ECLI:NL:RBNNE:2026:375

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
13 februari 2026
Publicatiedatum
12 februari 2026
Zaaknummer
18.220536.25
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 36f SrArt. 38z Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling poging tot opzetverkrachting met dwang, bedreiging en mishandeling

Op 2 augustus 2025 heeft verdachte in een trein van Groningen naar Assen een jonge vrouw (aangeefster) van achteren aangevallen, haar met geweld proberen te overmeesteren en geprobeerd haar kleding uit te trekken met het oog op seksuele penetratie, terwijl zij zich hevig verzette. Verdachte gebruikte daarbij dwang, geweld en bedreiging, en mishandelde daarnaast twee medewerkers van de Nederlandse Spoorwegen die probeerden in te grijpen.

De rechtbank acht de verklaring van aangeefster betrouwbaar en vindt deze gesteund door getuigenverklaringen en andere bewijsmiddelen. Het door verdachte geschetste alternatieve scenario van wederzijds geweld wordt verworpen. De rechtbank stelt vast dat verdachte een begin van uitvoering heeft gegeven aan het voorgenomen misdrijf, waardoor sprake is van poging tot opzetverkrachting.

Verdachte is tevens veroordeeld voor bedreiging en mishandeling van NS-medewerkers. De rechtbank houdt rekening met de psychische problematiek van verdachte, zijn jonge leeftijd en het hoge recidiverisico. Er is geen toepassing van het jeugdstrafrecht. De straf bestaat uit 3 jaar gevangenisstraf, waarvan 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, en een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel.

Daarnaast zijn schadevergoedingen toegekend aan de slachtoffers voor materiële en immateriële schade, met wettelijke rente en een schadevergoedingsmaatregel om betaling af te dwingen. Het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis is afgewezen.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 3 jaar gevangenisstraf, waarvan 1 jaar voorwaardelijk, en gedragsbeïnvloedende maatregel voor poging tot opzetverkrachting met dwang, bedreiging en mishandeling.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht
Locatie Assen
parketnummer 18.220536.25
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 13 februari 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 2006 te [geboorteplaats] , ingeschreven in de Basisregistratie Personen:
[adres] ,
thans gedetineerd te [instelling] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 30 januari 2026. Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. A.P.E.M. Pover, advocaat te Meppel.
Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. A.H. Veltkamp.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 2 augustus 2025 te Assen, althans in de trein onderweg van Groningen naar Assen, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met een persoon, te weten [slachtoffer 1] , een of meer seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam te verrichten terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [slachtoffer 1] daartoe de wil ontbrak en deze poging tot opzetverkrachting te doen voorafgaan door, vergezellen van en/of volgen door dwang, geweld en/of bedreiging,
  • van achteren (terwijl die [slachtoffer 1] de verdachte niet aan zag komen) en/of onverhoeds een jas over het hoofd en/of gezicht van die [slachtoffer 1] heeft gegooid, ten gevolge waarvan het zicht en/of de oriëntatie van die [slachtoffer 1] werd belemmerd, en/of
  • meerdere malen, althans eenmaal, het lichaam van die [slachtoffer 1] heeft vastgepakt en/of vastgepakt heeft gehouden, ten gevolge waarvan die [slachtoffer 1] zich niet of nauwelijks kon bewegen, en/of
  • meerdere malen, althans eenmaal, de (bedekte) benen en/of vagina van die [slachtoffer 1] heeft gestreeld en/of geaaid en/of betast, en/of
  • meerdere malen, althans eenmaal, tegen het gezicht en/of het lichaam van die [slachtoffer 1] heeft gestompt en/of geslagen, en/of
  • verdachtes broek en/of onderbroek heeft uitgetrokken en/of naar beneden heeft gedaan en/of zijn penis heeft ontbloot, en/of
  • toen die [slachtoffer 1] ten val is gekomen en/of op de grond lag, op het lichaam van die [slachtoffer 1] heeft gezeten, en/of
  • de jas en/of het T-shirt en/of het hemd, althans de bovenkleding van die [slachtoffer 1] omhoog heeft getrokken en/of uit heeft getrokken, en/of
  • de knoop van de broek van die [slachtoffer 1] heeft opengeknoopt en/of losgemaakt en/of de rits van de broek van die [slachtoffer 1] heeft opengetrokken en/of naar beneden heeft geritst en/of de broek van die [slachtoffer 1] heeft uitgetrokken en/of naar beneden heeft getrokken, en/of
  • meerdere malen, althans eenmaal, die [slachtoffer 1] bij de nek en/of hals heeft vastgepakt en/of vastgepakt heeft gehouden en/of in de nek en/of hals heeft geknepen en/of die [slachtoffer 1] heeft gewurgd, waardoor die [slachtoffer 1] geen of nauwelijks adem kon halen en/of de zuurstoftoevoer van die [slachtoffer 1] werd belemmerd, en/of
  • verdachte (aldus) meerdere malen, althans eenmaal, misbruik heeft gemaakt van zijn fysieke overwicht ten opzichte van die [slachtoffer 1] , en/of
- meerdere malen, althans eenmaal, is voorbijgegaan aan de verbale en/of non-verbale signalen van verzet en/of weerstand van die [slachtoffer 1] ,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 2 augustus 2025 te Assen, althans in de trein onderweg van Groningen naar Assen, althans in Nederland, met een persoon, te weten [slachtoffer 1] een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten door
  • meerdere malen, althans eenmaal, de (bedekte) benen en/of vagina van die [slachtoffer 1] te strelen en/of aaien en/of betasten, en/of
  • de jas en/of het T-shirt en/of het hemd, althans de bovenkleding van die [slachtoffer 1] omhoog te trekken en/of uit te trekken, en/of
  • de knoop van de broek van die [slachtoffer 1] open te knopen en/of open te trekken en/of los te maken en/of de rits van de broek van die [slachtoffer 1] open te trekken en/of naar beneden te ritsen en/of de broek van die [slachtoffer 1] uit te trekken en/of naar beneden te trekken,
terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [slachtoffer 1] daartoe de wil ontbrak, en welke opzetaanranding werd voorafgegaan door, vergezeld van en/of gevolgd door dwang, geweld en/of bedreiging, door
  • van achteren (terwijl die [slachtoffer 1] de verdachte niet aan zag komen) en/of onverhoeds een jas over het hoofd en/of gezicht van die [slachtoffer 1] te gooien ten gevolge waarvan het zicht en/of de oriëntatie van die [slachtoffer 1] werd belemmerd, en/of
  • meerdere malen, althans eenmaal, het lichaam van die [slachtoffer 1] vast te pakken en/of vastgepakt te houden, ten gevolge waarvan die [slachtoffer 1] zich niet of nauwelijks kon bewegen, en/of
  • meerdere malen, althans eenmaal, tegen het gezicht en/of het lichaam van die [slachtoffer 1] te stompen en/of te slaan, en/of
  • toen die [slachtoffer 1] ten val kwam en/of op de grond lag, op het lichaam van die [slachtoffer 1] te gaan zitten, en/of
  • meerdere malen, althans eenmaal, die [slachtoffer 1] bij de nek en/of hals vast te pakken en/of vast te houden en/of in de nek en/of hals te knijpen en/of die [slachtoffer 1] te wurgen, waardoor die [slachtoffer 1] geen of nauwelijks adem kon halen en/of zuurstoftoevoer van die [slachtoffer 1] werd belemmerd, en/of
  • ( aldus) meerdere malen, althans eenmaal, misbruik te maken van zijn, verdachtes, fysieke overwicht ten opzichte van die [slachtoffer 1] , en/of
  • meerdere malen, althans eenmaal, voorbij te gaan aan de verbale en/of non-verbale signalen van verzet en/of weerstand van die [slachtoffer 1] ;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 2 augustus 2025 te Assen, althans in de trein onderweg van Groningen naar Assen, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
  • meerdere malen, althans eenmaal, het lichaam van die [slachtoffer 1] heeft vastgepakt en/of vastgepakt heeft gehouden en/of heeft geduwd, en/of
  • meerdere malen, althans eenmaal, tegen het gezicht en/of het lichaam van die [slachtoffer 1] heeft gestompt en/of geslagen, en/of
  • toen die [slachtoffer 1] ten val is gekomen en/of op de grond lag, op het lichaam van die [slachtoffer 1] heeft gezeten, en/of
  • meerdere malen, althans eenmaal, die [slachtoffer 1] bij de nek en/of hals heeft vastgepakt en/of vastgepakt heeft gehouden en/of in de nek en/of hals heeft geknepen en/of die [slachtoffer 1] heeft gewurgd, waardoor die [slachtoffer 1] geen of nauwelijks adem kon halen en/of de zuurstoftoevoer van die [slachtoffer 1] werd belemmerd,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
meest subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 2 augustus 2025 te Assen, althans in de trein onderweg van Groningen naar Assen, althans in Nederland, [slachtoffer 1] heeft mishandeld, door
  • meerdere malen, althans eenmaal, het lichaam van die [slachtoffer 1] vast te pakken en/of vastgepakt te houden en/of te duwen, en/of
  • meerdere malen, althans eenmaal, tegen het gezicht en/of het lichaam van die [slachtoffer 1] te stompen en/of te slaan, en/of
  • toen die [slachtoffer 1] ten val is gekomen en/of op de grond lag, op het lichaam van die [slachtoffer 1] te gaan zitten, en/of
  • meerdere malen, althans eenmaal, die [slachtoffer 1] bij de nek en/of hals vast te pakken en/of vastgepakt te houden en/of in de nek en/of hals te knijpen en/of die [slachtoffer 1] te wurgen, waardoor die [slachtoffer 1] geen of nauwelijks adem kon halen en/of de zuurstoftoevoer van die [slachtoffer 1] werd belemmerd;
2.
hij op of omstreeks 2 augustus 2025 te Assen, althans in de trein onderweg van Groningen naar Assen, althans in Nederland, [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] dreigend de woorden toe te voegen:
  • " Ik ga jullie neerschieten" en/of
  • " ik hoop datje moeder kanker krijgt, ik heb messen en pistolen. Jij met je kale kop solliciteert naar een kogel. Jullie weten niet wie ik ben. Ik hoop dat je moeder en jijzelf ook doodgaat. Ik kom je nog wel tegen" en/of
  • " jij kan ook wel een kogel door je kop krijgen", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;
3.
hij op of omstreeks 2 augustus 2025 te Assen, althans in de trein onderweg van Groningen naar Assen, althans in Nederland, [slachtoffer 2] heeft mishandeld, door die [slachtoffer 2] in/tegen het gezicht/hoofd, althans tegen het lichaam, te stompen en/of te slaan.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het onder 1 primair en het onder 2 en 3 ten laste gelegde.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1 primair, subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde. Ten aanzien van het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde heeft hij daartoe aangevoerd dat de verklaring van aangeefster onvoldoende steun vindt in enig ander bewijs en derhalve niet is voldaan aan het bewijsminimum in de zin van artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering. Aangevoerd is dat er onvoldoende wettig bewijs voorhanden is om te kunnen vaststellen dat er sprake is geweest van een begin van uitvoering van het seksueel binnendringen of aanranden van aangeefster. Ten aanzien van het onder 1 meer subsidiair ten laste gelegde heeft de raadsman aangevoerd dat er geen sprake is van zwaar lichamelijk letsel of opzet gericht op het toebrengen daarvan. Voor wat betreft de bewezenverklaring van het onder 1 meest subsidiair, 2 en 3 ten laste gelegde heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde
De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
1. De door verdachte ter zitting van 30 januari 2026 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:
Op 2 augustus 2025 ben ik in Groningen in de trein gaan zitten. In de trein heb ik fysiek geweld gebruikt tegen een mevrouw. Ik heb haar in het gezicht en tegen haar lichaam geslagen en haar bij haar keel gepakt.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 2 augustus
2025, opgenomen op pagina 45 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2025207182 d.d. 20 oktober 2025, inhoudend als verklaring van
[slachtoffer 1] :
Ik zat in de trein en ineens greep hij zijn jas en heeft hij mijn gezicht hiermee bedekt.
