ECLI:NL:RBNNE:2026:352

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
10 februari 2026
Publicatiedatum
10 februari 2026
Zaaknummer
18/206108-23
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 36f SrArt. 45 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen poging tot doodslag met vuurwapen en wapenbezit

Op 15 augustus 2023 schoot verdachte meerdere keren met een vuurwapen op het slachtoffer, waarbij het slachtoffer ernstig letsel opliep maar overleefde. Verdachte handelde samen met een medeverdachte die het vuurwapen aan haar gaf en haar aanmoedigde te schieten. De rechtbank achtte medeplegen wettig en overtuigend bewezen.

De verdediging voerde noodweer, noodweerexces en psychische overmacht aan, maar deze verweren werden door de rechtbank verworpen vanwege de omstandigheden en de disproportionaliteit van het geweld. Verdachte had de overhand in het conflict en het gebruik van het vuurwapen was niet noodzakelijk of geboden.

De rechtbank hield rekening met de ernst van het feit, het letsel van het slachtoffer, de maatschappelijke impact en de persoon van verdachte, die verminderd toerekeningsvatbaar is vanwege een lichte verstandelijke beperking en psychische stoornissen. De straf werd vastgesteld op 40 maanden gevangenisstraf, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden.

Daarnaast werd verdachte veroordeeld tot betaling van een immateriële schadevergoeding van €15.000 aan het slachtoffer, met wettelijke rente vanaf de datum van het incident. De rechtbank legde ook een schadevergoedingsmaatregel op en bepaalde dat verdachte en medeverdachte hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 40 maanden gevangenisstraf, waarvan 10 maanden voorwaardelijk, en een immateriële schadevergoeding van €15.000 aan het slachtoffer.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht
Locatie Groningen
parketnummer 18/206108-23
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 10 februari 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1990 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 26 november 2024, 19 december 2024 en 13 januari 2026.
Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. I. Djordjevic, advocaat te Groningen. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. H.J. Mous.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
zij op of omstreeks 15 augustus 2023 te [plaats] , gemeente Oldambt, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of haar mededader(s) voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, met een vuurwapen (meermalen) heeft geschoten in de borst, althans het lichaam, en/of in de richting van die [slachtoffer] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
althans, indien ter zake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat
zij op of omstreeks 15 augustus 2023 te [plaats] , gemeente Oldambt, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten
  • een breuk door het bovenste deel van het borstbeen (rechter zijde), en/of
  • een bloeding en enig vrije lucht in het mediastinum (ruimte achter het borstbeen en tussen de beide longen), en/of
  • een klaplong (rechts) met beschadiging van de bovenste longkwab (rechts), en/of
  • bloed in de (rechter) longholte, en/of
  • breuk van de vijfde rib (rechts) aan de achterzijde,
heeft toegebracht door met een vuurwapen (meermalen) te schieten in de borst, althans het lichaam, en/of in de richting van die [slachtoffer] ;
althans, indien ter zake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat
zij op of omstreeks 15 augustus 2023 te [plaats] , gemeente Oldambt, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of haar mededader(s) voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met een vuurwapen (meermalen) heeft geschoten in de borst, althans het lichaam, en/of in de richting van die [slachtoffer] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2.
