ECLI:NL:RBNNE:2026:345

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
10 februari 2026
Publicatiedatum
9 februari 2026
Zaaknummer
18/008766-24
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 48 SrArt. 57 SrArt. 63 SrArt. 311 SrArt. 3 Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplichtigheid hennepteelt en diefstal elektriciteit en water

De rechtbank Noord-Nederland heeft op 10 februari 2026 uitspraak gedaan in de zaak tegen verdachte, die werd verdacht van medeplichtigheid aan hennepteelt en diefstal van elektriciteit en water in een pand te Eemsdelta.

De rechtbank sprak verdachte vrij van de primair ten laste gelegde feiten wegens onvoldoende bewijs, maar achtte de subsidiaire tenlasteleggingen wettig en overtuigend bewezen. Verdachte had zijn woning ter beschikking gesteld voor hennepteelt en was medeplichtig aan diefstal van elektriciteit en water ten behoeve van de hennepkwekerij.

De rechtbank legde een taakstraf van 120 uren op, rekening houdend met de ernst van de feiten, de persoonlijke omstandigheden van verdachte en de overschrijding van de redelijke termijn. Tevens werd schadevergoeding toegewezen aan Enexis Netbeheer BV en NV Waterbedrijf Groningen, zonder wettelijke rente en zonder oplegging van een schadevergoedingsmaatregel, omdat verdachte onder bewind staat en een afbetalingsregeling treft.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 120 uur taakstraf voor medeplichtigheid aan hennepteelt en diefstal, met toegewezen schadevergoeding.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht
Locatie Groningen
parketnummer 18/008766-24
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 10 februari 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1986 te [geboorteplaats] , wonende te [woonadres] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 27 januari 2026.
Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. E. van der Meer, advocaat te Groningen. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. S. Broekstra.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1. hij op of omstreeks 1 december 2023 te [plaatsnaam] , gemeente Eemsdelta tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [adres] ) een hoeveelheid van ongeveer 417 (340 + 77), althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: [medeverdachte] en/of een of meer onbekend gebleven personen op of omstreeks 1 december 2023 te [plaatsnaam] , gemeente Eemsdelta met elkaar, althans één van hen, (telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad in een pand aan de [adres] een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 417 (340 + 77), althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, tot en/of bij het plegen van welk(e) misdrijf/misdrijven verdachte op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 december 2022 tot en met 1 december 2023 te [plaatsnaam] , gemeente Eemsdelta, in elk geval in Nederland, (telkens) opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest, door aan die [medeverdachte] en/of die onbekend gebleven persoon/personen voornoemd pand voor de teelt/het kweken van hennepplanten ter beschikking te stellen;
2. hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 december 2022 tot en met 1 december 2023 te [plaatsnaam] , gemeente Eemsdelta tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
3. uit/vanaf een pand aan de [adres] - een hoeveelheid energie (elektriciteit) en/of een hoeveelheid water, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan (respectievelijk) Enexis Netbeheer BV en/of NV Waterbedrijf Groningen, in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van verbreking;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: [medeverdachte] en/of een of meer onbekende personen op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 december 2022 tot en met 1 december 2023 te [plaatsnaam] , gemeente Eemsdelta tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
- uit/vanaf een pand aan de [adres] - een hoeveelheid energie (elektriciteit) en/of een hoeveelheid water, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan (respectievelijk) Enexis Netbeheer BV en/of NV Waterbedrijf Groningen, in elk geval aan een ander dan aan die [medeverdachte] en/of die onbekende perso(o)n(en) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl die [medeverdachte] en/of die onbekende perso(o)n(en) dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van verbreking tot en/of bij het plegen van welk(e) misdrijf/misdrijven verdachte op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 december 2022 tot en met 1 december 2023 te [plaatsnaam] , gemeente Eemsdelta, in elk geval in Nederland, (telkens) opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest, door aan die [medeverdachte] en/of die onbekend gebleven persoon/personen voornoemd pand voor de teelt/het kweken van hennepplanten ter beschikking te stellen, waarbij gebruik is gemaakt van de voorziening van voornoemd pand.
Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd van het onder feit 1 en 2 primair ten laste gelegde. De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het onder feit 1 en feit 2 subsidiair ten laste gelegde.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder feit 1 en 2 primair ten laste gelegde. De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder feit 1 en feit 2 subsidiair ten laste gelegde bewezen kan worden.
Oordeel van de rechtbank
Vrijspraak van de onder 1 en 2 primair ten laste gelegde feiten
De rechtbank is - met de officier van justitie en de raadsman - van oordeel dat op grond van het dossier niet kan worden bewezen dat verdachte als (mede)pleger betrokken is geweest bij de hennepkwekerij aan de [adres] te [plaatsnaam] . De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van de onder 1 en 2 primair ten laste gelegde feiten.
Bewezenverklaring van de onder 1 en 2 subsidiair ten laste gelegde feiten
De rechtbank acht de onder feit 1 en 2 subsidiair ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte deze feiten duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.
Ieder bewijsmiddel is -ook in onderdelen- slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft
Deze opgave luidt als volgt:
de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 27 januari 2026;
Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aantreffen hennepkwekerij d.d. 30 april 2024, opgenomen op pagina 8 e.v. van het dossier met nummer PL-0100-2023321161 van 19 september 2024, inhoudende het relaas van verbalisant;
Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen, opgenomen op pagina 14
e.v. van voornoemd dossier, inhoudende het relaas van verbalisant;
4. Het aangifteformulier met bijlages van Enexis, d.d. 7 december 2023, opgenomen op pagina 52 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [naam 1] , namens Enexis;
5. Het aangifteformulier met bijlages van Het Waterbedrijf Groningen N.V., d.d. 7 december 2023, opgenomen op pagina 74 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [naam 2] ;
6. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen buurtonderzoek, d.d. 1 december 2023, opgenomen op pagina 80 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende het relaas van verbalisant.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht de onder 1 en 2 subsidiair ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
1. subsidiair. [medeverdachte] en meer onbekend gebleven personen omstreeks 1 december 2023 te [plaatsnaam] , met elkaar, althans één van hen, telkens opzettelijk hebben/heeft geteeld en bereid en bewerkt en verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig hebben/heeft gehad in een pand aan de [adres] een hoeveelheid van in totaal 417 (340 + 77), althans een groot aantal hennepplanten en delen daarvan, in elk geval telkens een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, tot en bij het plegen van welke misdrijven verdachte op meer tijdstippen in de periode van 1 december 2022 tot en met 1 december 2023 te [plaatsnaam] telkens opzettelijk gelegenheid en middelen en inlichtingen heeft verschaft en opzettelijk behulpzaam is geweest, door aan die [medeverdachte] en die onbekend gebleven personen voornoemd pand voor de teelt/het kweken van hennepplanten ter beschikking te stellen;
2. subsidiair. [medeverdachte] en meer onbekende personen in de periode van 1 december 2022 tot en met 1 december 2023 te [plaatsnaam] , tezamen en in vereniging met anderen, althans alleen, - uit/vanaf een pand aan de [adres] - een hoeveelheid energie (elektriciteit) en een hoeveelheid water, die geheel of ten dele aan respectievelijk Enexis Netbeheer BV en NV Waterbedrijf Groningen, in elk geval aan een ander dan aan die [medeverdachte] en die onbekende personen toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl die [medeverdachte] en die onbekende personen die weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van verbreking tot bij het plegen van welke misdrijven verdachte meer tijdstippen in de periode van 1 december 2022 tot en met 1 december 2023 te [plaatsnaam] , telkens opzettelijk gelegenheid en middelen en inlichtingen heeft verschaft en opzettelijk behulpzaam is geweest, door aan die [medeverdachte] en die onbekend gebleven personen voornoemd pand voor de teelt/het kweken van hennepplanten ter beschikking te stellen, waarbij gebruik is gemaakt van de voorziening van voornoemd pand.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:
subsidiair. medeplichtigheid aan het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B en het in artikel 3 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod;
subsidiair. medeplichtigheid aan diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking.
Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.
Strafbaarheid van verdachte
De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de onder 1 en 2 subsidiair ten laste gelegde feiten zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 200 uren.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft gepleit voor een taakstraf voor de duur van 120 uren.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Verdachte is als medeplichtige betrokken geweest bij de exploitatie van een hennepkwekerij in een pand aan de [adres] te [plaatsnaam] . Verdachte heeft zijn woning ter beschikking gesteld aan anderen voor hennepteelt en de productie van verdovende middelen daarmee mogelijk gemaakt. Volgens zijn eigen verklaring ter zitting zijn er drie oogsten geweest. Hennep kan bij langdurig gebruik leiden tot schade voor de gezondheid. Daarnaast zorgt hennepteelt voor overlast en (brand-)gevaarlijke situaties voor naastgelegen panden en woonhuizen en werkt het, gelet op de grote winsten die daarmee worden gemaakt, allerlei vormen van criminaliteit in de hand. Verdachte heeft zich om al deze gevolgen niet bekommerd. Dit rekent de rechtbank verdachte aan. De rechtbank rekent het verdachte ook aan dat hij zich aan zijn verantwoordelijkheid heeft onttrokken en alleen oog heeft gehad voor zijn eigen behoeften door de criminele activiteiten van anderen niet alleen toe te staan maar tevens te faciliteren. Daarnaast is verdachte medeplichtig geweest aan diefstal van elektriciteit en water ten behoeve van de hennepkwekerij.
De reclassering heeft geen contact met verdachte kunnen krijgen, waardoor geen rapport is opgesteld over de persoon van verdachte. Uit het strafblad van verdachte is gebleken dat hij niet eerder voor overtreding van de Opiumwet is veroordeeld. Ter terechtzitting heeft verdachte openheid van zaken gegeven en heeft hij de reden van zijn medeplichtigheid aan de hennepteelt uitgelegd. Hij neemt daarnaast zijn verantwoordelijkheid voor de diefstal van de elektriciteit en het water, waarvoor hij inmiddels de schulden aan het afbetalen is. Daarbij komt dat het lang heeft geduurd voordat deze zaak op zitting behandeld kon worden. Als uitgangspunt geldt dat de behandeling van een zaak ter terechtzitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen. Op 1 december 2023 is verdachte aangehouden en verhoord. Vanaf dit moment was verdachte bekend met de verdenking. Dit vonnis wordt uitgesproken op 10 februari 2026. Dat betekent dat sprake is van
overschrijding van de redelijke termijn met ruim twee maanden. Deze overschrijding valt niet aan verdachte toe te rekenen. De rechtbank zal met bovengenoemde omstandigheden in strafmatigende zin rekening houden.
Alles afwegende acht de rechtbank ten aanzien van de onder 1 en 2 subsidiair ten laste gelegde feiten een taakstraf voor de duur van 120 uren passend en geboden.
De rechtbank komt hiermee tot een lagere straf dan door de officier van justitie is geëist, nu zij van oordeel is dat met deze straf, in dit geval, op de juiste wijze recht wordt gedaan aan het bewezen verklaarde.

