ECLI:NL:RBNNE:2026:342

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
10 februari 2026
Publicatiedatum
9 februari 2026
Zaaknummer
18/010198-24
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 55 SrArt. 57 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor wederrechtelijke vrijheidsberoving, mishandeling en diefstal van telefoon van ex-partner

De rechtbank Noord-Nederland heeft verdachte veroordeeld voor het wederrechtelijk van de vrijheid beroven, mishandelen en stelen van de mobiele telefoon van zijn toenmalige partner. De mishandeling leidde tot een complexe botbreuk aan de vinger van het slachtoffer, waarvoor een operatieve behandeling noodzakelijk was. De rechtbank achtte het bewezen dat verdachte het slachtoffer gedurende circa 12 uur in zijn woning vasthield, haar mishandelde en haar telefoon wegnam met het oogmerk zich die wederrechtelijk toe te eigenen.

De rechtbank sprak verdachte vrij van het bezit van 239,55 kilogram BMK-glycidezuur, omdat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs was dat verdachte wetenschap had van de inhoud en het doel van de pakketten. De mishandeling werd niet als zwaar lichamelijk letsel aangemerkt, maar wel als ernstig genoeg om strafbaar te zijn.

De rechtbank nam bij de strafoplegging de ernst van de feiten, de impact op het slachtoffer en de persoonlijke omstandigheden van verdachte mee. Verdachte was ten tijde van de feiten onder invloed van middelen, maar toonde sindsdien motivatie tot gedragsverandering en volgt behandeling. De opgelegde straf is 12 maanden gevangenisstraf, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en bijzondere voorwaarden zoals meldplicht en ambulante behandeling.

De rechtbank benadrukte het belang van het ervaren van de gevolgen van het handelen door verdachte en het voorkomen van recidive. De vrijheidsberoving en mishandeling werden als eendaadse samenloop beschouwd. De uitspraak werd gedaan na een zitting op 27 januari 2026 en uitgesproken op 10 februari 2026.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 12 maanden gevangenisstraf, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, voor wederrechtelijke vrijheidsberoving, mishandeling en diefstal; vrijspraak voor bezit BMK-glycidezuur.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht
Locatie Assen
parketnummer 18/010198-24
ter terechtzitting gevoegd parketnummer 18/323874-24
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 10 februari 2026 in de zaak van het Openbaar Ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1991 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] ,
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 27 januari 2026. Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. R.J.J. Bosma, advocaat te Spier. Het Openbaar Ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. D. Roggen.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
Parketnummer 18/010198-24
1.
hij op of omstreeks 6 januari 2024 te [plaats] , althans in Nederland, opzettelijk
[slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd heeft gehouden, door
  • die [slachtoffer] (met kracht) vast te pakken en/of mee te nemen en/of te duwen in de richting van zijn, verdachtes, woning (gelegen aan [adres] ), en/of
  • tegen die [slachtoffer] te zeggen dat zij mee moest naar zijn huis, en/of
  • die [slachtoffer] zijn woning binnen te trekken en/of de woning binnen te duwen, en/of
  • die [slachtoffer] in de woning van verdachte tegen diens wil vast te houden, en/of
  • de telefoon van die [slachtoffer] bij zich te houden (zodat die [slachtoffer] geen toegang had tot haar telefoon en/of geen mogelijkheid had om hulp in te schakelen), en/of
  • die [slachtoffer] meerdere malen, althans eenmaal, te mishandelen door bovenop die [slachtoffer] te gaan zitten en haar handen en/of vingers tegen de vloer aan te slaan en/of die [slachtoffer] tegen het hoofd en/of lichaam te stompen en/of te slaan en/of te schoppen en/of te trappen en/of aan de haren van die [slachtoffer] te trekken en/of de nek en/of keel en/of hals van die [slachtoffer] vast te pakken en/of vastgepakt te houden en/of de keel dicht te drukken en/of dichtgedrukt te houden, en/of
  • die [slachtoffer] te verbieden de woning te verlaten, en/of
  • voor de deur en/of uitgang van de woning te gaan staan zodat de uitgang werd versperd en/of de doorgang onmogelijk werd gemaakt voor die [slachtoffer] ;
2.
hij op of omstreeks 6 januari 2024 te [plaats] , althans in Nederland, zijn levensgezel, [slachtoffer] , heeft mishandeld door
  • bovenop die [slachtoffer] te gaan zitten en meerdere malen, althans eenmaal, haar handen en/of vingers tegen de vloer aan te slaan, en/of
  • die [slachtoffer] tegen het hoofd en/of lichaam te stompen en/of te slaan en/of te schoppen en/of te trappen, en/of
  • die [slachtoffer] aan de haren te trekken, en/of
  • de nek en/of keel en/of hals van die [slachtoffer] vast te pakken en/of vastgepakt te Houden en/of de keel dicht te drukken en/of dichtgedrukt te houden,
terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een (complexe) botbreuk van de vinger ten gevolge heeft gehad;
3.