zij op of omstreeks 15 augustus 2023 te [plaats] , gemeente Oldambt tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
  • een wapen van categorie II, onder 2 van de Wet wapens en munitie, zijnde een vuurwapen geschikt om automatisch te vuren, en/of
  • een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool, en/of
  • munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten vijf, althans een hoeveelheid, hulzen, voorhanden heeft gehad.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat verdachte partieel moet worden vrijgesproken. Aangezien het wapen niet is gevonden, kan niet met zekerheid vastgesteld worden of dit een volautomatisch vuurwapen betreft en daardoor in een zwaardere categorie van de Wet Wapens en Munitie behoort, zoals ten laste is gelegd. Daarnaast kan ook het ten laste gelegde medeplegen niet wettig en overtuigend bewezen worden. Nu het onduidelijk is of het wapen uit de handen van medeverdachte [medeverdachte] is gepakt of dat hij het heeft aangereikt, zijn er onvoldoende aanwijzingen dat er sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
Ieder bewijsmiddel is ook in onderdelen slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 25 augustus 2023, opgenomen op pagina 104 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2023216206 d.d. 19 september 2023, inhoudend als verklaring van
[slachtoffer] :
Op 15 augustus 2023 ben ik van huis vertrokken. Onderweg op [adres] in [plaats] kwam ik [verdachte] en [medeverdachte] tegen. Ik hoorde de man zeggen: “Je moet haar schieten, dat moet je doen, je moet haar schieten”. Ik hoorde hem dat diverse keren roepen. Ik hoorde toen ook het geluid dat er geschoten werd. Ik raakte in shock. Ik zag dat ik bloed op mijn lichaam had. De kogel is op het midden van mijn borstbeen mijn lichaam in gegaan. De artsen hebben de kogel uit mijn lichaam gehaald. Ik ben één keer geraakt door een kogel. [verdachte] heeft geschoten.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 15 augustus 2023, opgenomen op pagina 149 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisanten:
[slachtoffer] vertelde ons samengevat het volgende: “Die meneer
[naar de rechtbank begrijpt: medeverdachte [medeverdachte] ]had een tas, een kleine tas. Hij pakte zn ding en gaf het aan de vrouw en hij zei: Shoot ze. Shoot, shoot, doe het. En de vrouw schoot, zo was het”.
3. Een schriftelijk bescheid, te weten een forensisch medische letselrapportage van de GGD Groningen d.d. 9 januari 2024, bijgevoegd bij voornoemd dossier, opgemaakt door [forensisch arts] op algemene belofte als forensisch arts, voor zover inhoudend als verklaring:
Het betreft letsel aan de borstkas met breuken van het borstbeen en van een rib, een bloeding in de ruimte achter het borstbeen, een klaplong en een bloeding in de longholte. Het letsel betreft een schotverwonding. Aan de voorzijde van de borstkas is een enkele wond aangetroffen, aan de rugzijde rechts werd een onderhuids gelegen kogel aangetroffen. In de medische literatuur wordt een sterftepercentage van 28% gemeld bij patiënten met een schotverwonding in de borstkas die levend het ziekenhuis bereiken. Dit percentage loopt op tot ongeveer 50% als ook de patiënten met een schotverwonding in de borstkas worden meegerekend die overlijden voordat ze het ziekenhuis bereiken.
4. Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] bij de rechter-commissaris op 24 september 2024, inhoudende als verklaring van de getuige:
Op 15 augustus 2023 ging de bel. [medeverdachte] stond voor de deur. Hij was in paniek. Hij zei: “Er is gebeurd wat moest gebeuren. [verdachte] heeft die vrouw “geklapt” zodat deze vrouw “laf bleef”. [medeverdachte] zei dat hij een pistool trok uit zijn tasje en dat hij het pistool toen aan [verdachte] heeft gegeven en heeft gezegd: “schiet, schiet die vrouw”. Hij vertelde dat [verdachte] het wapen van hem had aangepakt en vijf keer had geschoten. Ik heb daarna [verdachte] gevraagd of het zo was gegaan en zij bevestigde dat. Ze vertelden dat de vrouw was geraakt. Het ergste is dat het [naam zoontje] alles heeft gezien. Hij vertelde mij dat zijn vader het pistool pakte uit zijn tasje, dat hij het wapen aan mama gaf en dat mama heeft geschoten, vijf keer.
5. Een schriftelijk bescheid, te weten een kennisgeving van inbeslagneming, opgenomen op pagina 288
e.v. van voornoemd dossier, inhoudende:
Inbeslagneming
Op 15 augustus 2023 vond een opzettelijk schietincident plaats op [adres] te [plaats] . Op de plaats delict werden vijf hulzen van verschoten patronen aangetroffen. Deze werden in beslag genomen.
