ECLI:NL:RBNNE:2026:386

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
23 januari 2026
Publicatiedatum
13 februari 2026
Zaaknummer
18.050073.25
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 47 SrArt. 77a SrArt. 77g SrArt. 77i SrArt. 77m Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor medeplegen wederrechtelijke vrijheidsberoving met voorwaardelijke jeugddetentie

Op 15 februari 2025 hebben verdachte en twee medeverdachten het slachtoffer via een valse identiteit op Snapchat naar een bos gelokt. Daar hebben zij het slachtoffer onder dreiging met messen vastgebonden aan een boom en vernederd door hem te bespruiten met siroop en meel, en hem te belemmeren de plek te verlaten.

De rechtbank acht het bewezen dat verdachte medepleger is van wederrechtelijke vrijheidsberoving, maar spreekt hem vrij van poging diefstal met geweld wegens gebrek aan bewijs van het oogmerk. De rechtbank baseert zich op verklaringen, het proces-verbaal en de duidelijke bekentenis van verdachte.

De rechtbank weegt de ernst van het feit, de vernedering en de psychische schade van het slachtoffer mee, evenals het feit dat de verdachten de vernedering filmden en verspreidden. Tegelijkertijd neemt de rechtbank de persoonlijke omstandigheden van verdachte mee, waaronder zijn openheid, spijt, therapie en lage recidiverisico.

De rechtbank legt een geheel voorwaardelijke jeugddetentie van 90 dagen op met een proeftijd van één jaar, en een werkstraf van 80 uren, te vervangen door 40 dagen jeugddetentie bij niet-naleving. De voorlopige hechtenis wordt in mindering gebracht en het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis wordt opgeheven.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot geheel voorwaardelijke jeugddetentie van 90 dagen met proeftijd van één jaar en werkstraf van 80 uren, vrijgesproken van poging diefstal met geweld.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht
Locatie Groningen
parketnummer 18.050073.25
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 23 januari 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2008 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] ,
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 9 januari 2025. [verdachte] is verschenen, bijgestaan door mr. P.R. Logemann, advocaat te Leeuwarden. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. J.G.F. van Boven.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1
hij op of omstreeks 15 februari 2025 te Groningen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] , wederrechtelijk van de vrijheid heeft/hebben beroofd en/of beroofd gehouden, door:
  • (via snapchat) met die [slachtoffer] af te spreken in een bos en/of (vervolgens)
  • toen die [slachtoffer] aldaar was aangekomen, hem heeft/hebben meegenomen naar het bos en/of heeft/hebben achtervolgd met een mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp en/of
  • meermalen, althans éénmaal tegen die [slachtoffer] heeft/hebben gezegd "als je niet meewerkt steken we je neer en je familie", althans woorden van gelijke dreigende aard- en/of strekking en/of
  • die [slachtoffer] (vervolgens) in het bos aan boom of tak van een boom met tie wraps- heeft/hebben vastgemaakt en/of
  • die [slachtoffer] heeft/hebben overgoten en/of bespoten met siroop (althans een vloeistof) en/of meel, althans een (witte) substantie over die [slachtoffer] heeft gegooid en/of
  • die [slachtoffer] heeft belet en/of belemmerd die plek te verlaten;
2
hij op of omstreeks 15 februari 2025 te Groningen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld, [slachtoffer] te dwingen tot de afgifte van een hoeveelheid geld, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die [slachtoffer] en/of een derde toebehoorde(n) die [slachtoffer] heeft/hebben gelokt naar een bos en/of die [slachtoffer] heeft/hebben achtervolgd met een mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp en/of die [slachtoffer] heeft/hebben vastgebonden aan een boom en/of tegen die [slachtoffer] heeft/hebben gezegd: "geef geld, geef geld", althans woorden van gelijke aard en/of strekking, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat [verdachte] van feit 2 moet worden vrijgesproken, omdat de poging tot diefstal met geweld in vereniging niet wettig en overtuigend bewezen kan worden. Hij heeft aangevoerd dat het oogmerk om een diefstal met geweld te plegen ontbreekt.
De officier van justitie heeft veroordeling voor feit 1 gevorderd.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft betoogd dat [verdachte] moet worden vrijgesproken van feit 2. Hij heeft net als de officier van justitie bepleit dat het oogmerk ontbreekt.
Wat betreft feit 1 heeft de raadsman geen bewijsverweer gevoerd.
Oordeel van de rechtbank
Met de officier van justitie en de raadsman vindt de rechtbank feit 2 niet wettig en overtuigend bewezen. [verdachte] zal daarvan daarom worden vrijgesproken.
De rechtbank volstaat ten aanzien van het hierna onder 1 bewezen verklaarde met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu [verdachte] het hierna bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend.
Deze opgave luidt als volgt:
de verklaring van [verdachte] afgelegd ter terechtzitting van 9 januari 2026;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 5 maart 2025, opgenomen op pagina 312 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL01002025041513 d.d. 30 april 2025, inhoudende de verklaring van [slachtoffer] .