hij in of omstreeks de periode van 5 januari 2024 tot en met 6 januari 2024 te [plaats] , gemeente Emmen, althans in Nederland, een mobiele telefoon (iPhone 12 pro), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
Parketnummer 18/323874-24
hij op of omstreeks 10 april 2024 te [plaats] , gemeente Emmen, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, te weten het opzettelijk vervaardigen van (met)amfetamine, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende
lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, waarbij verdachte,
- ( ongeveer) 239,55 kilogram (een zout van) BMK Glycidezuur, voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en/of verdachtes mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden, dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat feit.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie
Parketnummer 18/010198-24
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het onder 1, 2, en 3 ten laste gelegde. Ten aanzien van het onder 2 ten laste heeft de officier van justitie aangevoerd dat het toegebrachte letsel aan aangeefster [slachtoffer] als zwaar lichamelijk letsel te kwalificeren valt, omdat [slachtoffer] is geopereerd aan een complexe botbreuk van haar vinger en de geschatte arbeidsongeschiktheidsduur drie tot zes weken bedraagt.
Parketnummer 18/323874-24
De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd van het ten laste gelegde.
Standpunt van de verdediging
Parketnummer 18/010198-24
De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde wegens het gebrek aan wettig en overtuigend bewijs. Op basis van het dossier kan niet vastgesteld worden dat verdachte [slachtoffer] onder dwang naar zijn woning heeft meegenomen en haar wederrechtelijk van haar vrijheid heeft beroofd. Verdachte en [slachtoffer] waren beiden onder invloed van drank en drugs en zijn al ruziënd van de woning van [getuige 1] naar de woning van verdachte gelopen.
Zowel [slachtoffer] als verdachte waren gewelddadig. Daarom kan niet met voldoende zekerheid vastgesteld worden welke geweldshandelingen door verdachte zijn verricht en wat zich precies in de woning van verdachte heeft afgespeeld. Voorts kon [slachtoffer] elk moment de woning van verdachte verlaten. De deur was niet op slot. Ook heeft verdachte de deur niet geblokkeerd zodat zij elk moment weg kon.
De raadvrouw heeft betoogd dat het onder 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard, met uitzondering van de kwalificatie zwaar lichamelijk letsel. Zowel verdachte als [slachtoffer] zijn verantwoordelijk geweest voor het geweld dat tussen hen heeft plaatsgevonden. Zij waren beiden onder invloed van drank en drugs. Niet exact vastgesteld kan worden welk letsel [slachtoffer] heeft opgelopen ten gevolge van de mishandeling door verdachte.
Met betrekking tot het onder 3 ten laste gelegde heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Parketnummer 18/323874-24
De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde.
Oordeel van de rechtbank
Parketnummer 18/010198-24
Partiële vrijspraak onder 2
De rechtbank stelt op basis van de hierna opgenomen bewijsmiddelen, vast dat verdachte meermalen de handen en vingers van [slachtoffer] tegen de vloer aan heeft geslagen, tegen het hoofd en het lichaam van [slachtoffer] heeft gestompt, geslagen en getrapt, aan de haren van [slachtoffer] heeft getrokken, de nek en hals van [slachtoffer] heeft vastgepakt en vastgepakt gehouden en de keel van [slachtoffer] dichtgedrukt en dichtgedrukt gehouden. Als gevolg hiervan heeft [slachtoffer] bloeduitstortingen in het aangezicht en op haar lichaam opgelopen en is de vingertop van haar ringvinger gebroken. Ter behandeling van de breuk in de ringvinger is middels een operatieve behandeling K-draad aangelegd.
Blijkens de forensisch geneeskundige letselrapportage geneest de botbreuk in de vinger.
Gelet op hetgeen is gebleken over de aard van het letsel, de aard van het medische ingrijpen en het uitzicht op herstel is de rechtbank met de raadsvrouw van oordeel dat het door verdachte toegebrachte letsel niet als zwaar lichamelijk letsel in de zin van artikel 82 van Pro het Wetboek van Strafrecht kan worden aangemerkt. De rechtbank zal verdachte daarom van dit deel van de tenlastelegging partieel vrijspreken.
Feiten 1 en 2
De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
Ieder bewijsmiddel is - ook in onderdelen - slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
1.
​De door verdachte ter terechtzitting van 27 januari 2026 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:
Het klopt dat ik omstreeks 6 januari 2024 ruzie heb gehad met mijn ex-partner [slachtoffer] en dat ik geweld tegen haar heb gebruikt. Wij liepen al ruziënd naar mijn woning. Ik heb aan haar getrokken en geduwd. Ook hebben wij met elkaar gevochten in mijn woning. Ik zat aan haar handen en haar hoofd.