Volgnummer 1
Goednummer : PL0100-2023216206-1632512
Spoor identificatienr. : AAQW4714NL
Volgnummer 2
Goednummer : PL0100-2023216206-1632516
Spoor identificatienr. : AAQW4713NL
Volgnummer 3
Goednummer : PL0100-2023216206-1632517
Spoor identificatienr. : AAQW4712NL
Volgnummer 4
Goednummer : PL0100-2023216206-1632518
Spoor identificatienr. : AAQW4711NL
Volgnummer 5
Goednummer : PL0100-2023216206-1632519
Spoor identificatienr. : AAQW4710NL
6. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal d.d. 18 december 2023, bijgevoegd bij voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisant:
Het betreffende vuurwapen waarmee de hulzen zijn verschoten, is naar verwachting een semiautomatisch pistool dat bestemd is om projectielen van eenheidspatronen in het kaliber 6,35 mm door een loop af te schieten. De werking van een dergelijk vuurwapen berust op het teweegbrengen van een scheikundige ontploffing. Een dergelijk pistool is een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder Pro 3, gelet op artikel 2 lid 1 categorie Pro III onder 1 van de Wet wapens en munitie.
De vijf (5) hulzen zijn geschikt om munitie van te maken als bedoeld in artikel 3 lid 2 van Pro de Wet wapens en munitie. Hierdoor zijn deze hulzen, munitie in de zin van artikel 1 onder Pro 4 gelet op artikel 2 lid Pro 2, categorie III van de Wet wapens en munitie.
Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.
Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde
Na een affaire tussen verdachte en de partner van aangeefster, [naam] , ontstaat een langdurig conflict tussen verdachte en haar partner, medeverdachte [medeverdachte] , enerzijds en aangeefster en [naam] anderzijds. Dit conflict leidt uiteindelijk tot een ernstig geweldsincident waarbij aangeefster door verdachte wordt neergeschoten.
In de ochtend van 15 augustus 2023 lopen verdachte en [medeverdachte] samen met hun zoontje, [naam zoontje] , en de kinderwagen in de richting van [adres] in [plaats] . Daar komt aangeefster hen tegemoet. Al snel ontstaat er ruzie en op een gegeven moment komen aangeefster en verdachte in een worsteling terecht. Gedurende deze ruzie en de daaropvolgende worsteling krijgt verdachte een vuurwapen in haar handen. Zij schiet daar vijf keer mee. Eén van de kogels raakt aangeefster in haar borst. Als gevolg heeft aangeefster een breuk aan haar borstbeen, een gebroken rib, een bloeding in de ruimte achter het borstbeen, een klaplong en een bloeding in de longholte. Ze overleeft het voorval.
Verdachte heeft verklaard dat het zwart werd voor haar ogen en dat zij zich niet kan herinneren dat ze het vuurwapen in haar handen heeft gekregen en hiermee heeft geschoten. Uit het dossier blijkt echter duidelijk dat zij degene is die heeft geschoten en dit wordt door haar in zoverre ook niet ontkend.
De rechtbank stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg zoals hier het overlijden van aangeefster aanwezig is indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden.
De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.
Verdachte heeft in een chaotische situatie waarin aangeefster zich op zeer korte afstand van haar bevond, meerdere malen met een vuurwapen geschoten. Zij heeft daarbij aangeefster geraakt in het bovenlichaam. Naar algemene ervaringsregels roept het schieten met een vuurwapen in het bovenlichaam, en zeker van zo dichtbij, de aanmerkelijke kans in het leven dat het slachtoffer daardoor komt te overlijden, nu er zich in het bovenlichaam diverse vitale organen bevinden die door een schotwond zodanig beschadigd kunnen raken dat als gevolg daarvan de dood van het slachtoffer intreedt. Bij dit soort schotverwondingen is blijkens de letselrapportage in het algemeen de kans op de dood 50%.
Nu het algemene ervaringsregels betreffen, heeft eenieder en dus ook verdachte wetenschap van het bestaan van deze aanmerkelijke kans. De rechtbank is van oordeel dat uit de uiterlijke verschijningsvorm van deze gedragingen die immers zozeer gericht zijn op een bepaald gevolg, te weten de dood van het slachtoffer volgt dat verdachte deze aanmerkelijke kans bewust heeft aanvaard. Van contra-indicaties waaruit zou blijken dat zij die aanmerkelijke kans niet heeft aanvaard, is niet gebleken.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat op basis van het voornoemde wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag.
