar afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige, opgenomen op pagina 10 (digitaal) van een aanvullend proces-verbaal behorend bij voornoemd dossier;
7. een schriftelijk bescheid, te weten een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Justitie en Veiligheid, zaaknummer 2025.10.28.122 (aanvraag 003) d.d. 28 oktober 2025, opgemaakt door ing. L.I. Stuyver op de door hem/haar afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige, opgenomen op pagina 11 (digitaal) van een aanvullend proces-verbaal behorend bij voornoemd dossier;
8. een schriftelijk bescheid, te weten een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Justitie en Veiligheid, zaaknummer 2025.10.28.122 (aanvraag 001) d.d. 28 oktober 2025, opgemaakt door ing. L.I. Stuyver op de door hem/haar afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige, opgenomen op pagina 12 (digitaal) van een aanvullend proces-verbaal behorend bij voornoemd dossier;
9. een schriftelijk bescheid, te weten een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Justitie en Veiligheid, zaaknummer 2025.10.28.122 (aanvraag 002) d.d. 28 oktober 2025, opgemaakt door ing. L.I. Stuyver op de door hem/haar afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige, opgenomen op pagina 13 (digitaal) van een aanvullend proces-verbaal behorend bij voornoemd dossier;
10. een schriftelijk bescheid, te weten een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Justitie en Veiligheid, zaaknummer 2025.10.28.122 (aanvraag 006) d.d. 28 oktober 2025, opgemaakt door ing. L.I. Stuyver op de door hem/haar afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige, opgenomen op pagina 14 (digitaal) van een aanvullend proces-verbaal behorend bij voornoemd dossier.
Bewijsoverweging feit 6
De rechtbank kan op basis van het dossier niet vaststellen dat verdachte op 13 juni 2025 cocaïne en/of heroïne heeft verkocht, heeft afgeleverd of heeft verstrekt, zodat verdachte van die onderdelen van de tenlastelegging zal worden vrijgesproken. De rechtbank acht wél wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op voornoemde datum cocaïne en heroïne heeft vervoerd.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht het onder 1 primair, 2, 3 primair, 4, 5 en 6 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
1. primair
hij op 29 mei 2025 te Emmen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, de inzittenden van een personenauto, te weten [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , van het leven te beroven, met een vuurwapen kogels op voornoemde personenauto, waarin zich die [slachtoffer 1] en die [slachtoffer 2] bevonden, heeft afgevuurd en in de richting van die [slachtoffer 1] en die [slachtoffer 2] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2.​
hij op 29 mei 2025 te Emmen een wapen van categorie II of III van de Wet wapens en munitie, te weten een (semi)-automatisch pistool van het kaliber 9 mm, voorhanden heeft gehad;
3. primair
hij op 29 mei 2025 te Emmen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer 3] van het leven te beroven, meermalen met een vuurwapen heeft geschoten in de richting van het raam van de woning aan [adres] , waarbij een kogel het kozijn heeft doorboord, terwijl die [slachtoffer 3] zich in de achtergelegen kamer bevond, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
4.​
hij op 29 mei 2025 te Emmen [slachtoffer 4] , [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door met een vuurwapen door het raam van de woning van die [slachtoffer 4] aan [adres] te schieten en door in het kozijn van de woning van die [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] aan [adres] te schieten;
5.​
hij op 29 mei 2025 te Emmen opzettelijk en wederrechtelijk ramen aan [adres] heeft vernield en kozijnen aan [adres] en [adres] heeft beschadigd, die aan een ander, te weten aan [slachtoffer 4] , [slachtoffer 3] , [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] , toebehoorden;
6.​
hij op 13 juni 2025 te Emmen opzettelijk heeft vervoerd 20,05 gram van een materiaal bevattende heroïne en 13,94 gram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde heroïne en cocaïne, telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:
