ECLI:NL:RBNNE:2026:4

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
6 januari 2026
Publicatiedatum
6 januari 2026
Zaaknummer
18/137533-23
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hypotheekfraude door vals gebruik van geschriften en oplichting

Op 6 januari 2026 heeft de Rechtbank Noord-Nederland uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een hypotheekadviseur, die samen met een medeverdachte betrokken was bij hypotheekfraude. De verdachte werd beschuldigd van het medeplegen van het opzettelijk gebruik maken van valse geschriften en oplichting. De rechtbank oordeelde dat de verdachte zich schuldig had gemaakt aan het opzettelijk gebruik maken van valse werkgeversverklaringen en salarisspecificaties om een hypothecaire lening van € 269.000,- te verkrijgen voor de aankoop van een woning. De rechtbank concludeerde dat er voldoende bewijs was dat de verdachte op de hoogte was van het fictieve dienstverband van de medeverdachte en dat hij instructies had gegeven om de valse documenten te creëren. De rechtbank sprak de verdachte vrij van het eerste feit, maar achtte de feiten 2 en 3 wettig en overtuigend bewezen. De verdachte werd veroordeeld tot een taakstraf van 120 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden, met een proeftijd van 2 jaar. De rechtbank legde geen beroepsverbod op, omdat er geen eerdere veroordelingen waren en er geen bewijs was van andere fraudegevallen. De vordering van de Volksbank N.V. tot schadevergoeding werd niet-ontvankelijk verklaard, omdat de indiener niet bevoegd was.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht
Locatie Groningen
parketnummer 18/137533-23
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, Noordelijke Fraudekamer, d.d. 6 januari 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1978 te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 10 december 2025.
Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. J.M. Pol, advocaat te Hoogeveen.
Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. B. Broerse.
Het onderzoek ter terechtzitting is gesloten op 6 januari 2026 in Groningen.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij, op een of meer tijdstippen, in of omstreeks de periode van 22 februari 2021 tot en met 10 november 2021 te Emmen en/of elders in Nederland,(telkens) tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,
(telkens) een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten:
- een salarisspecificatie, gedateerd op 30 juli 2021, op naam van de werknemer [werknemer/medeverdachte] en werkgever [bedrijf 1] (dossier p. 67)
- een salarisspecificatie, gedateerd op 31 augustus 2021, op naam van de werknemer [werknemer/medeverdachte] en werkgever [bedrijf 1] (dossier p. 68)
- een salarisspecificatie, gedateerd op 30 september 2021, op naam van de werknemer [werknemer/medeverdachte] en werkgever [bedrijf 1] (dossier p. 69)
- een salarisspecificatie, gedateerd op 29 oktober 2021, op naam van de werknemer [werknemer/medeverdachte] en werkgever [bedrijf 1] (dossier p. 70)
- een werkgeversverklaring, gedateerd op 1 juli 2021 op naam van de werknemer [werknemer/medeverdachte] en werkgever [bedrijf 1] (dossier p. 77)
- een werkgeversverklaring, gedateerd op 24 maart 2021 op naam van de werknemer [werknemer/medeverdachte] en werkgever [bedrijf 1] (dossier p. 191)
- een salarisspecificatie, gedateerd op 22 februari 2021, op naam van de werknemer [werknemer/medeverdachte] en werkgever [bedrijf 1] (dossier p. 192)
valselijk heeft opgemaakt en/of doen/laten opmaken,
immers heeft verdachte, tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, valselijk en/of in strijd met de waarheid
- op die werkgeversverklaringen vermeld en/of doen/laten vermelden dat [werknemer/medeverdachte] werkzaam was als [functie] voor [bedrijf 1] (sinds 1 oktober 2020 en/of sinds 1 juli 2021 ) en/of een arbeidsovereenkomst had voor onbepaalde duur of was aangesteld in vaste dienst en/of inkomen genoot uit voornoemd dienstverband en/of
- op die salarisspecificaties vermeld en/of doen/laten vermelden dat [werknemer/medeverdachte] werkzaam was voor [bedrijf 1] en/of werkzaamheden heeft verricht en/of loon verdiend/uitbetaald heeft (gekregen) en/of loon opgebouwd heeft;
2.