Daarna heeft hij met zijn handen mijn lichaam vastgehouden zodat ik niet kon bewegen. Hij heeft met zijn hand mijn broek geaaid. Daarna begon hij mij te slaan. Ik begon te roepen dat ik geholpen wilde worden. Daarna probeerde ik mij te verdedigen. Hij wilde mij verkrachten. Ik heb geprobeerd om uit zijn handen te komen. Toen ben ik gevallen op de grond. Daarna dan was ik onder hem, hij ging mij tegenhouden op de grond. Daarna heeft hij geprobeerd mijn kleding uit te trekken, de rits van mijn broek opengetrokken en ook zijn eigen broek uitgetrokken. Ik verdedigde mij en hij ging mijn nek grijpen. Hij heeft ook de zijkant van mijn bovenlichaam geslagen. Hij heeft mij ook in mijn gezicht geslagen. Daarna ben ik gevlucht. Het incident is gebeurd tussen Groningen en Assen. Hij heeft aan de achterkant van mijn zitplaats de jas over mijn gezicht gedaan. In het begin heeft hij de zijkant van mijn been geaaid. Toen heeft hij mij bij mijn seksorgaan aangeraakt. Tussen mijn twee benen.
Ik zat op de bank en ik verdedigde mij. Ik zag toen dat hij zijn broek ook uitgetrokken
had. Ik heb zijn penis gezien. Toen ik op de grond lag heeft hij mijn kleding uitgetrokken. Hij heeft met zijn arm mijn nek vastgedrukt, zodat ik moeilijk kon bewegen en stil kon blijven liggen. Hij was bovenop mij en heeft mijn kleding uitgetrokken. Eerst mijn jas naar beneden. Deze bleef bij mijn handen hangen. Hierna mijn T-shirt en hemd omhoog over mijn hoofd. Toen ik ging roepen zei hij: “Shut up”.
()
V: Ik zie allemaal letsels aan je hoofd, een bult op je voorhoofd, een blauw oog, een schram op je kin, rood in de nek. Was dit ook zo toen je in de trein stapte?
A: Nee toen was er niks aan de hand.
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 2 augustus 2025, opgenomen op pagina 96 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 2] :
Ik ben op 2 augustus 2025 in Groningen begonnen met mijn werkzaamheden op de trein. Het eerstvolgende station was Assen. Voordat de trein vertrok vanuit het perron in Groningen had ik al contact gehad met een getinte jongeman met een grote bos zwart haar. Hij heeft bij mij een kaartje gekocht met uitstel van betaling (UVB). Hij legitimeerde zich met zijn paspoort. Nadat de trein was vertrokken zag ik dat de tussendeur op een aparte manier openging. Ik zag een meisje dat niet stabiel stond en van slag leek. Ik zag dat haar kleding niet goed zat en deels uit was. Ik zag dat een mouw van haar truitje binnenstebuiten om haar hand heen hing. Ik zag haar ondershirt omhoog en ik zag haar BH. Ik zag dat de knoop van haar broek los was en de gulp deels openstond. Ik hoorde dat ze ons huilend en snikkend om hulp vroeg in het Engels. Ik hoorde dat ze zei: "Please help me, somebody hurt me he wants to fuck me.” Toen het meisje ging zitten zag ik dat op haar voorhoofd een grote bobbel zat met bloed. Boven in de coupé zat er een jas tussen twee stoelen in gepropt. Toen ik de jas pakte zag ik dat dit de jas was die de jongen van de UVB droeg. Hier zat ook zijn paspoort in.
Bewijsoverwegingen
De onderhavige zaak betreft (primair) de verdenking van een zedendelict. Het gaat in zedenzaken vaak om feiten die zich vaak tussen slechts twee personen afspelen en waarbij het uiteindelijk in de kern gaat om het woord van de aangever (in casus aangeefster) tegen dat van de verdachte.
Volgens artikel 342, tweede lid, Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) mag het bewijs dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Dit bewijsminimum strekt tot waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat het de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen als de door één getuige gereleveerde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. Deze bepaling betreft de tenlastelegging in haar geheel.
Het bewijsminimumvoorschrift erop neer dat de rechtbank eerst moet beoordelen of de verklaring van aangeefster betrouwbaar is. Indien dat het geval is, zal de rechtbank moeten beoordelen of die verklaring in voldoende mate wordt ondersteund door het steunbewijs, dat op zijn beurt ook voldoende betrouwbaar moet zijn. Het steunbewijs zal verder moeten zien op feiten en omstandigheden die niet in een te ver verwijderd verband staan tot de aan verdachte verweten gedragingen. De vraag of aan het bewijsminimum is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval.
De rechtbank gaat uit van de verklaring aangeefster
De rechtbank acht de verklaring van aangeefster betrouwbaar. Aangeefster heeft in de kern en bij herhaling concreet en gedetailleerd verklaard over wat er in de trein is gebeurd. Dat maakt dat de rechtbank haar verklaring betrouwbaar acht en dus ook bruikbaar voor het bewijs.
De rechtbank heeft zowel op basis van de inhoud van het dossier als anderszins geen reden om aan de betrouwbaarheid van de verklaring van aangeefster te twijfelen. Dat de verklaring van aangeefster op onderdelen tegenstrijdigheden bevat maakt dit oordeel niet anders. De aanwezige discrepanties zijn van ondergeschikt belang en raken niet de kern van het verwijt.