De rechtbank acht ook het ten laste gelegde medeplegen wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid bij een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezen verklaard wanneer is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. Ook wanneer het ten laste gelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering tijdens het begaan van het strafbare feit kan sprake zijn van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking indien de materiële en/of intellectuele bijdrage van de ander aan het strafbare feit van voldoende gewicht is.
De rechtbank stel voorop dat vaststaat dat het [medeverdachte] is geweest die een wapen heeft meegenomen tijdens een wandeling met zijn gezin. Het is ook [medeverdachte] die het wapen uit zijn tasje tevoorschijn haalt op het moment dat er het conflict met aangeefster ontstaat. Uit de verklaring van aangeefster blijkt vervolgens dat [medeverdachte] het wapen aan verdachte heeft gegeven en dat hij tegen haar heeft gezegd dat zij aangeefster neer moest schieten. Deze verklaring vindt steun in de verklaring van getuige [getuige] . Deze getuige heeft zowel bij de politie als bij de rechter-commissaris consistent verklaard dat [medeverdachte] direct na het incident tegen haar heeft gezegd dat hij het wapen aan verdachte heeft gegeven en haar heeft aangemoedigd om te schieten. De rechtbank vindt die verklaring betrouwbaar. [medeverdachte] heeft weliswaar verklaard dat hij het wapen niet heeft gegeven, maar dat verdachte dit van hem zou hebben afgepakt, maar dit vindt geen steun in ander bewijs. De rechtbank ziet ook niet voor zich hoe verdachte het wapen van [medeverdachte] kan afpakken terwijl zij in gevecht is met aangeefster en [medeverdachte] (zo volgt uit zijn eigen verklaring) zich bekommert om hun baby die uit de kinderwagen was gevallen. De rechtbank acht de verklaring van [medeverdachte] dan ook niet aannemelijk en gaat er vanuit dat hij het wapen niet alleen aan verdachte heeft gegeven, maar dat hij verdachte ook nog eens heeft aangemoedigd door meermaals te zeggen dat ze moest schieten. De rechtbank is daarmee van oordeel dat de bijdrage van [medeverdachte] van voldoende gewicht is om te kunnen spreken van medeplegen.
De rechtbank komt daarmee tot een bewezenverklaring van het onder 1 primair ten laste gelegde.
Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde
Zoals hiervoor reeds is overwogen, kan wettig en overtuigend bewezen worden dat verdachte het vuurwapen in handen heeft gehad en dat zij hiermee heeft geschoten. Hoewel het wapen niet is gevonden, wordt aan de hand van de aangetroffen hulzen geconcludeerd dat het gaat om een vuurwapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie.
Anders dan de raadsvrouw, is de rechtbank van oordeel dat het ten laste gelegde medeplegen wettig en overtuigend kan worden bewezen aangezien [medeverdachte] het vuurwapen aan verdachte heeft gegeven.
De rechtbank acht daarmee het onder 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1 primair en onder 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
1. primair
zij op 15 augustus 2023 te [plaats] , gemeente Oldambt, tezamen en in vereniging met een ander, ter uitvoering van het door verdachte en haar mededader voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, met een vuurwapen meermalen heeft geschoten in de borst en/of in de richting van die [slachtoffer] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
zij op 15 augustus 2023 te [plaats] , gemeente Oldambt, tezamen en in vereniging met een ander,
  • een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool, en
  • munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten vijf hulzen, voorhanden heeft gehad.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte
Standpunt van de verdediging
Met betrekking tot het onder 1 ten laste gelegde heeft de raadsvrouw aangevoerd dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging nu er sprake is van noodweer dan wel noodweerexces. Zij heeft daartoe het volgende aangevoerd.
Het enkele feit dat verdachte achteraf niet meer precies weet wat er gebeurd is, staat niet in de weg aan het aannemen van noodweer of noodweerexces. Aan de hand van de verklaringen van [medeverdachte] , de camerabeelden en de overige onderzoeksresultaten kan getoetst worden aan de criteria van artikel 41 van Pro het Wetboek van Strafrecht.