hij, op een of meer tijdstippen, in of omstreeks de periode van 9 maart 2021 tot en met 16 april 2021 te Emmen en/of elders in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,
(telkens) opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een vals of vervalst geschrift, bestemd om te dienen tot bewijs van enig feit, als ware het echt en onvervalst, te weten:
- een werkgeversverklaring, gedateerd op 24 maart 2021 op naam van de werknemer [werknemer/medeverdachte] en werkgever [bedrijf 1] (dossier p. 191)
- een salarisspecificatie, gedateerd op 22 februari 2021, op naam van de werknemer [werknemer/medeverdachte] en werkgever [bedrijf 1] (dossier p. 192),
bestaande die valsheid of vervalsing (telkens) hierin dat op dat/die geschrift(en) (telkens) valselijk was vermeld en/of geplaatst
- (op die werkgeversverklaring) dat [werknemer/medeverdachte] werkzaam was als [functie] voor [bedrijf 1] (sinds 1 juli 2021 ) en/of een arbeidsovereenkomst had voor onbepaalde duur of was aangesteld in vaste dienst en/of inkomen genoot uit voornoemd dienstverband en/of
- (op die salarisspecificatie) dat [werknemer/medeverdachte] werkzaam was voor [bedrijf 1] en/of werkzaamheden heeft verricht en/of € 3.200,- netto (€ 4.687,77 bruto) aan loon verdiend/uitbetaald heeft (gekregen) en/of loon opgebouwd heeft,
en bestaande dat gebruikmaken hierin dat verdachte tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, al dan niet via een tussenpersoon of ander bedrijf, dat/die geschrift(en) (telkens) aan de Volksbank N.V. en/of BLG Wonen heeft doen/laten toekomen,
dan wel opzettelijk zodanig(e) geschrift(en) heeft afgeleverd of voorhanden gehad, terwijl verdachte en/of zijn medeverdachte(n) wist(en) of redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat dat geschrift bestemd was voor zodanig gebruik;
3.
hij, op een of meer tijdstippen, in of omstreeks de periode van 9 maart 2021 tot en met 16 april 2021 te Emmen en/of elders in Nederland,(telkens) tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,
(telkens) met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen
door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of een samenweefsel van verdichtsels een of meer persoon/personen en/of bedrijf, te weten (onder meer)
(medewerker(s) van) de Volksbank N.V. en/of BLG Wonen,
heeft bewogen tot
de verstrekking van een geldbedrag en/of een hypothecaire lening door de Volksbank N.V. en/of BLG Wonen ter waarde van € 269.000,-, althans € 267.117, althans een groot geldbedrag, ten behoeve van de aankoop van het pand [adres] , althans het aangaan van een schuld ter waarde van € 269.000,-, althans € 267.117, althans een groot geldbedrag,
althans de verstrekking van (een) geldbedrag(en) en/of (een) hypothe(e)k(en)(telkens) leidende tot uitbetaling(en) van een geldsom en/of de aanschaf van (een) pand(en) en/of het aangaan van een schuld,
immers heeft verdachte tezamen en in vereniging met zijn medeverdachte(n), althans alleen,
valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid – zakelijk weergegeven –
immers heeft/hebben hij en/of zijn mededaders, (een) werkgeversverklaring(en) en/of (een) salarisspecificatie(s) en/of (een) hypotheekaanvra(a)g(en) en/of (een) hypotheekofferte(s) en/of (een) ander(e) geschrift(en), in welke werkgeversverklaring(en) en/of salarisspecificatie(s) en/of hypotheekaanvra(a)g(en) en/of hypotheekofferte(s) en/of (een) ander(e) geschrift(en) ten onrechte valse en/of vervalste werkgeversgegevens en/of salarisgegevens en/of anderszins valse en/of vervalste gegevens waren opgenomen,
ingediend bij en/of toegezonden en/of teruggezonden en/of ingezonden en/of doen/laten indienen en/of toezenden en/of inzenden en/of terugzenden aan de Volksbank N.V. en/of BLG Wonen,
en/of naar aanleiding waarvan hij, verdachte, en/of zijn mededader(s), de Volksbank N.V. en/of BLG Wonen en/of een of meer anderen heeft bewogen tot afgifte van (een) goed(eren) en/of (een) geldbedrag(en), te weten voornoemde (een) hypothe(e)k(en) en/of geldbedragen en/of tot het aangaan van voornoemde (een) schuld(en)
waardoor dat/die bedrijf/bedrijven en/of die persoon/personen werd(en) bewogen tot voornoemde afgifte(n).

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor alle ten laste gelegde feiten. Met betrekking tot het onder 1 ten laste gelegde heeft de officier van justitie aangevoerd dat uit het WhatsAppgesprek uit november 2021 tussen verdachte en medeverdachte [werknemer/medeverdachte] blijkt dat verdachte kan worden aangemerkt als medepleger van het vervalsen van de eerste vijf documenten op de tenlastelegging. Als professioneel adviseur instrueert hij [werknemer/medeverdachte] , terwijl hij op dat moment weet dat het salaris nog niet gedekt is, om dat alsnog te regelen. De bijdrage van verdachte is daarmee intellectueel gezien van voldoende gewicht om van medeplegen te kunnen spreken.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft betoogd dat verdachte integraal moet worden vrijgesproken. Met betrekking tot het onder 2 en 3 ten laste gelegde heeft hij daartoe het volgende aangevoerd.