2. ​
​Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 9 januari 2026 (inclusief fotobijlagen), opgenomen op pagina 24 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2024008655 (onderzoek Bomschuit/NN3R024006) d.d. 11 maart 2025 inhoudend de verklaring van [slachtoffer] :
Pleegdatum/tijd: Tussen zaterdag 6 januari 2024 om 01:00 uur en zaterdag 6 januari 2024 om 14:00 uur
Ik was met mijn inmiddels ex-partner op bezoek bij een kennis. Hij pakte mijn telefoon af en ging weg. Toen ik eenmaal thuis was dacht ik, ik voel me niet veilig zonder mijn telefoon.
Daarom ben ik naar de buurman gegaan. Ik was bij die buurman en toen kwam mijn ex-partner naar die buurman toe. Toen ben ik samen met mijn ex-partner naar buiten gegaan en ik wilde naar mijn eigen woning toe. Mijn ex-partner heeft aan mij getrokken en geduwd naar zijn eigen woning. En in deze woning heeft hij mij 12 uren lang gegijzeld. Mijn ex-partner woont in [plaats] . Hij trok mij zijn woning binnen en ik weet nog dat er van alles gebeurde in de woning. Ik weet nog dat ik op de stoel zat, maar ook dat ik op de vloer lag. Hij sloeg met vuisten op mijn hoofd. En wat betreft mijn vinger, die gebroken is. Deze avond is het meerdere malen voorgekomen dat mijn ex-partner bovenop mij zat, mijn handen pakte en deze op de vloer sloeg. Daardoor is mijn vingertopje verbrijzeld. Hij heeft mij ook in mijn rug geschopt en aan mijn haren getrokken.
V: Wij zien ook dat u een blauw oog hebt, uw linkeroog.
A: Klopt, en ook mijn nek. Hij heeft mij twee of misschien zelfs drie keer geprobeerd te wurgen. Dit ging de hele tijd door, eigenlijk de hele 12 uur door.
V: Hebben er nog andere dingen plaatsgevonden?
A: Het ergste was dat ik de woning niet kon verlaten. Hij verbood mij de woning te verlaten. Hij zei dat wij moesten praten. Iedere keer als ik opstond ging hij weer in de deur staan. Hij wilde mij er niet doorlaten. Hij begon mij dan weer te slaan.
V: Wie is jouw ex-partner?
A: [verdachte] .
V: Je zei dat je werd getrokken en geduwd door [verdachte] van de woning van de buurman naar de woning van [verdachte] . Hoe zag dit eruit?
A: Hij trok en duwde me de hele route naar zijn woning.
3. ​
​Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 10 januari 2024, opgenomen op pagina 79 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van [getuige 1] :
V: Laten we teruggaan naar de vrijdagavond, 5 januari 2024. V: Wat gebeurde er?
A: [slachtoffer]
(de rechtbank begrijpt: [slachtoffer] )kwam aan de deur. Ik deed de deur open en zag [slachtoffer] staan. Nog geen halve minuut later bonkt [verdachte] aan de deur. Hij flipte direct. Ik besefte toen dat het met [slachtoffer] te maken had. Ik kan me herinneren dat [slachtoffer] meerdere keren zei dat we de politie moesten bellen. [verdachte] was verbaal heel agressief. Ik zag aan [slachtoffer] dat ze niet met hem mee wilde. Hij was opgefokt. Hij wilde sowieso dat zij voor hem aan naar buiten heen gingen. Ze zijn toen samen naar buiten gegaan.
V: Je zegt dat [slachtoffer] uiteindelijk je woning uit ging en toen ging [verdachte] er direct achteraan. Hoe verliep dat?
A: Hij stond heel kort op haar. Het kan wel zijn dat hij een drukkertje heeft gegeven. Het enige wat hij tegen [slachtoffer] had was dat ze mee moest.
4. ​
​Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 5 februari 2024, opgenomen op pagina 87 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van [getuige 2] :
V: Waar was jij op 6 januari 2024? A: Bij [getuige 1] .
V: Wat gebeurde er toen je in de woning van [getuige 1] was?
A: De buurvrouw van [getuige 1] klopte op het raam. Ik hoorde haar zeggen dat ze
naar binnen wilde. Ongeveer een kwartiertje later bonkte er een kerel op de deur. Er was ineens een glas stuk van de deur. [getuige 1] heeft vervolgens de deur open gedaan en toen stormde die kerel ineens naar binnen. Ik hoorde die kerel zeggen tegen de buurvrouw dat zij direct naar huis moest gaan.
V: Kende jij die vrouw?
A: Ik had haar eerder gezien bij [getuige 1] , ik wist dat ze [slachtoffer] heette. V: Hoe reageerde [slachtoffer] toen [verdachte] op de deur stond te bonken?