Er was sprake van een ogenblikkelijke en wederrechtelijk aanranding. Aangeefster heeft verdachte op haar hoofd geslagen en haar kinderwagen waar haar baby in lag omver geduwd. Verdachte was niet bedacht op deze aanval en heeft de confrontatie niet opgezocht. Ze werd in het nauw gedreven en onverhoeds aangevallen.
De verdediging was passend en geboden. Verdachte is in een smalle straat in het bijzijn van haar kinderen aangevallen. Zij kreeg direct een klap op haar hoofd. Zij zag haar baby op de grond liggen terwijl zij zelf geslagen werd door aangeefster. Verdachte vreesde voor haar leven en het leven van haar kinderen. [medeverdachte] kon haar vanwege een hernia niet helpen. Verdachte was nog herstellende van de bevalling en een operatie en kon daardoor niet wegrennen. Bovendien kon zij haar kinderen niet aan hun lot over te laten. Er was geen reëel alternatief om zichzelf en haar kinderen uit de situatie te redden.
Verdachte heeft geprobeerd om de confrontatie met aangeefster te voorkomen en haar op afstand te houden. Aangeefster zette echter opnieuw de aanval in waarop verdachte een aantal schoten loste, waarvan één aangeefster heeft geraakt. Dit gebeurde op het moment dat zij belaagd werd. Op het moment dat verdachte een kans zag om weg te vluchten, heeft zij dit gedaan.
Indien wordt aangenomen dat verdachte de grenzen van de noodzakelijke verdediging heeft overschreden, komt verdachte een beroep op noodweerexces toe. Er was bij verdachte sprake van een langdurig opgebouwde angst voor aangeefster. Op het moment dat verdachte werd aangevallen, vreesde ze voor haar leven en dat van haar kinderen. Die hevige gemoedsbeweging, namelijk angst en paniek, is het onmiddellijke gevolg geweest van de ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding. Bovendien was haar pasgeboren baby op de grond gevallen/geduwd. De angst heeft ervoor gezorgd dat verdachte heeft geschoten met het wapen dat zij voorhanden kreeg.
Met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde heeft de raadsvrouw aangevoerd dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging nu er sprake is van psychische overmacht. Zij heeft daartoe het volgende aangevoerd.
Op het moment dat verdachte het wapen in haar handen kreeg, verkeerde zij in een enorme paniektoestand. Daarnaast was ze fysiek niet in staat om te vluchten of vechten. Verdachte dacht dat zij en haar kinderen in levensgevaar verkeerden en ze kreeg geen hulp. Ze kon niet anders dan het wapen aanpakken. Derhalve was er sprake van een van buiten komende drang waaraan verdachte redelijkerwijze geen weerstand kon en ook niet hoefde te bieden.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het beroep op noodweer dan wel noodweerexces en het beroep op psychische overmacht dienen te worden verworpen.
Oordeel van de rechtbank
Noodweer(exces)
De rechtbank stelt voorop dat voor een geslaagd beroep op noodweer dan wel noodweerexces allereerst de vraag moet worden beantwoord of sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed, dan wel een onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor.
Vervolgens dient beoordeeld te worden of de door verdachte tegen deze (dreigende) aanranding gevoerde verdediging noodzakelijk was en of de gekozen wijze van verdediging geboden was.
De rechtbank stelt op basis van het dossier en hetgeen ter zitting is besproken de volgende relevante feiten en omstandigheden vast.
In eerste instantie komt aangeefster met ferme pas aflopen op verdachte en [medeverdachte] . Vervolgens bewegen verdachte en aangeefster zich naar het midden van de weg en belaagt aangeefster verdachte. Verdachte valt op de grond en aangeefster duikt bovenop haar. Zij raken op straat in gevecht. Tijdens het vechten loopt [medeverdachte] naar verdachte en aangeefster. Verdachte staat op en aangeefster valt op straat. Vervolgens wordt aangeefster belaagd door verdachte. Verdachte zit daarna bovenop aangeefster.
