ECLI:NL:RBNNE:2026:379

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
29 januari 2026
Publicatiedatum
12 februari 2026
Zaaknummer
LEE 23/5535
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10 Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992Art. 9 Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992Art. 110 Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen naheffingsaanslag BPM wegens niet-vermindering voor schade aan nieuwe auto

Eiseres heeft een naheffingsaanslag BPM ontvangen omdat de inspecteur de auto als nieuw en ongebruikt kwalificeert, ondanks dat eiseres aangaf dat de auto schade had opgelopen tijdens transport. De rechtbank beoordeelt of een vermindering van BPM op grond van artikel 10 Wet Pro BPM mogelijk is.

De rechtbank stelt vast dat de auto niet of nauwelijks op de weg in gebruik is geweest en daarom niet als gebruikte auto kan worden aangemerkt. Dit betekent dat een vermindering van BPM wegens schade niet van toepassing is. Eiseres betoogde dat het niet toekennen van vermindering in strijd is met artikel 110 VWEU Pro, maar de rechtbank oordeelt dat het onderscheid tussen nieuwe en gebruikte voertuigen niet discriminerend is.

De rechtbank concludeert dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd en verklaart het beroep ongegrond. Eiseres krijgt geen griffierecht of proceskostenvergoeding terug. De uitspraak is gedaan door rechter M.T.M. Hennevelt op 29 januari 2026.

Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag BPM wordt ongegrond verklaard omdat de auto als nieuw wordt aangemerkt en geen vermindering wegens schade kan worden toegekend.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 23/5535
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 29 januari 2026 in de zaak tussen

[eiseres] B.V., uit [vestigingsplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. P.A.J.M. Lodestijn),
en
de inspecteur van de Belastingdienst/Centrale administratieve processen/kantoor Breda, de inspecteur.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 21 december 2023.
1.1.
De inspecteur heeft aan eiseres met dagtekening 11 mei 2023 een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd ten bedrage van € 3.551.
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
1.3.
De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 13 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en namens de inspecteur mr. [naam 1] en [naam 2] .

Feiten

2.
2.1.
Eiseres heeft op 12 januari 2022 aangifte Bpm gedaan voor een personenauto, een Mini Cabrio 1.5 Cooper Classic (de auto). De datum eerste toelating van de auto is 22 maart 2021. Bij onderdeel 8a van de aangifte – de vraag of het motorrijtuig nieuw en ongebruikt is – is 'nee' aangevinkt.
2.2.
De Bpm is door eiseres berekend aan de hand van een taxatierapport. Daarbij is uitgegaan van een kilometerstand van 89.
2.3.
De datum van keuring door de RDW is 27 januari 2022, waarbij de kilometerstand 89 was.
2.4.
De aangifte is geselecteerd voor een nacontrole. Op basis van de nacontrole heeft de inspecteur op 10 februari 2023 aangekondigd een naheffingsaanslag te gaan opleggen. In deze kennisgeving heeft de inspecteur, voor zover hier van belang, het volgende geschreven:

"Naheffing bpm

MotiveringHet verschil tussen het aangegeven bedrag aan bpm en het door mijberekende bedrag, is als volgt te verklaren.Het voertuig is aangegeven als gebruikt. Het voertuig in de aangifte moetechter worden aangemerkt als “nieuw en ongebruikt”. (…)De RDW heeft op 27 januari 2022 een kilometerstand van 89 kilometersvastgesteld. Ik concludeer daaruit dat er sprake is van een “nieuw enongebruikt” voertuig. Dat betekent dat u geen aanspraak kunt maken opeen vermindering van de belasting."