A: Geschrokken. Ik kon zien dat ze bang was. V: Wat zei [verdachte] tegen [slachtoffer] ?
A: Dat ze mee naar huis moest komen. A: Op welke manier zei hij dat?
A: Schreeuwend, op een boze manier. V: Ging [slachtoffer] uit vrij wil mee?
A: Nee ze ging niet uit vrij wil mee. Ze wilde het liefst bij ons blijven. V: Waar bleek uit?
A: Ze wilde niet mee met hem, dit heeft ze ook gezegd tegen [verdachte] . Ze zei in het Engels tegen hem dat ze niet mee wilde.
5. ​
​Een forensisch geneeskundige letselrapportage, op 9 mei 2024 afzonderlijk opgemaakt en ondertekend door [arts 1] , forensisch arts in opleiding, en [arts 2] , forensisch arts, voor zover inhoudend, als hun geneeskundige verklaring:
Datum onderzoek: 9 januari 2024.
Betrokkene: [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 1990.
Letselbeschrijving
Hoofd
1. Ongeveer 1 cm boven en 1 cm achter het rechter oor is tussen de haren door een
onscherp begrensde ovale roze huidverkleuring met centraal een blauwbruine
verkleuring van circa 1,4cm bij 1,0cm zichtbaar. Het betreft een onderhuidse bloeduitstorting.
2. Onder linker oog, circa 1,8cm vanaf de middellijn van de neus en circa 0,8cm onder het
onderste ooglid is een onscherp begrensde druppelvormige paarsrode huidverkleuring met zwelling van de huid van circa 0,7cm bij 1,2cm zichtbaar. Daaromheen is een onscherp begrensde ovale gele huidverkleuring zichtbaar van circa 3,2cm bij 1,2cm zichtbaar. Het betreft een onderhuidse bloeduitstorting.
3. Rechts op de neus circa 3,3cm van de neuspunt en circa 1,0cm van de neusbrug is
een scherp begrensde lijnvormige roze huiddoorbreking met geringe korstvorming van
circa 1,1 cm bij 0,1 cm zichtbaar met daarin een onderbreking van circa 0,2cm. Het betreft een kraswond.
Hals
4. Links op de hals onder de kaaklijn, circa 3,5cm van de oorlel is een onscherp
begrensde rondvormige bruingele huidverkleuring zichtbaar van circa 1,8cm. Het betreft een onderhuidse bloeduitstorting.
5. Links op de hals circa 5,5cm onder het oor en circa 5cm van de middellijn van de hals
is een onscherp begrensde ovale bruingele huidverkleuring zichtbaar van circa 1,0cm bij 0,6cm zichtbaar. Het betreft een onderhuidse bloeduitstorting.
6. Links op de hals circa 5,5cm onder het oor en circa 5cm van de middellijn van de hals
is een onscherp begrensde ovale bruingele huidverkleuring zichtbaar van circa 1,0cm bij 0,6cm zichtbaar. Het betreft een onderhuidse bloeduitstorting.
7. Links op de hals circa 5,0cm onder het oor en circa 7,0cm van de middellijn van de
hals, diagonaal verlopend van voorzijde voetwaarts naar achterzijde hoofdwaarts is een onscherp begrensde bandvormige bruingele huidverkleuring zichtbaar van circa 2,9cm bij 0,7cm zichtbaar. Het betreft een onderhuidse bloeduitstorting.
8. Rechts in de hals, circa 3,5cm onder de kaaklijn en circa 2,5cm van de middellijn van
de hals zijn tenminste vijf onscherp begrensde puntvormige rondvormige bruingele
huidverkleuringen zichtbaar gegroepeerd in een gebied van 5,0cm bij 2,0cm. Het betreffen een onderhuidse bloeduitstortingen.
9. Links op de achterzijde in het midden van de hals, ongeveer 4,0cm van de middellijn is
een onscherp begrensde onregelmatig gevormde bruingele huidverkleuring van circa 0,9cm bij 0,7cm zichtbaar. Het betreft een onderhuidse bloeduitstorting.
Romp
10. Op de linker borst circa 2,0cm centraal boven de tepel is een onscherp begrensde
rondvormige bruingele huidverkleuring zichtbaar van circa 1,6cm. Het betreft een onderhuidse bloeduitstorting.
11. Op de rechter flank ongeveer ter hoogte van de bekkenkam is een
is een onscherp begrensde onregelmatig gevormde bruingele huidverkleuring met
wisselende intensiteit zichtbaar van circa 15,2cm bij 2,3cm. Het betreft een onderhuidse bloeduitstorting.
Armen
12. Om de linker hand en onderarm is een gipsspalk aanwezig. Passend bij medisch
handelen na het letsel zoals is beschreven in het medisch dossier. Het betreft een gevolg van letsel na medisch handelen.