Hoewel het onduidelijk blijft wanneer er precies is geschoten, staat wel vast dat [medeverdachte] op een gegeven moment tijdens dit conflict een vuurwapen overhandigt aan verdachte en dat zij hiermee aangeefster neerschiet.
Hoewel aangeefster aanvankelijk degene is die de confrontatie opzoekt, is de rechtbank van oordeel dat de bovenstaande feiten en omstandigheden geen beroep op noodweer of noodweerexces rechtvaardigen. De aanval vanuit aangeefster was niet dusdanig dat verdachte niet op een andere wijze had kunnen en moeten handelen. Het betrof een situatie van twee tegen één waarin verdachte op een gegeven moment zelfs de overhand had. Verdachte heeft zich niet enkel verdedigd tegen aangeefster, maar heeft zij actief de tegenaanval ingezet. Bovendien staat het trekken van een vuurwapen en deze ook daadwerkelijk gebruiken niet in verhouding tot de aanval vanuit aangeefster.
Tot slot is het onduidelijk hoe de kinderwagen precies is omgevallen en kan de rechtbank niet vaststellen of deze door aangeefster of door iemand anders is omgeduwd of dat deze in de worsteling om is gevallen. Bovendien rechtvaardigt ook dit niet het trekken van een vuurwapen en het schieten daarmee.
Gelet op het voorgaande wordt het beroep op noodweer en noodweerexces verworpen.
Psychische overmacht
Voor een geslaagd beroep op psychische overmacht moet sprake zijn van een van buiten komende drang waaraan verdachte geen weerstand kan en ook niet hoeft te bieden, omdat dat redelijkerwijs niet van verdachte kan worden gevraagd. Mede gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is niet aannemelijk geworden dat verdachte in een zodanige situatie terecht is gekomen, dat van haar niet kon worden gevergd dat zij anders zou handelen dan zij heeft gedaan. Daarom verwerpt de rechtbank ook dit verweer.
Het bewezenverklaarde levert op:
1. primair medeplegen van poging tot doodslag
2.
Ten aanzien van het wapen
medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met een vuurwapen van categorie III;
Ten aanzien van de munitie
medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.
Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.
De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1 primair en onder 2 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 494 dagen met aftrek van het voorarrest, een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee jaar met een proeftijd van drie jaar en de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering zijn geadviseerd en een taakstraf van 240 uur.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft gepleit voor een onvoorwaardelijke straf gelijk aan het voorarrest en een voorwaardelijk straf, wellicht in de vorm van een taakstraf. De raadsvrouw heeft bepleit dat een onvoorwaardelijke taakstraf niet passend is. De zoon van verdachte, [naam zoontje] , is inmiddels weer terug bij verdachte. Hij heeft meer dan twee jaar niet bij zijn ouders gewoond. Zij hebben tijd nodig om structuur te vinden en opnieuw te hechten. Verdachte heeft haar baan op moeten zeggen om voldoende tijd te maken voor [naam zoontje] . Indien de taakstraf niet uitvoerbaar is, zal dat leiden tot vervangende hechtenis. Dit zal alle positieve ontwikkelingen in het leven van verdachte doorbreken.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de over haar opgemaakte rapportages, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich op 15 augustus 2023 in [plaats] schuldig gemaakt aan het medeplegen van poging tot doodslag en het voorhanden hebben van een vuurwapen. Die ochtend komt zij aangeefster tegen, met wie zij al langere tijd een conflict heeft. De twee krijgen ruzie en wanneer verdachte een vuurwapen in haar handen krijgt, schiet zij vijf keer. Ze raakt aangeefster in haar borst. Als gevolg van de schotwond heeft aangeefster meerdere breuken, bloedingen en een klaplong. Ze is overgebracht naar het ziekenhuis waar ze is geopereerd en de kogel uit haar lichaam is verwijderd. Verdachte heeft met haar handelen het leven van een ander in gevaar gebracht en de rechtbank rekent dit verdachte aan. Uit de vordering benadeelde partij en de slachtofferverklaring is gebleken dat aangeefster mentaal nog steeds erg veel last heeft van hetgeen haar is overkomen. Bovendien heeft de schietpartij plaatsgevonden op klaarlichte dag en zijn daar meerdere mensen waaronder kinderen - getuige van geweest. Een ervaring als deze zal hun gevoel van veiligheid wezenlijk hebben aangetast. Het behoeft bovendien geen toelichting dat dit schietincident in het algemeen gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg zal hebben gebracht en versterkt. Verdachte heeft daarnaast in de openbare ruimte een (doorgeladen) vuurwapen met bijbehorende munitie voorhanden gehad. De rechtbank weegt mee dat wapenbezit onrust en potentieel gevaar veroorzaakt in de maatschappij.