Steunbewijs
De rechtbank is, anders dan de raadsman, van oordeel dat de verklaring van aangeefster op essentiële onderdelen steun vindt in en in belangrijke mate wordt bevestigd door de inhoud van de verklaring van getuige [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2] ). Nadat aangeefster zich van verdachte heeft weten los te maken, heeft zij die [slachtoffer 2] en een collega, medewerkers van de Nederlandse Spoorwegen (hierna: NS), om hulp gevraagd. Medewerkers van de NS treffen aangeefster gewond, deels ontkleed en op emotionele en ontredderde wijze aan. Het voorgaande sluit aan bij de verklaring van aangeefster over wat haar is overkomen en past naar het oordeel van de rechtbank niet bij het door verdachte geschetste scenario dat er enkel over en weer is geslagen.
In dat verband overweegt de rechtbank ook dat [slachtoffer 2] heeft verklaard dat zij in de coupé waar het incident zou hebben plaatsgevonden de jas van verdachte - met daarin ook zijn paspoort - heeft gevonden. Gelet op het voorgaande vindt de verklaring van aangeefster naar het oordeel van de rechtbank ook voor wat betreft de aanloop van hetgeen is gebeurd, steun in de verklaring van [slachtoffer 2] . Aangeefster heeft immers verklaard dat verdachte zijn jas heeft uitgetrokken en met die jas het hoofd en gezicht van aangeefster heeft bedekt. De rechtbank acht de verklaring van verdachte op dit punt, inhoudende dat verdachte zijn jas doelbewust heeft achtergelaten omdat deze door aangeefster kapot was gescheurd, ongeloofwaardig.
Alternatief scenario
De verdediging heeft een alternatief scenario geschetst. Dit scenario houdt - kort gezegd - in dat het door verdachte uitgeoefende geweld een reactie was op het trekken aan de haren van verdachte door aangeefster en er vervolgens (alleen) over en weer geweld is gebruikt. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen acht de rechtbank dit alternatieve scenario onwaarschijnlijk en ongeloofwaardig. Het door verdachte geschetste scenario wordt niet alleen weerlegd door het geringe letsel dat bij verdachte is waargenomen en het forse letsel dat aangeefster heeft opgelopen, waarvan de aard en de ernst niet past bij het scenario dat over en weer geweld is gebruikt, maar tevens door de waarneming van getuige [slachtoffer 2] dat de kleding van de aangeefster niet goed zat en zij deels was ontkleed. In het bijzonder is door getuige [slachtoffer 2] waargenomen dat de knoop van de broek van aangeefster los zat en haar gulp deels was geopend. Dit duidt naar het oordeel van de rechtbank in zijn geheel niet op een situatie waarin er over en weer (slechts) geweld is gebruikt.
Begin van uitvoering
De rechtbank overweegt dat uit artikel 45 van Pro het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) volgt dat een poging tot een misdrijf strafbaar is, wanneer het voornemen van de dader zich door een begin van uitvoering heeft geopenbaard. Uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat daarvoor is vereist dat er gedragingen zijn verricht die kunnen worden beschouwd als een begin van uitvoering van het voorgenomen misdrijf. Dat is het geval indien er sprake is van gedragingen die naar hun uiterlijke verschijningsvorm zijn gericht op de voltooiing van het voorgenomen misdrijf. Voor een bewezenverklaring van een poging tot opzetverkrachting is aldus vereist dat verdachte handelingen heeft verricht die kennelijk tot doel hadden een begin te maken met het seksueel binnendringen van het lichaam van de aangeefster. Daarnaast moeten die handelingen niet zodanig zijn dat zij ook bedoeld hadden kunnen zijn om een ander misdrijf, zoals bijvoorbeeld een aanranding, te plegen.
Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de inhoud van de hiervoor opgenomen bewijsmiddelen dat de door verdachte verrichte handelingen onmiskenbaar een seksuele intentie hebben gehad en naar hun uiterlijke verschijningsvorm waren gericht op het seksueel binnendringen van het lichaam van aangeefster. Dat voornemen heeft zich ook door een begin van uitvoering geopenbaard. Uit de inhoud van de opgenomen bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte op enig moment zijn eigen
geslachtsdeel heeft ontbloot en heeft geprobeerd de bovenkleding en broek van het slachtoffer uit te trekken. Het slachtoffer heeft zich hiertegen hevig verzet en geschreeuwd en aldus zowel verbaal als non-verbaal te kennen gegeven dat zij geen (seksueel) contact met verdachte wilde. Verdachte heeft als reactie hierop fors geweld en dwang uitgeoefend. Naar het oordeel van de rechtbank had het door verdachte uitgeoefende geweld ten doel aangeefster te overmeesteren en haar verzet te doen stoppen.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 1 primair ten laste gelegde poging tot gekwalificeerde opzetverkrachting.
Ten aanzien van het onder 2 en 3 ten laste gelegde
De rechtbank acht het onder 2 en 3 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte deze feiten duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.
Ieder bewijsmiddel is -ook in onderdelen- slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
Deze opgave luidt als volgt:
de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 30 januari 2026;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 2 augustus 2025, opgenomen op pagina 89 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met
nummer PL0100-2025207182 d.d. 20 oktober 2025, inhoudend de verklaring van [slachtoffer 3] ;
3. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 2 augustus 2025, opgenomen op pagina 96 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van [slachtoffer 2] .