Met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde kan niet wettig en overtuigend bewezen worden dat verdachte wist dat de werkgeversverklaring en de salarisspecificatie vals waren. Hij heeft derhalve ook geen opzet gehad op het gebruik maken van valse documenten. Het feit dat verdachte in een WhatsAppgesprek tegen medeverdachte [werknemer/medeverdachte] heeft aangegeven dat hij tegen de bank heeft “moeten lullen” (om de hypotheeklening voor elkaar te krijgen) betreft enkel spreektaal. De bank heeft verdachte een vraag gesteld over de salarisbetaling van [bedrijf 1] aan [werknemer/medeverdachte] en verdachte heeft daar uitleg over gegeven. De onvolkomenheden in de salarisspecificatie rechtvaardigen eveneens niet de conclusie dat verdachte redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de stukken vals waren. Het gaat enkel over punten, komma’s en spaties. Verdachte is geen fraudeonderzoeker en derhalve niet getraind op het opsporen van dergelijke kleine afwijkingen. Bovendien heeft zelfs de Volksbank, met al haar software, mensen en middelen, deze onvolkomenheden niet opgemerkt. Het dossier biedt tot slot geen enkele steun voor een nauwe en bewuste samenwerking.
Met betrekking tot het onder 3 ten laste gelegde kan het oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling niet wettig en overtuigend bewezen worden aangezien niet kan worden vastgesteld dat verdachte wist dat de documenten vals waren. Hij ging ervan uit dat [werknemer/medeverdachte] een loondienstverband had bij [bedrijf 1] en hij had geen reden om daaraan te twijfelen. Verdachte heeft geen enkele rol gehad in de beweerde oplichting. Bovendien is er geen sprake van benadeling van de Volksbank. Ook voor dit feit is niet gebleken van een nauwe en bewuste samenwerking.
Tot slot heeft verdachte geen enkel motief gehad voor de hem verweten gedragingen. Hij heeft slechts € 1.250,00 verdiend aan de hypotheekaanvraag terwijl de risico’s en de gevolgen voor hem wel ontzettend groot zijn.
Oordeel van de rechtbank
Vrijspraak feit 1
De rechtbank acht het onder 1 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen, zodat verdachte hiervan zal worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende.
Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat er geen bewijs is voor de betrokkenheid van verdachte bij het valselijk opmaken of doen laten opmaken van de laatste twee documenten op de tenlastelegging.
Ten aanzien van de eerste vijf documenten zou deze rol kunnen volgen uit het WhatsAppgesprek tussen verdachte en medeverdachte [werknemer/medeverdachte] . Hoewel uit dit gesprek volgt dat verdachte kennis heeft gehad van het fictieve dienstverband van [werknemer/medeverdachte] (waar de rechtbank hieronder nader op in zal gaan), blijkt uit het gesprek onvoldoende wat de rol van verdachte is geweest in het valselijk opmaken of doen laten opmaken van deze documenten. Op basis van het dossier kan derhalve niet worden vastgesteld dat verdachte dit feit heeft gepleegd, dan wel dat er sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en anderen en dat de intellectuele en/of materiële bijdrage van verdachte van voldoende gewicht is om te kunnen spreken van medeplegen.
Bewezenverklaring feit 2 en 3 [1]
Op 16 oktober 2021 wordt door de politie een onderzoek gestart naar aanleiding van een schietpartij in Emmen. In dit onderzoek wordt onder meer medeverdachte [werknemer/medeverdachte] aangehouden. Hierbij is ook zijn telefoon in beslag genomen en uitgelezen. Op de telefoon wordt een WhatsAppgesprek aangetroffen tussen [werknemer/medeverdachte] en verdachte, de hypotheekadviseur van [werknemer/medeverdachte] . Uit dit gesprek ontstaat het vermoeden dat [werknemer/medeverdachte] een dienstverband heeft gefingeerd bij het bedrijf [bedrijf 1] om zo een hypotheek te verkrijgen voor de woning aan [adres] en dat verdachte hiervan op de hoogte was en hem instructies heeft gegeven. Tevens ontstaat het vermoeden dat [werknemer/medeverdachte] en verdachte dit vaker hebben gedaan. [2]
Uit het dossier is gebleken dat [werknemer/medeverdachte] nooit werkzaam is geweest bij [bedrijf 1] . De eigenaar van [bedrijf 1] , [naam 2] , heeft verklaard dat [werknemer/medeverdachte] nooit voor zijn bedrijf heeft gewerkt. Hij heeft aangegeven dat hij een geldbedrag op de bankrekening van [bedrijf 1] kreeg gestort en dat hij dit vervolgens op de rekening van [werknemer/medeverdachte] moest storten als fictief salaris. Hij moest dit doen om te zorgen dat [werknemer/medeverdachte] een hypotheek kon verkrijgen. [3] Uit de gegevens van het UWV is ook niet gebleken van een dienstverband tussen [werknemer/medeverdachte] en [bedrijf 1] . [4] Verder staat in de rapportage van iCOV dat [werknemer/medeverdachte] geen inkomen heeft opgegeven in de jaren 2021, 2020, 2019 en 2017. [5] Bovendien blijkt uit het onderzoek naar de bankrekeningen van [werknemer/medeverdachte] [6] en van [bedrijf 1] [7] dat het geld dat [werknemer/medeverdachte] ontvangt als salaris van [bedrijf 1] direct of indirect weer wordt teruggeboekt naar de bankrekening van [naam 2] , hetgeen overeenkomt met de verklaring van [naam 2] .