13. Op de rug van de rechterhand circa 2,0cm van de pols en 2,0cm van de pinkzijde is
een scherp begrensde onregelmatig gevormde huidbeschadiging zichtbaar van circa
1,8cm bij 2,0cm met daarin een korstvorming van circa 0,6cm bij 0,9cm. Het betreft een schaafwond.
Benen
14. Op achter- en buitenzijde van de linker kuit, circa 2,5cm onder de knieholte is een
horizontaal verlopende matig scherp begrensde bandvormige paarsbruine
huidverkleuring van circa 0,5cm bij 1,5 zichtbaar. Het betreft een onderhuidse bloeduitstorting.
15. Op de buitenzijde van rechter dijbeen circa 15,0cm onder de bekkenkam is een matig
scherp begrensde onregelmatig gevormde paarsbruine huidverkleuring van circa 9,0cm bij 8,0cm zichtbaar. Het betreft een onderhuidse bloeduitstorting.
16. Op de buiten- en voorzijde van rechter dijbeen circa 23,0cm onder de bekkenkam is
een matig scherp begrensde ronde paarsbruine huidverkleuring van circa 1,9cm zichtbaar. Het betreft een onderhuidse bloeduitstorting.
17. Op de voor- en buitenzijde van het rechter scheenbeen, circa 13cm onder de knie is
een matig scherp begrensde ronde paarsbruine huidverkleuring van circa 2,0cm zichtbaar. Het betreft een onderhuidse bloeduitstorting.
Aanvullende medische informatie:
Het letsel aan de vingertop van de ringvinger aan de linker hand betreft een fractuur van het uiterste vingerkootje van de vingertop (distale phalanx) met luxatie stand. Deze werd enkele dagen later operatief behandeld met K-draad.

Bewijsoverwegingen

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.
De verklaring van [slachtoffer] wordt voldoende ondersteund door andere bewijsmiddelen, waaronder de beschrijving van het letsel en de getuigenverklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] . Bovendien sluit de verklaring van verdachte deels aan op wat [slachtoffer] heeft verklaard. De rechtbank acht de verklaring van [slachtoffer] daarom betrouwbaar en gaat uit van de inhoud daarvan.
Wederrechtelijke vrijheidsberoving en mishandeling
Van wederrechtelijke vrijheidsberoving in de zin van artikel 282 van Pro het Wetboek van Strafrecht is sprake indien iemand niet vrijwillig kan vertrekken van de plaats waar hij of zij zich op dat moment bevindt. De vrijheidsberoving moet opzettelijk geschieden en zonder toestemming van het slachtoffer. De absolute onmogelijkheid van fysieke verplaatsing is geen vereiste. Ook het creëren van een zodanige situatie dat ten aanzien van het slachtoffer de dwang is ontstaan om te blijven, heeft te gelden als wederrechtelijke vrijheidsberoving.
In de nacht van 6 januari 2024 was [slachtoffer] aanwezig in de woning van haar buurman [getuige 1] . Op enig moment werd er door verdachte op de deur gebonkt. Hij wilde dat [slachtoffer] met hem mee
ging. Duidelijk was dat [slachtoffer] dat niet wilde. Verdachte heeft [slachtoffer] uiteindelijk naar zijn woning getrokken en geduwd. Verdachte heeft met zijn gedrag een dreigende situatie gecreëerd, hetgeen ook blijkt uit de verklaringen van getuigen [getuige 1] en [getuige 2] . [getuige 1] verklaart dat verdachte verbaal heel agressief overkwam en op een boze en agressieve wijze liet merken dat [slachtoffer] met hem mee naar huis moest gaan. Zij zagen aan [slachtoffer] dat zij dit niet wilde en bang was. Verdachte stond erg kort op haar en uiteindelijk ging zij niet uit vrije wil mee met verdachte. Verdachte heeft zelf ook verklaard dat hij gewelddadig is geweest tegen [slachtoffer] . Zo verklaart verdachte dat hij aan haar heeft getrokken en haar heeft geduwd naar zijn woning en dat hij aan haar handen en hoofd heeft gezeten. In de woning heeft hij [slachtoffer] mishandeld door met zijn vuisten op haar hoofd en lichaam te slaan, op haar te gaan zitten, haar handen te pakken en op de vloer te slaan, aan haar haren te trekken, haar nek vast te pakken en haar keel dicht te knijpen, zo volgt uit de verklaring van [slachtoffer] . De verklaring van [slachtoffer] vindt steun in het geconstateerde letsel dat past bij de hierboven beschreven gedragingen, namelijk bloeduitstortingen op het hoofd, hals, romp en benen van [slachtoffer] . [slachtoffer] heeft verklaard dat wanneer zij de woning wilde verlaten hij in de deuropening ging staan. Al deze omstandigheden hebben naar het oordeel van de rechtbank bijgedragen aan het bij [slachtoffer] gewekte gevoel dat zij zich niet kon onttrekken uit de bedreigende situatie waarin zij zich bevond. Het verweer van de raadsvrouw dat de woning niet afgesloten was wordt daarom gepasseerd.