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1 primair ten laste gelegde en het onder 2 en 3 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
1.
hij op 2 augustus 2025 te Assen, althans in de trein onderweg van Groningen naar Assen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met een persoon, te weten [slachtoffer 1] , seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam te verrichten terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [slachtoffer 1] daartoe de wil ontbrak en deze poging tot opzetverkrachting te doen voorafgaan door en vergezellen van dwang en geweld,
  • van achteren, terwijl die [slachtoffer 1] de verdachte niet aan zag komen, en onverhoeds een jas over het hoofd en gezicht van die [slachtoffer 1] heeft gegooid, ten gevolge waarvan het zicht en de oriëntatie van die [slachtoffer 1] werd belemmerd, en
  • meerdere malen het lichaam van die [slachtoffer 1] heeft vastgepakt en vastgepakt heeft gehouden, ten gevolge waarvan die [slachtoffer 1] zich niet of nauwelijks kon bewegen, en
  • de bedekte benen en vagina van die [slachtoffer 1] heeft gestreeld en betast, en
  • meerdere malen tegen het gezicht en het lichaam van die [slachtoffer 1] heeft gestompt en geslagen, en
  • verdachtes broek en onderbroek heeft uitgetrokken en naar beneden heeft gedaan en zijn penis heeft ontbloot, en
  • toen die [slachtoffer 1] ten val is gekomen en op de grond lag, op het lichaam van die [slachtoffer 1] heeft gezeten, en
  • de jas en het T-shirt en het hemd van die [slachtoffer 1] omhoog heeft getrokken, en
  • de knoop van de broek van die [slachtoffer 1] heeft opengeknoopt en de rits van de broek van die [slachtoffer 1] naar beneden heeft geritst en
  • die [slachtoffer 1] bij de hals heeft vastgepakt en vastgepakt heeft gehouden en in de hals heeft geknepen en die [slachtoffer 1] heeft gewurgd, waardoor die [slachtoffer 1] geen of nauwelijks adem kon halen en de zuurstoftoevoer van die [slachtoffer 1] werd belemmerd, en
  • verdachte (aldus) misbruik heeft gemaakt van zijn fysieke overwicht ten opzichte van die [slachtoffer 1] , en
  • is voorbijgegaan aan de verbale en non-verbale signalen van verzet en weerstand van die [slachtoffer 1] ,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2.
hij op 2 augustus 2025 te Assen, althans in de trein onderweg van Groningen naar Assen,
[slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] dreigend de woorden toe te voegen:
  • " Ik ga jullie neerschieten" en
  • " Ik heb messen en pistolen. Jij met je kale kop solliciteert naar een kogel. Jullie weten niet wie ik ben. Ik kom je nog wel tegen" en
  • " Jij kan ook wel een kogel door je kop krijgen";
3.
hij op 2 augustus 2025 te Assen, althans in de trein onderweg van Groningen naar Assen, [slachtoffer 2] heeft mishandeld, door die [slachtoffer 2] in het gezicht te slaan.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:
primairpoging tot opzetverkrachting, terwijl het misdrijf wordt voorafgegaan en vergezeld van dwang en geweld;
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd;
mishandeling.
Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.
Strafbaarheid van verdachte
De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 45 maanden, met aftrek van de tijd die verdacht reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, waarvan 15 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. De officier van justitie heeft gevorderd aan het voorwaardelijk strafdeel de bijzondere voorwaarden te verbinden zoals door de reclassering geadviseerd in het rapport van 29 januari 2026. Tot slot heeft de officier van justitie gevorderd aan verdachte op te leggen een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38z Sr.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft primair verzocht de voorlopige hechtenis van verdachte op te heffen en bepleit dat verdachte in vrijheid dient te worden gesteld. Subsidiair heeft de raadsman gepleit bij een eventuele strafoplegging rekening te houden met de jeugdige leeftijd van verdachte en diens motivatie voor een klinische behandeling. Om de behandeling van verdachte zo snel mogelijk te kunnen laten aanvangen heeft de raadsman verzocht het onvoorwaardelijk deel van de op te leggen gevangenisstraf zo kort mogelijk te laten zijn. Tot slot heeft de raadsman gepleit aan verdachte geen gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, het psychologisch Pro Justitia-rapport van 8 januari 2026, de reclasseringsadviezen van 26 januari 2026 en 29 januari 2026, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 11 december 2025, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging. De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich op 2 augustus 2025 onder meer schuldig gemaakt aan een poging tot gekwalificeerde opzetverkrachting. Verdachte heeft in een trein uit het niets en op klaarlichte dag een jonge vrouw van achteren aangevallen, haar met geweld proberen te overmeesteren en geprobeerd de bovenkleding en broek van het slachtoffer uit te trekken. Verdachte heeft het slachtoffer meerdere keren in het gezicht en tegen het lichaam geslagen, is bovenop haar gaan zitten en heeft de hals van het slachtoffer vastgepakt en dichtgeknepen als gevolg waarvan zij korte tijd nauwelijks kon ademen. Het slachtoffer heeft gevoeld dat verdachte haar bedekte benen en geslachtsdeel heeft betast en gezien dat verdachte zijn eigen geslachtsdeel heeft ontbloot. Het slachtoffer verkeerde al die tijd in grote angst en heeft zich hevig moeten verzetten om uiteindelijk aan verdachte te ontkomen. Het is dan ook aan dit verzet te danken dat er een einde is gekomen aan de aanval van verdachte en het misdrijf niet is voltooid.
Door aldus te handelen heeft verdachte een grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit en persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer. Uit de onderbouwing van de vordering benadeelde partij blijkt
wat voor een diepe indruk het handelen van verdachte op het slachtoffer heeft gemaakt en dat het voor haar een zeer ingrijpende gebeurtenis is geweest. Zo beschrijft het slachtoffer dat zij naast fysiek letsel ook last heeft van angstgevoelens, schaamte en slaapproblemen. Omdat dit strafbare feit in de openbare ruimte en op klaarlichte dag is gepleegd en verdachte zijn slachtoffer willekeurig lijkt te hebben uitgekozen, is dit feit niet alleen zeer ingrijpend voor het slachtoffer maar veroorzaakt het ook onrust en gevoelens van onveiligheid en angst in de samenleving.