Uitgangpunt
Voor de bepaling van de straf heeft de rechtbank gekeken naar de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (verder: LOVS).
Ten aanzien van de onder feit 1 primair bewezenverklaarde poging doodslag zijn er geen LOVS oriëntatiepunten beschikbaar. Gelet op de ernst van het feit en de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd, is de rechtbank van oordeel dat dit feit in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van een aantal jaren rechtvaardigt.
De rechtbank zoekt ten aanzien van het onder feit 2 bewezenverklaarde aansluiting bij de oriëntatiepunten van het LOVS bij het voorhanden hebben van een pistool/revolver/geweer. Hiervoor geldt als uitgangspunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van acht maanden. Bovendien was het vuurwapen geladen en schietklaar, is het feit tezamen en in vereniging gepleegd en hebben de verdachten het vuurwapen in het openbaar gedragen.
Documentatie en de persoon van verdachte
De rechtbank heeft in aanmerking genomen dat verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
In het psychologisch onderzoek Pro Justitia d.d. 22 maart 2024, opgemaakt door
dr. R.W. Blaauw, wordt geconcludeerd dat verdachte functioneert op licht verstandelijk beperkt niveau. Daarnaast lijkt er sprake te zijn van een trauma- en stressorgerelateerde stoornis, ondanks het feit dat verdachte een lichte neiging lijkt te hebben om stemmingsklachten te overdrijven. De deskundige geeft aan dat waarschijnlijk sprake is geweest van een persisterende (chronische) aanpassingsstoornis met angst, die in remissie is. Tot slot was er mogelijk sprake van een verstoorde hormoonhuishouding als gevolg van een recente bevalling. De deskundige schetst in zijn rapport verschillende mogelijkheden die leiden tot een verschillende mate van toerekening.
Gelet op de door de deskundige vastgestelde stoornissen die ten tijde van het delict aanwezig waren, zal de rechtbank de feiten in verminderde mate aan verdachte toerekenen.
In het rapport van de Reclassering Nederland d.d. 10 juni 2024 en de aanvulling op dit rapport d.d. 23 december 2025 staat dat verdachte een nieuw bestaan heeft opgebouwd in Limburg. Ze heeft huisvesting, de zorg voor haar kinderen, dagbesteding en ze krijgt behandeling en begeleiding voor de praktische en emotionele uitdagingen waar ze mee kampt. De relatie met haar partner, [medeverdachte] , is goed.
Verdachte woont in een begeleide woonvorm van Exodus. Er wordt momenteel gekeken naar een eigen woning voor het gezin. Het recidiverisico wordt ingeschat als laag. De reclassering adviseert een (deels) voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling, begeleid wonen/maatschappelijke opvang, een contactverbod en een locatieverbod.
Straf
Hoewel de rechtbank oog heeft voor het feit dat verdachte een positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt het afgelopen jaar, is zij van oordeel dat de strafeis van de officier van justitie geen recht doet aan de ernst van de feiten. De strafeis van de officier van justitie zou uitkomen op een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van nog geen anderhalf jaar. Dat terwijl er voor enkel het wapenbezit al uit wordt gegaan van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van acht maanden. De officier van justitie heeft daarnaast nog een voorwaardelijke gevangenisstraf en de maximale taakstraf geëist. Het is echter gelet op het onder 1 primair bewezenverklaarde niet mogelijk om in deze zaak een taakstraf op te leggen.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf van 40 maanden waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar recht doet aan de ernst van de feiten en de persoon van verdachte, alsmede het feit dat zij als verminderd toerekeningsvatbaar moet worden beschouwd. Aan het voorwaardelijk deel zal de rechtbank de bijzondere voorwaarden verbinden zoals geadviseerd door de reclassering.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van Pro het Wetboek van Strafvordering.