Benadeelde partij

De volgende personen hebben zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding:
Enexis Netbeheer BV, tot een bedrag van 12.209,67 ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel;
N.V. Waterbedrijf Groningen, tot een bedrag van 1.002,74 ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de officier van justitie
Ten aanzien van beide vorderingen stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat de gevorderde bedragen aan materiële schade kunnen worden toegewezen, zonder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de verdediging
De raadsman stelt zich op het standpunt dat beide vorderingen toewijsbaar zijn, gelet op het feit dat verdachte verantwoordelijkheid neemt voor de diefstal van de elektriciteit en het water.
Oordeel van de rechtbank
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partijen de gestelde schade hebben geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder feit 1 en 2 subsidiair bewezen verklaarde. De vorderingen, waarvan de hoogte niet door verdachte is betwist, zal daarom worden toegewezen.
De rechtbank zal de toe te wijzen bedragen niet vermeerderen met de wettelijke rente en zal daarbij afzien van de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, nu ter terechtzitting is gebleken dat verdachte onder bewind staat en door middel van een afbetalingsregeling bezig is met het aflossen van de gevorderde bedragen. Daarmee ziet de rechtbank voldoende zekerheid dat de schades zullen worden betaald en is het niet nodig dat de staat de incasso van de schadebedragen op zich neemt.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 48, 57, 63 en 311 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder feit 1 en 2 primair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder feit 1 en 2 subsidiair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:

een taakstraf voor de duur van 120 uren.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 60 dagen zal worden toegepast.
Ten aanzien van feit 2 subsidiair:
Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte om aan Enexis Netbeheer BV te betalen:
- het bedrag van 12.209,67 (zegge: twaalfduizend tweehonderd negen euro en zevenenzestig eurocent);
- de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.
Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte om aan NV Waterbedrijf Groningen te betalen:
  • het bedrag van 1.002,74 (zegge: duizend twee euro en vierenzeventig eurocent);
  • de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.A.M. Wolters, voorzitter, mr. H.H. Kielman en mr. E.P. van Sloten, rechters, bijgestaan door mr. J.H. Nieboer, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 10 februari 2026.
Mr. E.P. van Sloten en mr. H.H. Kielman zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.