De rechtbank Noord-Nederland heeft op 17 februari 2026 uitspraak gedaan in een zaak waarin het Openbaar Ministerie (OM) vorderde dat bedragen die zijn geïncasseerd en nog geïncasseerd zullen worden in het kader van een ontnemingsmaatregel, worden aangemerkt als incasso op de aan de veroordeelde opgelegde ontnemingsmaatregel. Tevens verzocht het OM om deze bedragen, naar rato van de benadeling, uit te betalen aan de belanghebbenden.
De ontnemingsmaatregel was door het gerechtshof Leeuwarden opgelegd bij arrest van 18 juli 2011 en onherroepelijk geworden op 2 juli 2013. De veroordeelde was ook in België vervolgd, waar een verbeurdverklaring werd uitgesproken, waarvan een deel niet was geïncasseerd. Het OM had met de Belgische autoriteiten afgesproken dat het geïncasseerde bedrag ter beschikking wordt gesteld aan het CJIB voor executie van de ontnemingsmaatregel.
De rechtbank overwoog dat de ontnemingsmaatregel betrekking heeft op wederrechtelijk verkregen voordeel uit beleggingen door de belanghebbenden. De veroordeelde stemde schriftelijk in met uitbetaling aan de belanghebbenden. De rechtbank besloot daarom dat de reeds geïncasseerde en nog te incasseren bedragen, vermeerderd met de feitelijke rente, worden uitgekeerd aan de belanghebbenden naar rato van hun benadeling, tot een maximum van het ontnomen bedrag.
De lijst van belanghebbenden zoals opgenomen in het arrest van het gerechtshof en de bijlagen bij de vordering van het OM wordt gehanteerd, met enkele door het OM voorgestelde wijzigingen die door de rechtbank zijn overgenomen. De beslissing werd genomen in verstek, aangezien de veroordeelde niet aanwezig was bij de zitting.