In november 2021 hebben [werknemer/medeverdachte] en verdachte contact via WhatsApp. [8] Dit gesprek heeft betrekking op de aankoop van een woning aan de [adres] in Emmen. Deze aankoop heeft uiteindelijk niet plaatsgevonden. [9] Verdachte vraagt op 1 november 2021 of het salaris ingedekt is. [werknemer/medeverdachte] geeft aan dat dit niet het geval is. Verdachte zegt vervolgens “ff regelen bij je neef dan. Per 1 november en ook ff echt in loondienst dus ook naar uwv en alles”. Vervolgens stuurt [werknemer/medeverdachte] enkele dagen later aan verdachte een werkgeversverklaring en salarisspecificaties die zien op een dienstverband vanaf 1 juli 2021. Kennelijk is het salaris met terugwerkende kracht plotseling wel geregeld. Vervolgens vraagt verdachte of er wel betalingen naar [werknemer/medeverdachte] zijn geweest. [werknemer/medeverdachte] geeft aan dat dit niet het geval is, maar dat er vorige keer ook niet naar gevraagd is. Verdachte antwoordt daarop dat dit wel het geval is en dat hij daar destijds nog “tegenaan heeft moeten lullen”. [10] Dit ziet hoogstwaarschijnlijk op de hypotheekaanvraag van [werknemer/medeverdachte] in maart 2021 voor de woning aan [adres] . Bij deze hypotheekaanvraag heeft BLG Wonen aan verdachte uitleg gevraagd voor het feit dat [werknemer/medeverdachte] € 3.200,00 over heeft gemaakt naar zijn baas en hij ditzelfde bedrag twee dagen later als salaris ontvangt van [bedrijf 1] . [11]
Dat hier, zoals de verdediging heeft bepleit, enkel sprake is van spreektaal (of straattaal, zoals verdachte het ter terechtzitting heeft genoemd) acht de rechtbank ongeloofwaardig. Verdachte geeft instructies aan [werknemer/medeverdachte] over wat er allemaal geregeld moet worden. Als hij een werkgeversverklaring en salarisstroken krijgt toegestuurd, terwijl het salaris volgens [werknemer/medeverdachte] niet is ingedekt, stelt hij daar geen vragen over. Het enige dat hij vraagt, is of er wel betalingen aan [werknemer/medeverdachte] zijn geweest, hetgeen een ongebruikelijke vraag is om te stellen als er sprake zou zijn van een legitiem dienstverband en echte salarisstroken. Wanneer [werknemer/medeverdachte] aangeeft dat dit niet het geval is, worden daar door verdachte wederom geen vragen over gesteld.
Verder zijn er in de werkgeversverklaringen en salarisstroken van [bedrijf 1] meerdere opvallendheden en inconsistenties aangetroffen die kunnen duiden op een gefingeerd dienstverband:
- De werkgeversverklaring, gedateerd 1 juli 2021, geeft aan dat [werknemer/medeverdachte] in dienst is sinds 1 juli 2021 . Als bruto jaarsalaris wordt een bedrag van € 78 vermeld. [12]
- In de werkgeversverklaring, gedateerd 24 maart 2021, staat echter dat [werknemer/medeverdachte] in dienst is sinds 1 oktober 2020 . [13]
- De salarisspecificatie van februari 2021, [14] bevat meerdere merkwaardigheden: de kop betreft “Salarisspecifica tie”, de maand februari wordt aangeduid als periode 01, er missen op meerdere plekken spaties, er worden verschillende lettertypes gebruikt en de uitlijning is rommelig en niet consistent. [15]
- De salarisspecificatie van februari 2021, vermeldt een brutosalaris van € 4.687,77. [16] De salarisspecificaties van juli 2021 en later vermelden een brutosalaris van € 6.500,00. [17] Dit is een opvallende en onverklaarbare stijging aangezien de functie van [werknemer/medeverdachte] hetzelfde is gebleven.