Daarnaast heeft verdachte zich op 2 augustus 2025 jegens twee medewerkers van de NS schuldig gemaakt aan bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en mishandeling van één van voornoemde medewerkers. Deze NS-medewerkers deden slechts hun werk en hebben - nadat zij zich over het slachtoffer hadden bekommerd - verdachte proberen staande te houden. In algemene zin geldt dat medewerkers in het openbaar vervoer hun werk op een veilige manier moeten kunnen doen, zonder te worden geconfronteerd met agressieve personen die hen angst aanjagen. Dat het handelen van verdachte veel impact heeft gehad blijkt ook uit de schriftelijke slachtofferverklaring van één van hen. Daarnaast brengt dit soort gedrag ook gevoelens van angst en onveiligheid teweeg bij eventueel toevallig aanwezige treinreizigers. De rechtbank rekent verdachte dit alles zwaar aan.
Persoon van verdachte
Uit de inhoud van het psychologisch Pro Justitia-rapport d.d. 8 januari 2026, opgemaakt door D.R. van der Velden, GZ-psycholoog volgt dat verdachte disharmonisch begaafd is en dat hij kampt met een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling met gedragsproblemen en antisociale trekken. De gedragsdeskundige concludeert dat ook ten tijde van de bewezen verklaarde feiten sprake was van voornoemde psychische problematiek en deze problematiek de gedragskeuzes en gedragingen van verdachte hebben beïnvloed. In het door de gedragsdeskundige uitgevoerde psychologisch onderzoek kon een seksuele stoornis niet worden vastgesteld. Gelet op de ontkennende houding van verdachte ten opzichte van het aan hem ten laste gelegde zedenfeit heeft de gedragsdeskundige de doorwerking van voornoemde problematiek bij verdachte op voornoemd feit - hoewel niet ondenkbaar - niet kunnen schetsen. De gedragsdeskundige adviseert de bewezen verklaarde mishandeling en bedreiging in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen. Door de bij verdachte vastgestelde problematiek heeft verdachte moeite onlustgevoelens, impulsen en gedrag te reguleren en te controleren.
De gedragsdeskundige concludeert voorts dat zowel het verwachte recidiverisico op vergelijkbaar seksueel delictgedrag als het verwachte recidiverisico op vergelijkbaar gewelddadig gedrag als hoog moet worden ingeschat. In de intimiteitsproblemen, tekortschietende zelfregulatie en de beperkte samenwerking met toezichthouders en hulpverlening ziet de gedragsdeskundige risicofactoren. Doordat verdachte beperkt inzicht heeft in zijn beperkingen, het risico van gewelddadig gedrag en de noodzaak van behandeling houdt zijn instabiliteit in functioneren aan. Door de gedragsdeskundige worden nauwelijks beschermende factoren gezien.
Gelet op de intensieve behandelnoodzaak om het hoge recidiverisico te verminderen adviseert de gedragsdeskundige oplegging van een klinische opname te overwegen. Omdat een eerder aangeboden forensische ambulante behandeling onvoldoende van de grond is gekomen en vroegtijdig is gestopt, wordt een ambulante behandeling niet geadviseerd. De verwachting is dat verdachte in een ambulante behandeling onvoldoende in beeld komt. Geadviseerd wordt de forensisch klinische opname als bijzondere voorwaarde op te leggen bij een voorwaardelijk strafdeel, met een langdurig reclasseringstoezicht, aangevuld met een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel, dan wel als bijzondere voorwaarde bij oplegging van een terbeschikkingstelling met voorwaarden. De gedragsdeskundige ziet geen indicaties voor toepassing van het adolescentenstrafrecht.
De reclassering schrijft in haar adviezen van 26 januari 2026 en 29 januari 2026 dat verdachte een belaste voorgeschiedenis kent en al langere tijd (vrijwillige) hulpverlening is betrokken bij het gezin. Een in 2022 opgelegd toezicht door de jeugdreclassering verliep wisselend maar is desondanks positief afgesloten. Een toezicht door de jeugdreclassering dat in 2024 aan verdachte is opgelegd is terug gemeld, omdat verdachte uit contact is geraakt en opnieuw strafbare feiten had gepleegd. De reclassering ziet risicofactoren op de gebieden huisvesting, dagbesteding, financiën, sociaal netwerk, relatie met familie, middelengebruik, psychosociaal functioneren en houding. Het contact met de moeder en neef van verdachte ziet de reclassering deels als beschermende factor.
De reclassering schrijft voorts dat er vanuit de problematiek van verdachte sprake is van impulsiviteit en wantrouwen die, naast het beperkte probleembesef en zelfinzicht, de samenwerking met de reclassering en hulpverlening kan bemoeilijken. Gelet op het hoge recidiverisico en het risico dat verdachte zich zal onttrekken aan de voorwaarden acht de reclassering een ambulant kader niet passend en verantwoord. Omdat verdachte in het verleden weinig vatbaar is gebleken voor pedagogische beïnvloeding door de jeugdreclassering en een setting voor jeugd niet meer passend lijkt, zijn de mogelijkheden binnen het jeugdstrafrecht naar het oordeel van de reclassering uitgeput.
Met de gedragsdeskundige adviseert de reclassering een forensische klinische behandeling aan verdachte op te leggen in het kader van een (deels) voorwaardelijke straf . De reclassering schrijft dat op 26 januari 2026 voor verdachte reeds een indicatie is afgegeven voor plaatsing in een Forensisch Psychiatrische Kliniek. De reclassering adviseert voorts aan verdachte als bijzondere voorwaarden op te leggen een meldplicht, alcohol- en drugsverbod, verplichte zinvolle dagbesteding en - aansluitend op de klinische behandeling - een ambulante behandelverplichting en verblijf in een instelling voor begeleid of beschermd wonen of maatschappelijke opvang. De reclassering acht daarnaast oplegging van een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel noodzakelijk.
De rechtbank kan zich, gelet op de onderbouwing daarvan, verenigen met de inhoud en conclusies van de deskundigen en neemt deze over. De rechtbank concludeert dat de geschetste problematiek bij verdachte aanwezig was ten tijde van de bewezen verklaarde feiten en is van oordeel dat deze allen in verminderde mate aan verdachte kunnen worden toegerekend.