Conclusie
Op grond van het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan wederrechtelijke vrijheidsberoving en mishandeling, begaan tegen zijn levensgezel, zoals in de bewezenverklaring is opgenomen.
Eendaadse samenloop
De onder feit 1 en 2 bewezenverklaarde gedragingen leveren in die mate een samenhangend, zich in dezelfde periode en op dezelfde plaats afspelend feitencomplex op dat de verdachte daarvan in wezen één verwijt wordt gemaakt, terwijl de strekking van de desbetreffende strafbepalingen slechts enigszins uiteenloopt. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat met betrekking tot die ten laste gelegde feiten sprake is van eendaadse samenloop als bedoeld in artikel 55, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.
Feit 3
De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
1.
​De door verdachte ter terechtzitting van 27 januari 2026 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:
Het klopt dat ik in de periode van 5 januari 2024 tot en met 6 januari 2024 de telefoon van mijn ex-partner [slachtoffer] heb gepakt, in mijn broekzak gedaan en gehouden en meegenomen naar mijn woning.
2. ​
​Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 9 januari 2026 (inclusief fotobijlagen), opgenomen op pagina 24 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2024008655 (onderzoek Bomschuit/NN3R024006) d.d. 11 maart 2025 inhoudend de verklaring van [slachtoffer] :
Plaats delict: [plaats] ,
Pleegdatum/tijd: Tussen zaterdag 6 januari 2024 om 01:00 uur en zaterdag 6 januari 2024 om 14:00 uur
Ik was met mijn inmiddels ex-partner op bezoek bij een kennis. Hij pakte mijn telefoon af en ging weg.
3. ​
​Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor aangeefster d.d.
11 januari 2024, opgenomen op pagina 63 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [slachtoffer] :
V: het onderzoek willen we graag nog een aanvullende verklaring opnemen met betrekking tot de diefstal van je telefoon. We begrepen dat deze gestolen was door jou ex partner
[verdachte] . Klopt dat?
A: Ja. Ik wil aangifte doen van diefstal. De telefoon was van mij. Het was mijn eigendom. Ik heb niemand het recht en de toestemming gegeven om mijn telefoon weg te nemen.
Ik wil verwijzen naar mijn eerder afgelegde verklaring waar ik in heb verteld dat [verdachte] mijn mobiele telefoon van de tafel heeft gepakt en is weggelopen. Dit gebeurde op vrijdagavond/nacht op 6 januari 2024.
V: Toen je in de woning van [verdachte] was, had je toen ook beschikking over de telefoon?
A: Nee dit had ik niet. [verdachte] had mijn telefoon in zijn broekzak. Hij vroeg mij wel voor mijn code van mijn telefoon, maar deze wilde ik hem niet geven.
V: Om wat voor telefoon gaat het precies? A: Dit is een Appel 12 pro.

Bewijsoverwegingen

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.
De rechtbank overweegt dat uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat verdachte de telefoon van [slachtoffer] heeft gepakt en meegenomen en hier als heer en meester over heeft beschikt. Dat verdachte op enig moment de telefoon aan [slachtoffer] heeft terug gegeven, doet daaraan niet af. De rechtbank maakt uit de bewijsmiddelen op dat [slachtoffer] haar telefoon niet vrijwillig aan verdachte heeft afgestaan. De rechtbank is van oordeel dat sprake is geweest van wederrechtelijke toe-eigening en dat verdachte zich dus schuldig heeft gemaakt aan diefstal van de telefoon van [slachtoffer] .
Parketnummer 18/323874-24
De rechtbank acht - evenals de officier van justitie en de raadsvrouw - het ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen, zodat verdachte hiervan zal worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende.
De rechtbank is van oordeel dat op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting wettig en overtuigend bewijs ontbreekt dat verdachte wetenschap van en beschikkingsmacht over de aangetroffen pakketten met BMK-glycidezuur heeft gehad en dat hij wist dat de inhoud van de pakketten bestemd waren voor het vervaardigen van (met)amfetamine. Verdachte heeft bij de politie en ter terechtzitting stellig ontkend dat hij betrokken is geweest bij het ten laste gelegde. Het is de rechtbank ook niet
gebleken dat verdachte betrokken is geweest bij het bestellen van de pakketten. Daarmee is er onvoldoende bewijs dat verdachte op of omstreeks 10 april 2024 239,55 kilogram BMK-glycidezuur voorhanden heeft gehad.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het ten laste gelegde onder parketnummer 18/010198-24, feiten 1, 2 en 3 wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
Parketnummer 18/010198-24
1.