In november 2022 heeft er een doorzoeking ter inbeslagneming plaatsgevonden in het kantoor van [bedrijf 4] . Hierbij is de digitale bedrijfsadministratie in beslag genomen en door de politie onderzocht. [18] De politie vindt met betrekking tot [werknemer/medeverdachte] vier aanvragen voor hypothecaire leningen. De gegevens over de loondienstverbanden van [werknemer/medeverdachte] die bij de verschillende hypotheekaanvragen zijn gebruikt zijn onderling tegenstrijdig.
Voor de hypothecaire lening voor de woning aan [adres] wordt door [werknemer/medeverdachte] een werkgeversverklaring van [Bedrijf 2] aangeleverd. [19] Volgens deze werkgeversverklaring was [werknemer/medeverdachte] in dienst per 1 augustus 2018 en zou dit gaan om een contract voor bepaalde tijd tot en met 31 juli 2019 . Op de salarisspecificatie van augustus 2018 staat echter als datum uit dienst 31 augustus 2018 vermeld. [20] Ook uit de aangifte inkomstenbelasting blijkt dat [werknemer/medeverdachte] minder dan een maand aan loon heeft ontvangen in 2018 en dat hij geen inkomen heeft ontvangen in 2019. De werkgeversverklaring is gedateerd 9 oktober 2018. Dit is ruim een maand nadat [werknemer/medeverdachte] uit dienst zou zijn getreden. Deze is daarmee evident vals.
Verder zit in het dossier van [bedrijf 4] een arbeidsovereenkomst tussen [werknemer/medeverdachte] en [bedrijf 3] . [21] Volgens deze overeenkomst zou [werknemer/medeverdachte] vanaf 1 september 2020 voor een jaar fulltime in dienst zijn bij [bedrijf 3] . Volgens de werkgeversverklaring van [bedrijf 1] , gedateerd 24 maart 2021, is [werknemer/medeverdachte] echter een maand later, vanaf 1 oktober 2020 , fulltime aan het werk bij [bedrijf 1] .
Tussenconclusie
Gelet op het bovenstaande stelt de rechtbank vast dat er sprake is van een langdurige fraudeconstructie waarin [werknemer/medeverdachte] ten behoeve van verschillende hypotheekaanvragen consequent (evident) valse stukken aanleverde en verdachte structureel en opzettelijk hieraan heeft meegewerkt. De rechtbank is daarnaast van oordeel dat er voldoende wettig en overtuigend bewijs is dat [werknemer/medeverdachte] nooit voor [bedrijf 1] heeft gewerkt.
Anders dan de verdediging heeft bepleit, is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte wetenschap heeft gehad van het fictieve dienstverband tussen [werknemer/medeverdachte] en [bedrijf 1] en daarmee ook van de valsheid van de werkgeversverklaring en salarisspecificatie die zijn gebruikt bij de hypotheekaanvraag voor de woning aan [adres] . De rechtbank leidt dit af uit het WhatsAppgesprek tussen verdachte en [werknemer/medeverdachte] in combinatie met de inconsistenties en onderlinge tegenstrijdigheden die zijn aangetroffen in de stukken die zijn gebuikt bij de hypotheekaanvraag voor de woning aan [adres] , die via WhatsApp door [werknemer/medeverdachte] aan verdachte zijn gestuurd en die zijn aangetroffen in de digitale bedrijfsadministratie van [bedrijf 4] . Dat verdachte dit allemaal niet heeft gezien en niet heeft geweten, acht de rechtbank ongeloofwaardig.
Opzettelijk gebruik maken van valse geschriften en oplichting
Naar aanleiding van de informatie die de Volksbank heeft ontvangen uit het onderzoek KENIA heeft de Volksbank op 17 april 2023 aangifte gedaan van onder meer oplichting. Uit deze aangifte blijkt dat van de onder 1 ten laste gelegde valse stukken de werkgeversverklaring, gedateerd 24 maart 2021, en de salarisspecificatie van februari 2021 gebruikt zijn in verband met het verkrijgen van een hypothecaire geldlening van
€ 269.000,00 ter financiering van de aankoop van de woning aan [adres] . Deze stukken zijn door [bedrijf 4] verstuurd naar BLG Wonen, een hypotheekverstrekker die onderdeel uitmaakt van de Volksbank. Uit de aangifte volgt dat de Volksbank bij een juiste voorstelling van zaken deze lening niet verstrekt zou hebben. [22]
Uit het voorgaande blijkt dat [werknemer/medeverdachte] en verdachte opzettelijk gebruik hebben gemaakt van de valse stukken door deze in te dienen bij BLG Wonen om zo een hypothecaire lening te verkrijgen bij de Volksbank. [werknemer/medeverdachte] heeft de stukken aangeleverd bij verdachte en verdachte heeft de stukken ingediend bij BLG Wonen. Beiden waren op de hoogte van het feit dat de stukken vals waren. Zij hebben dit feit daarmee tezamen en in vereniging gepleegd. De rechtbank acht derhalve het onder 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.
