Eiseres is sinds 2017 eigenaar van een woning met een schuur die schade heeft opgelopen door mijnbouwactiviteiten. Na een eerdere schadevergoeding aan de voormalig eigenaar, diende eiseres een aanvraag in voor vergoeding van mijnbouwschade. Het Instituut Mijnbouwschade Groningen kende een vergoeding toe, maar eiseres maakte bezwaar tegen de hoogte en de voorgestelde herstelmethode.
Deskundigen van het Instituut stelden dat de schade aan de schuur een autonome oorzaak had, maar erkenden een mogelijke verergering door mijnbouw. Eiseres overhandigde een contra-expertise en een offerte die een ingrijpender herstel voorstelden, inclusief funderingsverbetering. Tijdens de zitting bleek de schuur inmiddels te zijn afgebroken.
De rechtbank oordeelde dat het bewijsvermoeden van toepassing is en dat het Instituut het vermoeden niet onterecht heeft weerlegd. De deskundigen van het Instituut hebben voldoende inzicht gegeven dat het plaatselijk vervangen van metselwerk en herstel van scheurvorming het pand terugbrengt in de oorspronkelijke staat, zowel cosmetisch als constructief. Eiseres bracht geen concrete aanwijzingen naar voren die dit advies ondermijnen.
Ook de door eiseres aangevoerde prijsstijgingen voor herstelkosten werden niet gevolgd, omdat het Instituut uitgaat van het prijspeil ten tijde van het deskundigenadvies en wettelijke rente compenseert voor vertraging. Het beroep is daarom ongegrond verklaard, en eiseres krijgt geen proceskostenvergoeding of griffierecht terug.