hij omstreeks 6 januari 2024 te [plaats] , opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd heeft gehouden, door
  • die [slachtoffer] vast te pakken en mee te nemen en te duwen in de richting van zijn, verdachtes, woning gelegen aan [adres] , en
  • tegen die [slachtoffer] te zeggen dat zij mee moest naar zijn huis, en
  • die [slachtoffer] zijn woning binnen te trekken, en
  • de telefoon van die [slachtoffer] bij zich te houden, en
  • die [slachtoffer] meerdere malen te mishandelen door bovenop die [slachtoffer] te gaan zitten en haar handen en vingers tegen de vloer aan te slaan en die [slachtoffer] tegen het hoofd en lichaam te stompen en te slaan en te trappen en aan de haren van die [slachtoffer] te trekken en de nek en hals van die [slachtoffer] vast te pakken en vastgepakt te houden en de keel dicht te drukken en dichtgedrukt te houden, en
  • die [slachtoffer] te verbieden de woning te verlaten, en
  • voor de deur van de woning te gaan staan zodat de uitgang werd versperd en de doorgang onmogelijk werd gemaakt voor die [slachtoffer] ;
2.
hij omstreeks 6 januari 2024 te [plaats] , zijn levensgezel, [slachtoffer] , heeft mishandeld door
  • bovenop die [slachtoffer] te gaan zitten en meerdere malen, haar handen en vingers tegen de vloer aan te slaan, en
  • die [slachtoffer] tegen het hoofd en lichaam te stompen en te slaan en te trappen, en
  • die [slachtoffer] aan de haren te trekken, en
  • de nek en hals van die [slachtoffer] vast te pakken en vastgepakt te houden en de keel dicht te drukken en dichtgedrukt te houden;
3.
hij in de periode van 5 januari 2024 tot en met 6 januari 2024 te [plaats] , een mobiele telefoon (iPhone 12 pro), die geheel aan [slachtoffer] , toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:
Parketnummer 18/010198-24
1. opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven/beroofd houden
2. mishandeling, begaan tegen zijn levensgezel
3. diefstal
Ten aanzien van feit 1 en 2 geldt dat sprake is van eendaadse samenloop.
Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder parketnummer 18/010198-24, onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Aan het voorwaardelijke deel dienen de bijzondere voorwaarden te worden gekoppeld zoals door de reclassering geadviseerd, te weten: een meldplicht, ambulante behandeling, een middelenverbod en meewerken aan middelencontrole.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht om rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Verdachte heeft de afgelopen jaren een positieve ontwikkeling doorgemaakt en hij is abstinent van alcohol en harddrugs. Hij heeft zijn leven verder op orde. Verdachte is bereid zich aan voorwaarden te houden.
Daarnaast heeft de raadsvrouw verzocht om rekening te houden met het tijdsverloop en om geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, nu dit de positieve ontwikkeling van verdachte zal doorkruisen. De raadsvrouw acht een voorwaardelijke straf, met daaraan gekoppeld bijzondere voorwaarden, passend.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, het reclasseringsrapport van 3 juni 2025 en een aanvullende e-mail (update) van de reclassering van 26 januari 2026, het uittreksel uit de justitiële documentatie van
12 januari 2026, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan wederrechtelijke vrijheidsberoving en mishandeling van zijn toenmalige partner. Nadat verdachte haar tegen haar wil heeft vastgepakt en naar zijn woning heeft geduwd en getrokken, heeft hij haar gedurende lange tijd in zijn woning vastgehouden. De sfeer in de woning was intimiderend en erg beangstigend voor haar. [slachtoffer] is door verdachte onder meer geslagen, gestompt en getrapt, waardoor zij zelfs een breuk in haar vinger heeft opgelopen. Ook heeft verdachte de keel van haar dichtgedrukt en dichtgedrukt gehouden. Dit alles is gebeurd terwijl verdachte hevig onder invloed was van drank en drugs. Verdachte heeft [slachtoffer] met deze handelingen angst aangejaagd, pijn gedaan en belemmerd in haar persoonlijke bewegingsvrijheid. Door het plegen van deze feiten heeft verdachte de lichamelijke integriteit van [slachtoffer] ernstig geschonden en geen enkel respect getoond voor haar gevoelens. Iemand hoort zich bij uitstek bij diens partner veilig en vertrouwd te kunnen voelen. Slachtoffers van partnermishandeling ervaren als gevolg van wat hen is aangedaan vaak nog voor langere tijd gevoelens van onveiligheid en angst. Naast de wederrechtelijke vrijheidsberoving en mishandeling heeft verdachte zich ook schuldig gemaakt aan diefstal van de telefoon van [slachtoffer] .
De persoon van verdachte
De rechtbank heeft in de justitiële documentatie van verdachte gezien dat verdachte niet recent is veroordeeld voor een strafbaar feit.
