6.2.De heffingsambtenaar heeft in de beroepsfase ter onderbouwing van zijn standpunt een taxatierapport ( [taxateur 1] BV) en een waardematrix overgelegd, waarin de waarde is bepaald op € 386.000 en waarin de verkoopcijfers van de volgende referentieobjecten zijn gebruikt:
- [adres 2] te Walterswâld (verkocht op 25 november 2022 voor € 280.000)
- [adres 3] (verkocht op 2 september 2022 voor € 429.500)
- [adres 4] te Damwâld (verkocht op 24 juni 2022 voor € 365.000)
7. De rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar met het door hem in de beroepsfase overgelegde taxatierapport en de waardematrix en de door hem gegeven toelichting ter zitting, in het licht van hetgeen eiser heeft aangevoerd, heeft voldaan aan de op hem rustende bewijslast dat de WOZ-waarde niet te hoog is vastgesteld. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat de referentieobjecten, wat type, bouwjaar, kwaliteit, onderhoud, doelmatigheid en voorzieningen betreft, goed vergelijkbaar zijn met de woning van eiser en dat de heffingsambtenaar voldoende rekening heeft gehouden met de onderlinge verschillen. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de prijzen per m² voor de woning worden herleid vanuit de verkoopprijzen van de door de heffingsambtenaar aangevoerde referentieobjecten. De gemiddelde m²-prijs van de gebruikte referentieobjecten bedraagt € 1.719, terwijl de berekende m²-prijs van de woning van eiser veel lager is, namelijk € 1.101. In de beroepsfase heeft de heffingsambtenaar de iWOZ-kaartenvan de referentiewoningen overgelegd. Ook op basis hiervan kan worden vastgesteld dat de KOUDV-factorenvan alle objecten correct zijn weergegeven in de matrix en voldoende tot uiting komt in de onderlinge waardeverhouding. De rechtbank neemt verder in aanmerking dat de taxateur [taxateur 1] BV op 7 maart 2025 de woning van eiser inpandig heeft opgenomen. Aan de hand van zijn bevindingen ter plaatse heeft de taxateur zich een goed beeld kunnen vormen van de staat waarin de woning verkeert. Verder heeft de heffingsambtenaar rekening gehouden met een recht van overpad (op circa 85 m² van het perceel) door een aftrek toe te passen van € 7.000. Eiser heeft hiertegen geen gronden aangevoerd.
8. Ten aanzien van de stelling van eiser dat de heffingsambtenaar onvoldoende rekening heeft gehouden met de marktsituatie op de waardepeildatum, overweegt de rechtbank dat het op de weg van eiser ligt om zijn stellingen gemotiveerd te onderbouwen en de door de heffingsambtenaar gehanteerde uitgangspunten gemotiveerd te betwisten. In zijn beroepschrift heeft eiser aangegeven een onderbouwing (een taxatiematrix van [taxateur 2] ) over te zullen leggen voor zijn stelling dat er door de heffingsambtenaar onvoldoende rekening is gehouden met de marktsituatie. Deze nadere onderbouwing heeft eiser niet overgelegd. Deze grond slaagt dan ook niet.
9. De rechtbank volgt eiser verder niet in zijn standpunt dat onvoldoende rekening is gehouden met de staat van onderhoud en het voorzieningenniveau van zijn woning. De heffingsambtenaar heeft hier rekening mee gehouden door bij de KOUDV-factoren bij het onderhoud en de voorzieningen uit te gaan van ‘ondergemiddeld’ (factor 2). Voor zover eiser van mening is dat de onderhoudstoestand en voorzieningenniveau van zijn woning ten opzichte van de referentieobjecten als minder moet worden aangemerkt, overweegt de rechtbank dat het aan hem is om dit te stellen, en bij gemotiveerde betwisting te bewijzen.De heffingsambtenaar heeft het standpunt van eiser gemotiveerd betwist. De rechtbank kan uit de door eiser overgelegde fotoreportage en de aanvullende vragenlijst niet afleiden dat het onderhouds- en voorzieningenniveau zodanig is, dat de heffingsambtenaar dit op een (nog) lagere score had moeten waarderen. Deze grond slaagt eveneens niet.
10. Gelet op al het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat hij de waarde van de woning van € 386.000 niet te hoog heeft vastgesteld.