Adolescentenstrafrecht
Ten tijde van het plegen van de strafbare feiten was verdachte 18 jaar oud. Omdat verdachte ten tijde van het plegen van de strafbare feiten tussen de 16 en 23 jaar oud was, is door de gedragsdeskundige en de reclassering onderzoek gedaan naar de vraag of het jeugd- dan wel het volwassenenstrafrecht moet worden toegepast. Nu gebleken is dat verdachte niet ontvankelijk is voor pedagogische beïnvloeding ziet de rechtbank, met de deskundigen en het Openbaar Ministerie, geen aanleiding om te komen tot toepassing van het jeugdstrafrecht.
Bij het bepalen van de straf houdt de rechtbank wel enigszins rekening met de leeftijd van verdachte en beoogt de rechtbank verdachte daarmee als jongvolwassene perspectief te geven op een toekomstig delictvrij leven.
Oriëntatiepunten
Er zijn (nog) geen oriëntatiepunten voor gekwalificeerde opzetverkrachting als bedoeld in artikel 243, tweede lid, Sr, zoals in dit geval is bewezen verklaard. De rechtbank heeft daarom acht geslagen op de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (verder: LOVS) voor verkrachting als bedoeld in artikel 242 Sr Pro (oud). Als uitgangspunt voor verkrachting met ernstig geweld hanteren de oriëntatiepunten van het LOVS een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden. Gelet op het door verdachte toegepaste geweld ziet de rechtbank aanleiding om dit als uitgangspunt te nemen bij de op te leggen straf. De rechtbank houdt er rekening mee dat het in het onderhavige geval gaat om een poging tot opzetverkrachting met dwang en geweld.
Strafoplegging
Gelet op de ernst van de feiten kan naar het oordeel van de rechtbank niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf van langere duur. Bij de strafoplegging houdt de rechtbank in strafmatigende zin rekening met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte en diens jonge leeftijd. Alles afwegende acht de rechtbank oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) jaren, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, waarvan 1 (één) jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 2 (twee) jaren passend en geboden. Gelet op de adviezen van de gedragsdeskundige en de reclassering ziet de rechtbank voorts aanleiding aan het voorwaardelijk deel van de op te leggen gevangenisstraf de bijzondere voorwaarden te verbinden zoals door de reclassering geadviseerd. De verdachte heeft zich ter terechtzitting bereid verklaard zich aan de door de reclassering geformuleerde voorwaarden te conformeren.
Gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel
De rechtbank zal daarnaast - gelet op de aard van het onder 1 primair bewezen verklaarde feit en het hoge recidiverisico - aan verdachte een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38z Sr opleggen. Hoewel verdachte in het kader van de bijzondere voorwaarden reeds een klinische behandeling zal moeten volgen, neemt de rechtbank in aanmerking dat verdachte er geen blijk van heeft gegeven openheid van zaken te willen geven over het onder 1 primair bewezen verklaarde feit en het seksuele aspect daarvan. Ook is verdachte in het verleden beperkt responsief gebleken ten aanzien van aan hem opgelegde voorwaarden en toezicht door de jeugdreclassering. Dat maakt dat het niet ondenkbaar is dat verdachte ook tijdens de klinische behandeling niet zal (kunnen) voldoen aan de voorwaarden en eisen van de te ondergane behandeling. Gelet op de vastgestelde problematiek en risicos is het naar het oordeel van de rechtbank echter noodzakelijk dat de verdachte langdurig onder toezicht kan worden gesteld en forensisch kan worden gemonitord en ondersteund. Daarbij houdt de rechtbank rekening met de rapporten van de deskundigen. Dit alles maakt dat de rechtbank een gedwongen kader met een langdurig toezicht in het geval van verdachte in het belang van de bescherming en veiligheid van anderen noodzakelijk acht.
Aan de wettelijke vereisten voor de oplegging van een maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking als bedoeld in artikel 38z, eerste lid, Sr is voldaan. Verdachte heeft zich immers schuldig gemaakt aan een misdrijf dat gericht is tegen de onaantastbaarheid van het lichaam van het slachtoffer, waar een strafbedreiging van 12 jaren op staat. Aan verdachte wordt ter zake van dit strafbare feit bovendien een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd.
Voorlopige hechtenis
De raadsman heeft ter terechtzitting verzocht de voorlopige hechtenis van verdachte op te heffen. Nu verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf waarvan het onvoorwaardelijke deel in duur langer is dan de duur die verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, zal de rechtbank hiertoe niet overgaan. De rechtbank zal het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis daarom afwijzen.

Benadeelde partijen

De volgende personen hebben zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding:
[slachtoffer 1], tot een bedrag van 321,00 ter zake van materiële schade en 2.000,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan;
[slachtoffer 2], tot een bedrag van 400,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat zowel de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] als de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] voldoende zijn onderbouwd en deze voor toewijzing vatbaar zijn, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 augustus 2025 en onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de verdediging
Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de vordering, voor zover materiële schade is gevorderd, voor toewijzing vatbaar is. Gelet op de bepleite vrijspraak ten aanzien van het onder 1 primair, subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de vordering, voor zover vergoeding van geleden immateriële schade is gevorderd, dient te worden afgewezen.
Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de vordering adequaat is onderbouwd en in zijn geheel voor toewijzing vatbaar is.
Oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]
Materiële schade
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij de gestelde materiële schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1 primair bewezen verklaarde. De vordering, waarvan de hoogte niet door de verdediging is betwist, zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 2 augustus 2025.
Immateriële schade
De benadeelde partij heeft daarnaast vergoeding van immateriële schade gevorderd. Als gevolg van het onder 1 primair bewezen verklaarde heeft de benadeelde letsel opgelopen en heeft zij op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek recht op vergoeding van nadeel dat niet in
vermogensschade bestaat.