primair poging tot doodslag, meermalen gepleegd
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie
primair poging tot doodslag
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen of beschadigen, meermalen gepleegd
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod
Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes jaren.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit om, in geval de rechtbank tot een bewezenverklaring van de feiten komt, meer dan de officier van justitie rekening te houden met de jonge leeftijd van verdachte. Verdachte is daarnaast niet eerder veroordeeld voor een schietincident of voor grove geweldsfeiten.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en uit het reclasseringsadvies van 11 november 2025, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich op 29 mei 2025 op klaarlichte dag schuldig gemaakt aan een zeer ernstig geweldsdelict door in een woonwijk tienmaal met een (semi-)automatisch vuurwapen te schieten. Daarbij heeft hij gericht geschoten op de twee inzittenden van een voertuig en heeft één van de kogels een dorpel boven een achterliggend woonkamerraam doorboord, terwijl de bewoonster zich op dat moment vlakbij
dat raam in de woonkamer bevond. Verdachte heeft zich daarmee schuldig gemaakt aan poging tot doodslag op de twee inzittenden van het voertuig en aan poging tot doodslag op bewoonster van de woning. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan de bedreiging van twee andere buurtbewoners en het veroorzaken van schade aan woningen, doordat kogels in die woningen terecht zijn gekomen. Kort voor zijn aanhouding heeft verdachte zich ontdaan van gripzakjes cocaïne en heroïne.
Met zijn handelen heeft verdachte op uiterst grove wijze blijk gegeven van een volstrekt gebrek aan respect voor het menselijk leven en de lichamelijke integriteit van anderen. Dergelijk vuurwapengeweld veroorzaakt bovendien grote gevoelens van angst en onveiligheid, niet alleen bij de directe slachtoffers, maar ook bij de bewoners van de wijk. De wetenschap dat kogels woningen zijn binnengedrongen tast het veiligheidsgevoel van omwonenden ernstig aan. De ervaring leert dat slachtoffers en omwonenden de psychische gevolgen van dergelijke gebeurtenissen vaak nog lange tijd met zich meedragen.
De rechtbank rekent verdachte deze feiten dan ook zwaar aan. Dat er geen dodelijke slachtoffers zijn gevallen doet aan de ernst van de feiten niet af en is geenszins aan verdachte te danken geweest.
Persoon van verdachte
Uit het reclasseringsadvies volgt dat zij het recidiverisico inschat als gemiddeld. De reclassering signaleert als risicoverhogende factoren het ontbreken van een dagbesteding en het ontbreken van een (legale) inkomstenbron. Verdachte bevindt zich in een negatief sociaal netwerk en gelet op eerdere justitiecontacten laat verdachte antisociale gedragingen zien die de reclassering zorgelijk acht. In geval van een veroordeling ziet de reclassering een zorgelijke ontwikkeling met betrekking tot de toename van de ernst van de delicten die verdachte pleegt. Mogelijk is er sprake van onderliggende psychische problematiek, waarvoor nader onderzoek geïndiceerd is. Verdachte heeft bij de reclassering echter aangegeven mee te willen werken aan reclasseringstoezicht, maar niet aan het uitvoeren van diagnostiek en eventueel daaruit voortvloeiende behandeling of training. Desalniettemin adviseert de reclassering om bij een voorwaardelijk strafdeel daarop toegespitste bijzondere voorwaarden op te leggen.
Verdachte was 22 jaar oud toen hij het bewezen verklaarde pleegde. Het Wetboek van Strafrecht geeft de rechtbank de mogelijkheid om rekening te houden met de jeugdige leeftijd van verdachten en het jeugdstrafrecht toe te passen.
De rechtbank ziet, overeenkomstig het advies van de reclassering, geen aanleiding om toepassing te geven aan het jeugdstrafrecht. Verdachte was ten tijde van het plegen van de feiten meerderjarig en uit het reclasseringsrapport blijkt niet van omstandigheden die maken dat, gelet op de persoonlijkheid van verdachte of de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan, toepassing van het jeugdstrafrecht aangewezen is. De rechtbank zal daarom het volwassenenstrafrecht toepassen.