Met betrekking tot het onder 3 ten laste gelegde stelt de rechtbank voorop dat voor een veroordeling ter zake van oplichting is vereist dat verdachte bij een ander door een specifieke, voldoende ernstige vorm van bedrieglijk handelen een onjuiste voorstelling in het leven heeft willen roepen teneinde daarvan misbruik te maken. Daartoe moet verdachte een of meer van de in artikel 326, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde oplichtingsmiddelen hebben gebruikt, door welk gebruik die ander is bewogen tot de afgifte van een goed, het verlenen van een dienst, het beschikbaar stellen van gegevens, het aangaan van een schuld of het tenietdoen van een inschuld.
De rechtbank is van oordeel dat verdachte zich samen met [werknemer/medeverdachte] schuldig heeft gemaakt aan oplichting. Zij hebben met listige kunstgrepen en een samenweefsel van verdichtsels de Volksbank ertoe bewogen een hypothecaire geldlening voor een bedrag van € 269.000,00 aan [werknemer/medeverdachte] te verstrekken door een valse werkgeversverklaring en een valse loonstrook te overleggen. Daarnaast is er fictief salaris gestort op de rekening van [werknemer/medeverdachte] wat direct of indirect weer werd teruggestort op de bankrekening van [naam 2] en heeft verdachte – nadat de Volksbank hem over deze transacties om opheldering heeft gevraagd – hierover gelogen, terwijl hij wist dat er geen sprake was van een bestaand dienstverband. De rechtbank acht daarmee het onder 3 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 2 en 3 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
2.
hij in de periode van 9 maart 2021 tot en met 16 april 2021 te Emmen en/of elders in Nederland, telkens tezamen en in vereniging met een ander,
telkens opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een vals geschrift, bestemd om te dienen tot bewijs van enig feit, als ware het echt en onvervalst, te weten:
- een werkgeversverklaring, gedateerd op 24 maart 2021 op naam van de werknemer [werknemer/medeverdachte] en werkgever [bedrijf 1] (dossier p. 191)
- een salarisspecificatie, gedateerd op 22 februari 2021, op naam van de werknemer [werknemer/medeverdachte] en werkgever [bedrijf 1] (dossier p. 192),
bestaande die valsheid telkens hierin dat op die geschriften telkens valselijk was vermeld en/of geplaatst
- op die werkgeversverklaring dat [werknemer/medeverdachte] werkzaam was als [functie] voor [bedrijf 1] en een arbeidsovereenkomst had voor onbepaalde duur of was aangesteld in vaste dienst en inkomen genoot uit voornoemd dienstverband en
- op die salarisspecificatie dat [werknemer/medeverdachte] werkzaam was voor [bedrijf 1] en werkzaamheden heeft verricht en € 3.200,- netto (€ 4.687,77 bruto) aan loon uitbetaald heeft gekregen,
en bestaande dat gebruikmaken hierin dat verdachte tezamen en in vereniging met een ander die geschriften telkens aan de Volksbank N.V. en/of BLG Wonen heeft doen/laten toekomen;
3.
hij in de periode van 9 maart 2021 tot en met 16 april 2021 te Emmen en/of elders in Nederland, telkens tezamen en in vereniging met een ander,
telkens met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door listige kunstgrepen en een samenweefsel van verdichtsels een bedrijf, te weten de Volksbank N.V. en/of BLG Wonen, heeft bewogen tot de verstrekking van een hypothecaire lening door de Volksbank N.V. en/of BLG Wonen ter waarde van € 269.000,- ten behoeve van de aankoop van het pand [adres] ,
immers heeft verdachte tezamen en in vereniging met zijn medeverdachte valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid – zakelijk weergegeven –
een werkgeversverklaring en een salarisspecificatie, in welke werkgeversverklaring en salarisspecificatie ten onrechte valse werkgeversgegevens en salarisgegevens en anderszins valse gegevens waren opgenomen,
ingediend bij en toegezonden aan de Volksbank N.V. en/of BLG Wonen,
naar aanleiding waarvan hij, verdachte, en zijn mededader de Volksbank N.V. en/of BLG Wonen heeft bewogen tot afgifte van voornoemde hypotheek.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
2. medeplegen van opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst;
3. medeplegen van oplichting.
Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een taakstraf van 180 uur, subsidiair 90 dagen hechtenis, en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden met een proeftijd van 2 jaar. Daarnaast heeft hij gevorderd dat aan verdachte een strafrechtelijk bestuursverbod voor de duur van twee jaren wordt opgelegd. In zijn strafeis heeft de officier van justitie rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft de rechtbank verzocht om rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportage, het uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 10 november 2025, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan hypotheekfraude door het gebruik maken van valse geschriften en oplichting van de Volksbank. Om te zorgen dat medeverdachte [werknemer/medeverdachte] in aanmerking kon komen voor een hypotheek is er een fictief dienstverband gecreëerd. Ter ondersteuning van dit fictieve dienstverband werden werkgeversverklaringen en salarisspecificaties opgemaakt. Bovendien hebben zij met gefingeerde loonbetalingen de indruk willen wekken dat er sprake is geweest van een bestaande dienstbetrekking. Op basis van het fictieve dienstverband, de valse documenten en de gefingeerde loonbetalingen is door de Volksbank een hypothecaire geldlening van
€ 269.000,00 verstrekt aan [werknemer/medeverdachte] .
Dit zijn ernstige feiten omdat de integriteit van het financieel en economisch verkeer door dergelijke feiten wordt aangetast. Hypothecaire geldleningen spelen een belangrijke rol in het economisch verkeer. Voor de beoordeling van de kredietwaardigheid van de aanvragen is de bank afhankelijk van de juistheid van de overgelegde stukken. Verdachte heeft misbruik gemaakt van het vertrouwen dat in het maatschappelijk verkeer pleegt te worden gesteld in schriftelijke stukken met een bewijsbestemming alsook van het vertrouwen van de hypotheekverstrekker die er vanuit moet kunnen gaan dat overgelegde documenten naar waarheid zijn opgemaakt.
Bovendien volgt uit het onderzoek dat dit geen geïsoleerd incident betreft maar onderdeel is van een patroon tussen verdachte en [werknemer/medeverdachte] waarin meerdere hypotheken zijn aangevraagd of geprobeerd aan te vragen terwijl [werknemer/medeverdachte] volgens de gegevens van het UWV en iCOV niet of nauwelijks over enig (legaal) inkomen beschikte.
Verdachte heeft het feit ontkend en stellig volgehouden dat hij zich van geen kwaad bewust was. Hij heeft daarmee geen verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen. Ook heeft de rechtbank daardoor geen inzicht kunnen krijgen in zijn motief.
Gelet op de ernst van de feiten en de straffen die doorgaans opgelegd worden in vergelijkbare zaken zou de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf in beginsel passend vinden.
Documentatie en de persoon van verdachte
De rechtbank heeft in aanmerking genomen dat verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor een strafbaar feit.
In haar rapport van 30 mei 2025 heeft de Reclassering Nederland aangegeven dat zij niet goed kunnen duiden waarom verdachte tot het delictgedrag is gekomen. Vanwege zijn ontkennende houding kan ook het recidiverisico niet ingeschat worden. De reclassering ziet geen reden voor reclasseringsinterventies.
Overschrijding van de redelijke termijn
De rechtbank zal rekening houden met het feit dat de redelijke termijn met meer dan een jaar is overschreden.
Straf
Gelet op de overschrijding van de redelijke termijn zal de rechtbank geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf meer opleggen. Omdat de rechtbank tot een vrijspraak komt voor het onder 1 ten laste gelegde zal zij een iets lagere straf opleggen dan door de officier van justitie is geëist. Alles afwegend acht de rechtbank een taakstraf voor de duur van 120 uur, subsidiair 60 dagen vervangende hechtenis, en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden met een proeftijd van twee jaren passend en geboden.
Beroepsverbod
De officier van justitie heeft tevens een beroepsverbod gevorderd. Een beroepsverbod is een zwaarwegende sanctie en strekt ertoe om te voorkomen dat een veroordeelde in de specifieke context waarin het delict is begaan opnieuw de fout in zal gaan. Het is voornamelijk passend indien er sprake is van omvangrijke en structurele fraude. Hoewel er, zoals al overwogen, sprake is geweest van een patroon van hypotheekfraude tussen verdachte en de medeverdachte, is ook van belang dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit en dat er niet is gebleken dat er ten aanzien van andere klanten hypotheekfraude is gepleegd. De rechtbank zal daarom, alles afwegende, geen beroepsverbod opleggen aan verdachte.