Bewezenverklaring

De rechtbank acht feit 1 wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
hij op 15 februari 2025 te Groningen tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk [slachtoffer] , wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, door:
  • via snapchat met die [slachtoffer] af te spreken in een bos en vervolgens
  • toen die [slachtoffer] aldaar was aangekomen, hem heeft meegenomen naar het bos en heeft achtervolgd met een mes en
  • tegen die [slachtoffer] heeft gezegd "als je niet meewerkt steken we je neer en je familie", althans woorden van gelijke dreigende aard- en strekking en
  • die [slachtoffer] vervolgens in het bos aan een tak van een boom met tie wraps- heeft vastgemaakt en
  • die [slachtoffer] heeft overgoten en bespoten met siroop en meel over die [slachtoffer] heeft gegooid en
  • die [slachtoffer] heeft belet en belemmerd die plek te verlaten.
[verdachte] zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. [verdachte] is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde levert op:
1. medeplegen van het opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden.
Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat [verdachte] wordt veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 123 dagen (met aftrek), waarvan 120 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en tot een werkstraf van 120 uren, te vervangen door 60 dagen jeugddetentie als [verdachte] de werkstraf niet (naar behoren) verricht.
Standpunt van de verdediging
De raadsman van [verdachte] is het niet eens met de eis van de officier van justitie. Het belang van [verdachte] als minderjarige moet vooropstaan, en volgens de raadsman zou jeugddetentie alleen maar meer schade veroorzaken. Dat blijkt ook uit de rapportages die zijn opgemaakt over [verdachte] . In plaats daarvan pleit de raadsman voor de oplegging van een werkstraf, wat volgens hem een passend alternatief is. [verdachte] is open over zijn fouten en heeft oprecht spijt. Hij heeft het afgelopen jaar hard gewerkt aan zijn gedrag, met gesprekken en EMDR-behandeling.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft goed nagedacht over de vraag welke straf en/of maatregel in de zaak van [verdachte] passend zou zijn. Daarbij is rekening gehouden met onder meer de ernst van het strafbare feit, de omstandigheden waaronder [verdachte] het feit heeft gepleegd en de persoonlijke omstandigheden. De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van het feit en de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd
[verdachte] heeft zich samen met twee medeverdachten op 15 februari 2025 schuldig gemaakt aan een ernstig strafbaar feit. Via een Snapchataccount heeft een medeverdachte zich voorgedaan als een 14-jarig meisje genaamd [naam] . Hij heeft een seksafspraak gemaakt met de aangever, [slachtoffer] , en hem naar een afgelegen plek gelokt. Daar hebben [verdachte] en twee medeverdachten de aangever opgewacht. Ze waren in het zwart gekleed, hadden bivakmutsen op en waren gewapend met messen. Toen [slachtoffer] ter plaatse kwam, hebben zij hem gedwongen zijn zakken te legen en hem gefouilleerd.
Vervolgens hebben de verdachten de aangever het bos in gedwongen, waarbij zij een ingeklapte stiletto in zijn rug drukten. De verdachten hebben verklaard dat zij de messen bij zich hadden ter zelfverdediging, maar de rechtbank is van oordeel dat van de messen eerder een dreigende werking richting [slachtoffer] uitging. De verdachten hadden [slachtoffer] immers al gefouilleerd en wisten dat hij geen wapens bij zich droeg. Toch hebben zij hem daarna een mes getoond en daarmee gedreigd.
In het bos hebben de verdachten de aangever gedwongen om op de koude grond in de modder te zitten. Ze hebben hem vernederd door hem met sneeuwballen te bekogelen, met sneeuw in te peperen, met ranja en stinkspray te bespuiten en bakmeel over hem heen te gooien. Ook hebben de verdachten de aangever vastgebonden met tie-wraps, zowel bij zijn polsen als bij zijn ellebogen, en hem voor ongeveer tien minuten aan de tak van een boom vastgebonden. [slachtoffer] is in het donker, in de kou en op een afgelegen plek achtergelaten. Op dat moment waren zijn ellebogen nog steeds aan elkaar gebonden met dikke tie-wraps. [slachtoffer] heeft daarover verklaard dat hij op die manier naar huis is gereden en zich daar pas heeft kunnen bevrijden. De rechtbank concludeert dat al deze omstandigheden [slachtoffer] in een situatie van extreme angst en vernedering hebben gebracht. De verdachten hebben [slachtoffer] niet alleen fysiek en psychisch schade toegebracht, maar ook zijn gevoel van veiligheid en vertrouwen in anderen ernstig geschaad. [slachtoffer] heeft, zoals blijkt uit zijn verklaring, zelfs gedacht dat hij de avond niet zou overleven.