De reclassering heeft in haar rapport van 3 juni 2025 en een aanvullende e-mail (update) van 26 januari 2026 - kort samengevat - het volgende vermeld. Ten tijde van de ten laste gelegde feiten was verdachte onder invloed van middelen en was er sprake van een gebrekkige emotie- en agressieregulatie. Het middelengebruik en de gebrekkige emotie- en
agressieregulatie hebben een sterke invloed op elkaar waardoor verdachte snel
overprikkeld raakt en het overzicht kan verliezen. Verdachte is op dit moment abstinent van alcohol en harddrugs. Er is op dit moment enkel sprake van cannabisgebruik, wat verdachte helpt bij zijn ADHD en het vinden van rust. Verdachte toont motivatie om ook zijn cannabisgebruik en roken aan te pakken via een klinisch traject. Vanaf januari 2024 is er sprake van een schorsingstoezicht. Verdachte volgt ambulante behandeling bij de Forensische Poli van Verslavingszorg Noord Nederland. Binnen de behandeling heeft hij inmiddels het signaleringsplan afgerond en volgt hij agressieregulatie op maat (AR op Maat), waaronder de module stressreductie en de module zelfbeeld. De reclassering ziet als beschermende factoren dat verdachte beschikt over vaste huisvesting, steun heeft van familie, structuur heeft in zijn dagelijks leven en dat zijn financiën op orde zijn. Door de reclassering wordt het risico op recidive ingeschat als gemiddeld. Als verdachte abstinentie weet te behouden, zijn behandeling blijft volgen en zijn motivatie tot gedragsverandering blijft behouden zal het recidive risico verlagen. De kans op letselschade wordt door de reclassering ingeschat als gemiddeld. Verdachte heeft het ten laste gelegde onder invloed van middelen gepleegd. Verdachte kan inmiddels goed zijn emoties uiten en aangeven wat
zijn psychische klachten waren die hem destijds ontregelden. Verdachte werkt goed mee aan de oplegde bijzondere voorwaarden, is ontvankelijk voor hulp en gemotiveerd tot gedragsverandering. Daarom schat de reclassering de kans op onttrekking aan de voorwaarden in als laag. De reclassering adviseert om aan verdachte op te leggen een (deels) voorwaardelijke straf met daaraan gekoppeld de volgende bijzondere voorwaarden: meldplicht, ambulante behandeling, meewerken aan middelencontrole en een middelenverbod.
De straf
De rechtbank is van oordeel dat gelet op de ernst van de feiten en de impact daarvan op het slachtoffer alsmede de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan, het opleggen van een gevangenisstraf de enige passende sanctie is. De rechtbank acht het van belang dat verdachte de gevolgen van zijn handelen ervaart, maar ook dat hij behandeling krijgt en aan zijn problematiek kan (blijven) werken. Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank ook rekening gehouden met het feit dat het incident inmiddels geruime tijd geleden heeft plaatsgevonden. De op te leggen straf is lager dan door de officier van justitie is gevorderd, omdat de rechtbank minder bewezen acht dan de officier van justitie en deze straf meer recht doet aan het feit dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit.
De rechtbank komt, alles afwegende, tot oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met aftrek van het voorarrest. Aan de proeftijd zal de rechtbank de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden koppelen van een meldplicht, ambulante behandeling, een middelenverbod en meewerken aan middelencontrole. Het voorwaardelijke strafdeel dient daarbij als waarschuwing aan verdachte, teneinde te voorkomen dat verdachte zich nogmaals schuldig maakt aan (soortgelijke) strafbare feiten.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 55, 57, 282, 300, 304, 310 van het Wetboek van Strafrecht
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder parketnummer 18/323874-24 is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 18/010198-24 onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf
een gedeelte, groot 6 maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde voor het einde van of gedurende de proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op
2 jaren, de hierna te noemen voorwaarden niet heeft nageleefd.
Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.
Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
Stelt als bijzondere voorwaarden:
dat veroordeelde zich meldt bij reclassering Verslavingszorg Noord Nederland. Veroordeelde blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
dat veroordeelde zich laat behandelen door de Forensische Polikliniek van Verslavingszorg Noord Nederland of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling;
dat veroordeelde geen alcohol en geen harddrugs zal gebruiken en zal meewerken aan controle op dit verbod door middel van urineonderzoek dan wel ademonderzoek. De reclassering bepaalt hoe vaak veroordeelde zal worden gecontroleerd. De reclassering bepaalt hoelang het middelenverbod geldt;
dat veroordeelde meewerkt mee aan controle van het gebruik van alcohol en drugs om het middelengebruik te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak veroordeelde wordt gecontroleerd.
Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
  • ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
  • medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.
Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.S. Venema-Dietvorst, voorzitter, mr. G. Eelsing en
mr. L.M.B. Soppe, rechters, bijgestaan door mr. D. Flanderijn, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 10 februari 2026.
Mr. Venema-Dietvorst is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.