Op basis van de onderbouwing van de vordering, de opgemaakte letselrapportage en gelet op de aard en ernst van het bewezen verklaarde feit, is voldoende aannemelijk dat de benadeelde immateriële schade heeft geleden. De benadeelde heeft - onder meer - aangezichtsletsels, kneuzingen en verschillende bloeduitstortingen opgelopen. Naast gevoelens van angst, onzekerheid en schaamte - gevoelens die, gelet op de aard en ernst van de normschending zeer invoelbaar zijn - heeft de benadeelde door het handelen van verdachte dus ook fysiek letsel opgelopen. De rechtbank acht de gevorderde immateriële schadevergoeding billijk en zal dit bedrag, groot 2.000,00, in zijn geheel toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 2 augustus 2025.
Nu vast staat dat verdachte tot het hiervoor genoemde bedrag aansprakelijk is voor de schade die door het onder 1 primair bewezen verklaarde is toegebracht, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]
De benadeelde partij heeft vergoeding van immateriële schade gevorderd, groot 400,00. Indien geen sprake is van lichamelijk letsel, zoals in dit geval, kan op grond van artikel 6:106, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek slechts een vergoeding voor immateriële schade worden toegekend indien de benadeelde partij in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast.
De rechtbank is van oordeel dat de gevorderde immateriële schadevergoeding onder het bereik van artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek valt. De rechtbank ziet in de aard en ernst van de normschending en de gevolgen hiervan voor het slachtoffer aanleiding de vergoeding voor de geleden immateriële schade toe te kennen. Als gevolg van het handelen door verdachte is het veiligheidsgevoel van de benadeelde ernstig aangetast en is zij tijdens haar werkzaamheden voor de Nederlandse Spoorwegen overmatig alert en angstig. De aard en de ernst van de normschending brengen in dit geval mee dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen Het gevorderde bedrag aan immateriële schadevergoeding, waarvan de hoogte niet door de verdediging is betwist, zal worden toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 2 augustus 2025.
Nu vast staat dat verdachte tot het hiervoor genoemde bedrag aansprakelijk is voor de schade die door het onder 2 bewezen verklaarde is toegebracht, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Toepassing van wetsartikelen
De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 38z, 45, 57, 243, 285 en 300 Sr. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) jaren.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf
een gedeelte, groot 1 (één) jaar, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op 2 (twee) jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.
Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
Stelt als bijzondere voorwaarden:
1. dat de veroordeelde zich binnen veertien dagen na het ingaan van de proeftijd meldt bij de reclassering van het Leger des Heils of zal meewerken aan huisbezoeken op de locatie van zijn verblijf. De reclassering zal contact opnemen met de veroordeelde voor de eerste afspraak. De veroordeelde zal zich gedurende de proeftijd blijven melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de
reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn;
2. dat de veroordeelde zich laat opnemen in en behandelen door een nader te bepalen Forensisch Psychiatrische Kliniek, te bepalen door de voor plaatsing verantwoordelijke instantie. De opname start zodra de plaatsing mogelijk is en duurt één jaar of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De zorginstelling bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is onder meer gericht op psychische problematiek, agressiebeheersing, cognitieve vaardigheden en seksueel grensoverschrijdend gedrag en andere problematiek. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen van de zorginstelling en de behandelaren. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg of verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang nodig vindt, werkt de veroordeelde mee aan de indicatiestelling en plaatsing;
3. dat de veroordeelde zich, aansluitend op de klinische behandeling, gedurende de proeftijd onder behandeling zal stellen van een nader te bepalen instelling voor ambulante forensische psychiatrie, zolang de reclassering die behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, agressiebeheersing, cognitieve vaardigheden en seksueel grensoverschrijdend gedrag en andere problematiek;
4. dat de veroordeelde, aansluitend op de klinische behandeling, gedurende de proeftijd zal verblijven in een instelling voor begeleid of beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering en zolang de reclassering nodig vindt. De veroordeelde zal zich houden aan de huisregels en het (dag-)programma dat de instelling in overleg met de reclassering heeft opgesteld. Als de veroordeelde zelfstandig gaat wonen, zal de veroordeelde meewerken aan ambulante woonbegeleiding en verandert hij niet van adres zonder toestemming van de reclassering;
5. dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal onthouden van het gebruik van alcohol en drugs, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. De veroordeelde verplicht zich ten behoeve van de naleving van dit verbod mee te werken aan controles. De controles kunnen bestaan uit urineonderzoek, ademonderzoek en/of een speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;
6. dat de veroordeelde zich zal inspannen voor het vinden en behouden van een opleiding, betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur.
Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, Sr toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
  • ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
  • medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, Sr, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.
Gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel
Legt aan de verdachte op
de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding en vrijheidsbeperking
als bedoeld in artikel 38z Sr.
Voorlopige hechtenis
Wijst af het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis van verdachte.
Vorderingen benadeelde partijen
Ten aanzien van het onder 1 primair bewezen verklaarde feit.
Wijst de vordering van de benadeelde partij
[slachtoffer 1]toe en veroordeelt verdachte om aan
[slachtoffer 1] te betalen:
  • het bedrag van
  • de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 2 augustus 2025 tot de dag van algehele voldoening;
  • de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.
Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van
[slachtoffer 1]aan de Staat te betalen een bedrag van
2.321,00(zegge: tweeduizend driehonderdeenentwintig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 augustus 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit 321,00 aan materiële schade en 2.000,00 aan immateriële schade.
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 23 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.
Ten aanzien van het onder 2 bewezen verklaarde feit
Wijst de vordering van de benadeelde partij
[slachtoffer 2]toe en veroordeelt verdachte om aan [slachtoffer 2] te betalen:
  • het bedrag van
  • de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 2 augustus 2025 tot de dag van algehele voldoening;
  • de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.
Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van
[slachtoffer 2]aan de Staat te betalen een bedrag van
400,00(zegge: vierhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 augustus 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van
4 dagenkan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.M. Lenting, voorzitter, mr. J. Faber en mr. M. Jannink, rechters, bijgestaan door mr. M. Mans, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 13 februari 2026.