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt of de naheffingsaanslag terecht en naar het juiste bedrag is opgelegd. Meer specifiek is in geschil of voor de auto een vermindering van de Bpm – al dan niet met toepassing van artikel 10 van Pro de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (Wet Bpm) – plaats kan vinden en, indien ja, tot welk bedrag.
4. Indien de rechtbank van oordeel is dat er géén plaats is voor een vermindering als bedoeld in 3., is het bedrag van de naheffingsaanslag tussen partijen niet in geschil.
5. De gemachtigde van eiseres heeft op de zitting verklaard dat de auto niet op de weg in gebruik is geweest en dat de schade waarschijnlijk is ontstaan tijdens het transport van de auto. Ook als sprake is van een nieuwe auto – in die zin dat de auto niet of nauwelijks op de weg in gebruik is geweest – is volgens eiseres echter een vermindering van de Bpm op haar plaats, omdat de auto zeer substantiële schade heeft. Het niet toekennen van een vermindering wegens die schade levert strijd op met artikel 110 van Pro het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), aldus eiseres. Ter onderbouwing van de in aanmerking te nemen vermindering heeft eiseres een taxatierapport ingebracht (zie 2.2).
6. De inspecteur stelt dat de auto, gelet op de lage kilometerstand en het kentekenbewijs waaruit volgt dat de auto op naam van de fabrikant stond vóór de import, niet of nauwelijks in het buitenland op de weg in gebruik is geweest en daarom aangemerkt moet worden als een nieuwe auto. Voor een vermindering van Bpm is volgens de inspecteur daarom geen plaats.
7. De rechtbank overweegt dat het onderscheid tussen een nieuwe of gebruikte personenauto van belang is voor de hoogte van de Bpm die op grond van de Wet Bpm is verschuldigd. Voor gebruikte personenauto’s wordt op grond van artikel 10, eerste en tweede lid, van de Wet Bpm een vermindering toegepast op de Bpm zoals die in eerste instantie op grond van artikel 9 Wet Pro Bpm wordt bepaald. Nieuwe personenauto’s komen voor zo’n vermindering niet in aanmerking. Een gebruikte auto is een auto die in het buitenland geregistreerd is geweest met het oog op toelating op de weg en die ook daadwerkelijk in het buitenland op de weg in gebruik is geweest. Een auto die na de vervaardiging ervan niet of nauwelijks op de weg is gebruikt, blijft daarom voor de toepassing van de artikelen 9 en 10 van de Wet Bpm een nieuwe auto. [1]
8. Gelet op de verklaring van de gemachtigde van eiseres, stelt de rechtbank vast dat niet in geschil is dat de auto niet of nauwelijks op de weg in gebruik is geweest. De rechtbank concludeert dat de auto dan ook niet als een gebruikte auto voor de toepassing van de artikelen 9 en 10 van de Wet Bpm kan worden aangemerkt (zie 7.). De omstandigheid dat de auto voorafgaande aan de eerste ingebruikneming op de weg schade in welke vorm dan ook heeft opgelopen, maakt dat niet anders. [2] Voor een vermindering op grond van artikel 10 van Pro de Wet Bpm is dan ook geen plaats.
9. Verder overweegt de rechtbank dat bij de toepassing van artikel 110 VWEU Pro het erop aankomt vast te stellen of ter zake van de registratie van een uit een andere lidstaat afkomstig motorvoertuig niet méér Bpm wordt geheven dan ter zake van gelijksoortige motorvoertuigen die in Nederland op het tijdstip van de registratie in de handel zijn. Het is niet in strijd met artikel 110 VWEU Pro om bij de heffing van een registratiebelasting onderscheid te maken tussen ongebruikte motorvoertuigen en gebruikte motorvoertuigen, mits binnen de desbetreffende groep de registratiebelasting op gelijksoortige motorvoertuigen in gelijke mate drukt. Wanneer het gelijksoortige motorvoertuig op de Nederlandse handelsmarkt voorafgaand aan de heffing van Bpm een motorvoertuig is dat niet of nauwelijks eerder op de weg in gebruik is geweest, en daarom niet als een gebruikt motorvoertuig wordt aangemerkt, kan de heffing van Bpm bij de mededinging tussen dat gelijksoortige motorvoertuig en het desbetreffende motorvoertuig dat is overgebracht vanuit een andere lidstaat geen rol spelen. Immers, het op de Nederlandse handelsmarkt aangeboden, gelijksoortige motorvoertuig is een nieuw motorvoertuig ter zake waarvan nog geen Bpm is geheven. In dat geval zal bij registratie in het Nederlandse kentekenregister van een nieuwe auto die is overgebracht vanuit een andere lidstaat geen hogere binnenlandse belasting (Bpm) worden geheven dan die welke, al dan niet rechtstreeks, ter zake van die gelijksoortige auto zal worden geheven. [3]
10. De gelijksoortige motorvoertuigen waarmee de auto in het kader van artikel 110 VWEU Pro moet worden vergeleken, zijn dus personenauto’s die voorafgaand aan het belastbare feit niet of nauwelijks op de weg in gebruik zijn geweest. Voor dergelijke motorvoertuigen geldt, of zij nu uit Nederland of uit een andere lidstaat afkomstig zijn, dat geen vermindering van Bpm in verband met eventuele schade in aanmerking kan worden genomen. Van discriminatie van uit een andere lidstaat afkomstige motorvoertuigen is geen sprake. De slotsom is daarom dat artikel 110 VWEU Pro niet noopt tot een vermindering van de verschuldigde Bpm in verband met schade zoals door eiseres bepleit.
11. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond.

Conclusie en gevolgen

12. Omdat het beroep ongegrond is blijft de naheffingsaanslag in stand. Eiseres krijgt het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
13. Eiseres heeft niet verzocht om vergoeding van immateriële schade in verband met overschrijding van de redelijke termijn.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.T.M. Hennevelt, rechter, in aanwezigheid van mr. A.A. van der Terp, griffier.
griffier
rechter
Uitgesproken in het openbaar op 29 januari 2026.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Hoge Raad 16 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1528 en Hoge Raad 12 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1672.
2.Vergelijk Hoge Raad 12 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1672.
3.Zie Hoge Raad 16 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1528, r.o. 2.4.3.