Wat er op die bewuste avond is gebeurd, rekent de rechtbank alle drie de verdachten zwaar aan. Zij hebben alle drie een rol gehad bij de vernedering van [slachtoffer] . Daarbij weegt de rechtbank ook mee dat verdachten hebben verklaard dat ze [slachtoffer] een lesje wilden leren en dat ze voor eigen rechter hebben gespeeld. Het was en is niet aan hen om op deze manier te oordelen over het slachtoffer en om hem te straffen. Tot slot rekent de rechtbank het de verdachten aan dat zij het voorval niet alleen hebben gepleegd, maar dit ook hebben vastgelegd op film en de beelden vervolgens hebben verspreid. Door de beelden te delen, hebben de verdachten de aangever blootgesteld aan verdere (publiekelijke) vernedering en schaamte.
Persoonlijke omstandigheden van [verdachte]
De rechtbank heeft naast de ernst van het feit gekeken naar de persoonlijke omstandigheden, waaronder het strafblad van [verdachte] . Daaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.
Daarnaast heeft de rechtbank het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad) van 29 december 2025 gelezen. De Raad constateert dat er weinig risicofactoren in [verdachte] leven zijn en dat de kans op herhaling laag is. Gezien de ernst van het feit, acht de Raad een strafrechtelijke consequentie op zijn plaats. Wel overweegt de Raad dat een voorwaardelijke jeugddetentie te zwaar voor [verdachte] zou zijn.
De rechtbank heeft een goed beeld gekregen van hoe het [verdachte] het afgelopen jaar is vergaan. Er is veel gebeurd in het kader van de schorsing van zijn voorlopige hechtenis. Tijdens de schorsing is [instelling] betrokken geraakt en zij hebben EMDR-therapie voor [verdachte] ingezet. Daarnaast heeft [verdachte] weerbaarheidstraining gevolgd en is systeembehandeling ingezet. De rechtbank ziet dat [verdachte] zich het afgelopen jaar goed heeft ingezet. Hij heeft spijt betuigd en de rechtbank heeft deze spijt als oprecht ervaren. De rechtbank begrijpt dat de schorsende voorwaarden veel invloed hebben gehad op het leven van [verdachte] en zijn gezin. Gelet op het bovenstaande heeft de Raad daarom aangegeven dat een voorwaardelijke jeugddetentie voor [verdachte] te zwaar zal wegen en voelen, en mogelijk meer hinder dan voordeel zou opleveren. Daarom wordt een werkstraf als passend gezien. Een voorwaardelijk deel zou als stok achter de deur kunnen fungeren.
Conclusie
De rechtbank begrijpt het strafadvies van de Raad, maar vindt anders dan de Raad dat een voorwaardelijke jeugddetentie in de zaak van [verdachte] wel op zijn plaats is. Het feit dat [verdachte] samen met twee anderen heeft gepleegd, is dusdanig ernstig dat de rechtbank vindt dat het niet anders kan dan dat een jeugddetentie moet worden opgelegd. Samen met de officier van justitie en de raadsman van [verdachte] is de rechtbank van mening dat [verdachte] niet opnieuw naar een jeugdgevangenis hoeft. Daarom wordt de jeugddetentie geheel voorwaardelijk opgelegd, wat betekent dat hij deze alleen moet uitzitten als hij opnieuw een strafbaar feit begaat. De rechtbank begrijpt dat de opgelegde voorwaardelijke jeugddetentie door [verdachte] als zwaar zal worden ervaren. Dit is echter de consequentie van het begaan van een ernstig strafbaar feit. De rechtbank zal, mede gelet op de houding van [verdachte] , in voordeel van [verdachte] afwijken van de eis van de officier van justitie. Gezien het lage recidiverisico heeft de rechtbank besloten om de proeftijd op één jaar te stellen, in plaats van de twee jaren zoals door de officier van justitie geëist. Tot slot oordeelt de rechtbank dat [verdachte] ook een werkstraf moet uitvoeren.
Samenvattend legt de rechtbank aan [verdachte] een voorwaardelijke jeugddetentie op van 90 dagen, met een proeftijd van één jaar. Daarnaast legt de rechtbank aan [verdachte] een werkstraf op van 80 uren (met aftrek), te vervangen door 40 dagen jeugddetentie als [verdachte] de werkstraf niet (naar behoren) verricht

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 47, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77gg, 282 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen [verdachte] onder 2 is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en [verdachte] daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan [verdachte] meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt [verdachte] daarvan vrij.
Veroordeelt [verdachte] tot:

een jeugddetentie voor de duur van 90 dagen.

Bepaalt dat van deze jeugddetentie niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de [verdachte] zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op één jaar, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Voorwaarde is, dat de [verdachte] zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.

Een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 80 uren.

Beveelt dat voor het geval [verdachte] de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie voor de duur van 40 dagen zal worden toegepast.
Beveelt dat de tijd door [verdachte] vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde werkstraf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 uren per dag voorlopige hechtenis.
Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van 23 januari 2026.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.B.W. Venema, voorzitter, tevens kinderrechter, mr. J.V. Nolta en mr. E.P. van Sloten, rechters, bijgestaan door mr. M. Raven, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 23 januari 2026.