Op 2 november 2024 ontstond een brand in een woning te Groningen. Verdachte werd beschuldigd van opzettelijke brandstichting, mishandeling van een politieambtenaar en ambulanceverpleegkundige, en bezit van heroïne en cocaïne. De rechtbank oordeelde dat onvoldoende bewijs bestond voor opzettelijke brandstichting en sprak verdachte daarvan vrij. Ook subsidiair werd vrijspraak gegeven wegens gebrek aan bewijs van schuld.
De mishandelingen van de ambtenaar en de ambulanceverpleegkundige werden wettig en overtuigend bewezen aan de hand van verklaringen, bodycambeelden en de bekentenis van verdachte dat hij een 'tikkie' met zijn voet had gegeven. Het bezit van harddrugs werd eveneens bewezen door deskundigenrapporten en de bekentenis van verdachte.
De rechtbank hield rekening met de ernst van de mishandelingen, de kwetsbaarheid van de slachtoffers in hun functie, en het gevaar van harddrugs voor de volksgezondheid. Gezien de omstandigheden en de persoon van verdachte werd een gevangenisstraf van 6 weken opgelegd, met aftrek van het voorarrest. Daarnaast werd een schadevergoeding van 400 euro aan de ambulanceverpleegkundige toegekend, vermeerderd met wettelijke rente. De vordering van de politieambtenaar werd afgewezen wegens onvoldoende bewijs.