Straf
Gelet op de ernst van de feiten kan de rechtbank niet anders dan volstaan met de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.
Gelet op alle hiervoor aangehaalde omstandigheden omtrent de ernst van de feiten en de persoon van verdachte, alsmede kijkend naar straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd, acht de rechtbank
de door de officier van justitie geëiste gevangenisstraf voor de duur van zes jaren, passend en geboden. De rechtbank zal deze straf daarom aan verdachte opleggen, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.
Gelet op de duur van de gevangenisstraf die de rechtbank passend en geboden acht, biedt de wet geen mogelijkheid hiervan een deel voorwaardelijk op te leggen zodat daarbij bijzondere voorwaarden kunnen worden opgelegd.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van Pro het Wetboek van Strafvordering.
Namens slachtoffer [slachtoffer 2] is verzocht aan verdachte de maatregel van een contactverbod als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht op te leggen. De rechtbank zal deze maatregel niet aan verdachte opleggen. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat aan verdachte een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf wordt opgelegd, waardoor gedurende langere tijd geen contact tussen verdachte en het slachtoffer mogelijk zal zijn. Ook overigens zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die maken dat, ter beveiliging van het slachtoffer of ter voorkoming van strafbare feiten, een vrijheidsbeperkende maatregel is aangewezen.

Benadeelde partijen

De volgende personen hebben zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding:
[slachtoffer 1] , tot een bedrag van 10.000,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan;
[slachtoffer 2] , tot een bedrag van 1.245,20 ter vergoeding van materiële schade en 6.250,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan;
[slachtoffer 3] , tot een bedrag van 3.000,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van [slachtoffer 1] in zijn vordering, omdat deze onvoldoende onderbouwd is. De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vorderingen van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] , vermeerderd met wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk in zijn vordering dient te worden verklaard, omdat deze onvoldoende onderbouwd is. De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat [slachtoffer 2] eveneens niet-ontvankelijk in zijn vordering dient te worden verklaard. Het bestaan van geestelijk letsel is onvoldoende onderbouwd en daarnaast is er sprake van eigen schuld aan de zijde van de benadeelde. Dit dient in een civielrechtelijke procedure gewogen te worden. De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ter zake de vordering van [slachtoffer 3] .
Oordeel van de rechtbank
Algemeen
De rechtbank heeft bewezenverklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot doodslag op de benadeelde partijen. Een dergelijk levensdelict vormt een ernstige aantasting van de lichamelijke integriteit en de persoonlijke levenssfeer van de slachtoffers. Dat de benadeelde partijen als gevolg daarvan immateriële schade hebben geleden ligt dan ook zo voor de hand dat het bestaan van die schade kan worden aangenomen, ook zonder dat deze uitvoerig is onderbouwd. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de benadeelde partijen aanspraak kunnen maken op vergoeding van immateriële schade als bedoeld in artikel 6:106 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW).
Eigen schuld [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]
De rechtbank leidt uit het dossier af dat in de middag voorafgaand aan het schietincident een confrontatie heeft plaatsgevonden tussen onder meer [slachtoffer 1] en verdachte. Verdachte zou tijdens deze confrontatie de auto van [slachtoffer 1] hebben beschadigd. [slachtoffer 1] heeft rond 17.55 uur via Snapchat aan [slachtoffer 2] laten weten dat het oorlog is en dat [slachtoffer 2] een (kogelwerend) vest moest brengen. Uit camerabeelden van [locatie] blijkt dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] daar rond
18.25
uur opduiken en daar, zo is te horen, op zoek zijn naar verdachte. Rond 19.10 uur zetten [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] een achtervolging in op een voertuig waarvan zij vermoeden dat de inzittenden nauwe contacten zijn van verdachte, waarna de achtervolging eindigt bij [locatie] alwaar er door verdachte op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] wordt geschoten. Kort na het schietincident worden [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] door de politie aangehouden. [slachtoffer 1] draagt op dat moment een doorgeladen vuurwapen bij zich en [slachtoffer 2] draagt een kogelwerend vest.