Benadeelde partij

Volksbank N.V. heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van € 1.920,00 ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij hoofdelijk kan worden toegewezen, met oplegging van de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.
Oordeel van de rechtbank
De vordering is op 24 juni 2025 door [medewerker volksbank] ingediend namens de Volksbank. Bij de vordering zit echter geen uittreksel van de Kamer van Koophandel en een volmacht, waaruit blijkt dat [medewerker volksbank] bevoegd was tot indiening van het verzoek tot schadevergoeding namens de benadeelde partij.
De rechtbank zal de vordering daarom niet-ontvankelijk verklaren.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47, 57, 225 en 326 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 1 is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 2 en 3 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezenverklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden.

Bepaalt dat deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op 2 jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

een taakstraf voor de duur van 120 uren.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 60 dagen zal worden toegepast.
Verklaart de vordering van
Volksbank N.V.niet-ontvankelijk. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Bepaalt dat de veroordeelde en de benadeelde partij ieder de eigen proceskosten dragen.
Dit vonnis is gewezen door mr. J. van Bruggen, voorzitter, mr. F. Sieders en
mr. H.M. Lenting, rechters, bijgestaan door mr. G. Langius, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 6 januari 2026.
mrs. F. Sieders en H.M. Lenting zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit – tenzij anders vermeld – de pagina’s van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2022143120 d.d. 17 mei 2023 (onderzoek KENIA / NN3R022062).
2.proces-verbaal restinformatie d.d. 7 juni 2022, opgenomen op pagina 27 e.v., met als bijlagen screenshots van het Whatsappgesprek en de werkgeversverklaring en salarisspecificaties die in dat gesprek worden benoemd.
3.proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 15 november 2022, opgenomen op pagina 367 e.v., inhoudend de verklaring van [naam 2] .
4.proces-verbaal van bevindingen d.d. 2 september 2022, opgenomen op pagina 201.
5.proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 juli 2022, opgenomen op pagina 98.
6.proces-verbaal verstrekking gevorderde gegevens d.d. 27 juli 2022, opgenomen op pagina 108 e.v., en proces-verbaal verstrekking gevorderde gegevens d.d. 9 november 2022, opgenomen op pagina 148 e.v.
7.proces-verbaal verstrekking gevorderde gegevens d.d. 5 december 2022, opgenomen op pagina 208 e.v.
8.proces-verbaal restinformatie d.d. 7 juni 2022, opgenomen op pagina 27 e.v., met als bijlagen screenshots van het Whatsappgesprek en de werkgeversverklaring en salarisspecificaties die in dat gesprek worden benoemd.
9.proces-verbaal van bevindingen d.d. 29 juli 2022, opgenomen op pagina 166.
10.proces-verbaal restinformatie d.d. 7 juni 2022, opgenomen op pagina 27 e.v., met als bijlagen screenshots van het Whatsappgesprek en de werkgeversverklaring en salarisspecificaties die in dat gesprek worden benoemd.
11.proces-verbaal van bevindingen d.d. 19 oktober 2022, opgenomen op pagina 193 e.v.
12.een schriftelijk bescheid, te weten een werkgeversverklaring d.d. 1 juli 2021, opgenomen op pagina 77.
13.een schriftelijk bescheid, te weten een werkgeversverklaring d.d. 24 maart 2021, opgenomen op pagina 191.
14.een schriftelijk bescheid, te weten een salarisspecificatie d.d. 22 februari 2021, opgenomen op pagina 192.
15.proces-verbaal van bevindingen d.d. 29 augustus 2022, opgenomen op pagina 188 e.v.
16.een schriftelijk bescheid, te weten een salarisspecificatie d.d. 22 februari 2021, opgenomen op pagina 192.
17.schriftelijke bescheiden, te weten diverse salarisspecificaties, opgenomen op pagina 67 e.v.
18.proces-verbaal van bevindingen d.d. 31 oktober 2023, pagina 3 e.v. van het aanvullend proces-verbaal.
19.een schriftelijk bescheid, te weten een werkgeversverklaring d.d. 9 oktober 2018, opgenomen op pagina 31 van het aanvullend proces-verbaal.
20.een schriftelijk bescheid, te weten een salarisspecificatie d.d. 31 augustus 2018, opgenomen op pagina 32 van het aanvullend proces-verbaal.
21.Een schriftelijk bescheid, te weten een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd d.d. 1 september 2020, opgenomen op pagina 55 e.v. van het aanvullend proces-verbaal.
22.een schriftelijk bescheid, te weten een aangifte door de Volksbank d.d. 17 april 2023, opgenomen op pagina AAN-001-01 e.v.