Benadeelde partij

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van 20.000,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft hoofdelijke toewijzing van de vordering gevorderd met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard gelet op de door haar bepleite ontslag van alle rechtsvervolging.
Subsidiair heeft de raadsvrouw bepleit dat de vordering een onevenredige belasting van het strafproces oplevert gelet op de eigen schuld van de benadeelde partij.
Meer subsidiair heeft de raadsvrouw bepleit dat de vordering gematigd dient te worden omdat deze onvoldoende onderbouwd is en de aangehaalde jurisprudentie niet relevant is.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat genoegzaam is onderbouwd dat de benadeelde als rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde feit immateriële schade heeft geleden. Er is sprake van lichamelijk letsel in de zin van artikel 6:106 onder Pro b van het Burgerlijk Wetboek. Benadeelde is neergeschoten en heeft daarbij letsel opgelopen aan onder meer haar borstkas en longen. Bovendien heeft zij aan het bewezenverklaarde meerdere littekens overgehouden die zij de rest van haar leven met zich mee zal dragen. Voorts is benadeelde op andere wijze in haar persoon aangetast, zoals bedoeld in art. 6:106 onder Pro b BW, doordat zij door het bewezenverklaarde psychisch letsel heeft opgelopen. Benadeelde leeft in angst, slaapt slecht, heeft nachtmerries en herbelevingen en durft niet meer alleen over straat. Momenteel ontvangt zij een traumabehandeling, waaronder een EMDR-behandeling. Gelet op de aard en ernst van het door benadeelde opgelopen letsel en de door haar beschreven en gediagnosticeerde psychische gevolgen zoals die thans in voldoende mate vaststaan, wijst de rechtbank een bedrag van 15.000,00 aan immateriële schade toe. Daarbij heeft de rechtbank acht geslagen op bedragen die in vergelijkbare gevallen worden toegekend. De vordering zal in zoverre dus worden toegewezen. De rechtbank zal de benadeelde partij ten aanzien van het overige deel niet-ontvankelijk verklaren.
De rechtbank stelt vast dat verdachte het strafbare feit samen met een ander heeft gepleegd en dat zij naar civielrechtelijke maatstaven hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade. De rechtbank zal daarom bepalen dat verdachte de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen indien haar medeverdachte deze al heeft betaald, en andersom.
Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 45, 47, 57 en 287 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank
Verklaart het onder 1 primair en onder 2 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezenverklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 40 maanden.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf
een gedeelte, groot 10 maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op 3 jaar, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.
Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
Stelt als bijzondere voorwaarden:
dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd meldt bij de Reclassering Nederland op het adres [adres] , 088-8041501. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn;
dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt onder behandeling zal stellen van STEVIG of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling;
dat de veroordeelde gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt, zal verblijven in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang te weten Exodus, of een soortgelijke instelling, en zich zal houden aan de huisregels en het dagprogramma dat deze instelling in overleg met de reclassering heeft opgesteld;
dat de veroordeelde gedurende de proeftijd op geen enkele wijze direct of indirect contact zoekt of heeft met het slachtoffer [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 1970;
dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd niet bevindt in [plaats] .
Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
  • ten behoeve van het vaststellen van haar identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
  • medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.
Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.
Ten aanzien van feit 1 primair
Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, om aan
[slachtoffer]te betalen:
  • het bedrag van
  • de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 15 augustus 2023 tot de dag van algehele voldoening;
  • de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.
Verklaart de vordering voor het overige niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Legt aan verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat te betalen een bedrag van 15.000,00 (zegge: vijftienduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 augustus 2023 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 110 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat als verdachte of een mededader voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.A.M. Wolters, voorzitter, mr. J.V. Nolta en
mr. H.H. Kielman, rechters, bijgestaan door mr. G. Langius, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 10 februari 2026.