Hoewel deze omstandigheden het handelen van verdachte geenszins rechtvaardigen, ziet de rechtbank aanleiding om ten aanzien van het door [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] gevorderde bedrag aan immateriële schade een eigen schuld-correctie toe te passen, als bedoeld in artikel 6:101 BW Pro, nu zij overduidelijk de confrontatie (mede) hebben opgezocht en berekend waren op een (zeer) gewelddadig treffen.
Wat betreft de vorderingen van de benadeelde partijen komt de rechtbank tot de volgende beoordeling.
[slachtoffer 1] feit 1 primair
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1 primair bewezen verklaarde. Gebruikmakend van haar schattingsbevoegdheid ex artikel 6:97 BW Pro en rekening houdend met het aandeel eigen schuld, schat de rechtbank de hoogte van de schade op 3.000,00. De rechtbank zal de vordering tot dit bedrag toewijzen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 29 mei 2025, en voor het overige deel afwijzen.
Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
[slachtoffer 2] feit 1 primair
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij de gestelde materiële schade met betrekking de auto van 1.245,20 heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1 primair bewezen verklaarde.
Naar het oordeel van de rechtbank is eveneens voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1 primair bewezen verklaarde. Gebruikmakend van haar schattingsbevoegdheid ex artikel 6:97 BW Pro en rekening houdend met het aandeel eigen schuld schat de rechtbank de hoogte van de schade op 3.000,00.
De rechtbank zal de vordering toewijzen tot een bedrag van 4.245,20, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 29 mei 2025, en voor het overige deel afwijzen.
Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
[slachtoffer 3] feit 3 primair
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij de gestelde immateriële schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 3 primair bewezen verklaarde. De vordering, waarvan de hoogte niet door de verdediging is betwist, zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 29 mei 2025.
Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f, 45, 57, 63, 285, 287 en 350 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens munitie en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel
ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het onder 1 primair, 2, 3 primair, 4, 5 en 6 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.
Ten aanzien van 1 primair benadeelde partij [slachtoffer 1]
Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte om aan [slachtoffer 1] te betalen:
  • het bedrag van 3.000,00 (zegge: drieduizend euro), bestaande uit immateriële schade;
  • de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 29 mei 2025 tot de dag van algehele voldoening;
  • de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.
Wijst de vordering van [slachtoffer 1] voor het overige af.
Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer 1] aan de Staat te betalen een bedrag van 3.000,00 (zegge: drieduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 mei 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 30 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.
Ten aanzien van 1 primair benadeelde partij [slachtoffer 2]
Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte om aan [slachtoffer 2] te betalen:
  • het bedrag van 4.245,20 (zegge: vierduizend tweehonderdvijfenveertig euro en twintig eurocent), bestaande uit 1.245,20 aan materiële schade en 3.000,00 aan immateriële schade;
  • de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 29 mei 2025 tot de dag van algehele voldoening;
  • de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.
Wijst de vordering van [slachtoffer 2] voor het overige af.
Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer 2] aan de Staat te betalen een bedrag van 4.245,20 (zegge: vierduizend tweehonderdvijfenveertig euro en twintig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 mei 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit 1.245,20 aan materiële schade en 3.000,00 aan immateriële schade.
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 42 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.
Ten aanzien van 3 primair benadeelde partij [slachtoffer 3]
Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte om aan [slachtoffer 3] te betalen:
  • het bedrag van 3.000,00 (zegge: drieduizend euro), bestaande uit immateriële schade;
  • de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 29 mei 2025 tot de dag van algehele voldoening;
  • de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.
Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer 3] aan de Staat te betalen een bedrag van 3.000,00 (zegge: drieduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 mei 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 30 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.
Dit vonnis is gewezen door mr. J. van Bruggen, voorzitter, mr. G. Veenstra en mr. L.M. Praamstra, rechters, bijgestaan door mr. R. de Boer, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 30 juli 2026.
Mr. L.M. Praamstra is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.