ECLI:NL:RBNNE:2026:467

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
20 februari 2026
Publicatiedatum
23 februari 2026
Zaaknummer
18-128301-25
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 WVWArt. 175 WVWArt. 179 WVWArt. 5.2.27 Regeling voertuigenArt. 9 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verkeersongeval door beginnend bestuurder met zwaar lichamelijk letsel passagiers

Op 19 april 2025 reed de toen 19-jarige verdachte, enkele weken in het bezit van zijn rijbewijs, met een 26 jaar oude auto op een smalle, voor hem onbekende landweg in Tijnje. Hij reed met een snelheid van circa 85 km/u waar 60 km/u was toegestaan, terwijl drie passagiers geen gordel droegen en de linker voorband van het voertuig niet voldeed aan het wettelijke minimum.

Door zijn onvoorzichtige en onoplettende rijgedrag verloor verdachte de controle over het voertuig, raakte de linker berm, botste tegen twee bomen en kwam op de rechter zijkant tot stilstand. Drie passagiers liepen zwaar lichamelijk letsel op, waaronder meerdere botbreuken en trauma's met een genezingsduur van meer dan een jaar.

De rechtbank achtte bewezen dat het ongeval aan schuld van verdachte te wijten was, maar sprak hem vrij van roekeloosheid. Verdachte toonde geen oprecht berouw en nam onvoldoende verantwoordelijkheid. Gelet op de ernst van het letsel, de omstandigheden en het reclasseringsadvies werd een taakstraf van 160 uur opgelegd, met een rijontzegging van 12 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 160 uur taakstraf en 12 maanden rijontzegging, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, wegens schuld aan verkeersongeval met zwaar lichamelijk letsel.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht
Locatie Leeuwarden
Parketnummer 18-128301-25
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 20 februari 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 2005 te [geboorteplaats] , wonende [adres] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 6 februari 2026. Verdachte is verschenen. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. L. Lübbers.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 19 april 2025 te Tijnje als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, [straatnaam] , zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of
onoplettend, als beginnend bestuurder, met een voertuig dat was voorzien van een band waarvan de profieldiepte niet aan het wettelijk minimum van 1,6 mm voldeed (artikel 5.2.27 Regeling voertuigen),
  • te rijden met een snelheid van 85 km/u terwijl ter plaatse een maximumsnelheid van 60 km/u gold, althans met een hogere snelheid dan ter plaatse verantwoord was,
  • niet zo veel mogelijk rechts te houden, en/of
  • de controle over het voertuig te verliezen,
als gevolg waarvan het voertuig in de linker berm terecht is gekomen, waar deze in botsing is gekomen met een tweetal bomen, waarna deze op de rechter zijkant terecht is gekomen, waardoor anderen (genaamd [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] ) zwaar lichamelijk letsel, te weten
  • [slachtoffer 1] : enkelluxatie en/of talustrauma (links),
  • [slachtoffer 2] : wervelbreuken (T7 tot en met L1), en/of een hersenschudding, en/of
  • [slachtoffer 3] : een schaafwond op de thorax, bovenbeenbreuken, een sleutelbeenbreuk, een schouderbladbreuk (rechts), werveltrauma en/of bovenarmfractuur (rechts), of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op of omstreeks 19 april 2025 te Tijnje als bestuurder van een voertuig (personenauto),
daarmee rijdende op de weg, [straatnaam] , als beginnend bestuurder, met een voertuig dat was voorzien van een band waarvan de profieldiepte niet aan het wettelijk minimum van 1,6 mm voldeed (artikel 5.2.27 Regeling voertuigen),
  • heeft gereden met een snelheid van 85 km/u terwijl ter plaatse een maximumsnelheid van 60 km/u gold, althans met een hogere snelheid dan ter plaatse verantwoord was,
  • niet zo veel mogelijk rechts heeft gehouden, en/of
  • de controle over het voertuig heeft verloren,
door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

Beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde gevorderd. Uit het dossier volgt dat verdachte als beginnend bestuurder veel te hard heeft gereden waarop hij de controle
over het voertuig is verloren en in botsing is gekomen met een tweetal bomen met als gevolg dat zijn drie passagiers zwaar lichamelijk letsel hebben opgelopen. De verklaring van verdachte dat het ongeluk is veroorzaakt doordat hij tijdens het rijden door het slachtoffer [slachtoffer 1] in zijn rechterzij is gepord of geprikt vindt geen steun in het dossier en moet als ongeloofwaardig terzijde worden geschoven. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van schuld in de zin van aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag.
Het standpunt van de verdachte
Verdachte heeft verklaard geen herinnering meer te hebben aan de directe oorzaak van het ongeval.
Het oordeel van de rechtbank1
De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
Bewijsmiddelen
Op 19 april 2025 omstreeks 14.00 uur heeft er een ongeluk plaatsgevonden op de weg [straatnaam] te Tijnje met een personenauto Subaru Vivio Gli (verder: voertuig).2 Ter plaatse zag verbalisant [verbalisant] het voertuig zwaar beschadigd schuin op de rechter zijkant tegen een boom aanstaan. Alle vier de inzittenden waren zichtbaar (zwaar) gewond en hij heeft met hen gesproken. Hij heeft genoteerd dat verdachte de bestuurder van het voertuig is geweest. [slachtoffer 3] (verder: slachtoffer [slachtoffer 3] ) zat op de bijrijdersstoel, [slachtoffer 1] (verder: slachtoffer [slachtoffer 1] ) zat rechts achterin en [slachtoffer 2] (verder: slachtoffer [slachtoffer 2] ) zat links achterin.3 Ter zitting heeft verdachte erkend de bestuurder van het voertuig te zijn geweest en verklaard dat hij tijdens de rit als enige een gordel droeg. Ook bevestigde hij de voertuigindeling en heeft hij verklaard dat de weg ( [straatnaam] ) ten tijde van het ongeval voor hem onbekend terrein was.4 Bij de politie heeft verdachte verklaard dat [straatnaam] een smal landweggetje betrof.5 Verder is gebleken dat verdachte een beginnend bestuurder is, omdat op 11 maart 2025 voor het eerst aan hem een rijbewijs (categorie AM, B) is afgegeven. Het voertuig waarmee verdachte reed is in september 1998 voor het eerst toegelaten en ingeschreven in Nederland.6
Na het verkeersongeval heeft de politie ter plaatse onderzoek verricht. Uit de verkeersongevallenanalyse (verder: VOA) blijkt dat [straatnaam] buiten de bebouwde kom van Tijnje ligt en dat ter plaatse een maximumsnelheid van 60 kilometer per uur gold.7 Gebleken is dat de linker voorband ten tijde van het ongeval een profieldiepte van 1,3 mm had.8 Op basis van verkregen camerabeelden van [adres] is berekend met welke snelheid moet zijn gereden. De uitkomst van deze berekening is dat het voertuig indicatief op het traject voor de aanrijding circa 85 kilometer per uur heeft gereden.9 Verder is beschreven dat op 33,5 meter en op 16 meter voor de aangetroffen eindpositie van het voertuig rolsporen zijn aangetroffen in de linkerberm van [straatnaam] .10 Ook zijn er in de linkerberm van [straatnaam] twee deels ontvelde bomen aangetroffen in de richting en ter hoogte van de eindpositie van het voertuig.11 Hieruit volgt dat verdachte op enig moment met het voertuig in de linkerberm terecht is gekomen waar deze in botsing is gekomen met een tweetal bomen. Het voertuig is op de rechter zijkant terechtgekomen.12
De telefoons van slachtoffers [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] zijn inbeslaggenomen en onderzocht.13
Gebleken is dat op beide telefoons de applicatie Life360 is geïnstalleerd. Deze applicatie slaat onder andere GPS-locaties en snelheden in meters per seconde op. De applicatie op de telefoon van slachtoffer
[slachtoffer 2] heeft op 19 april 2025 om 13.59 uur een snelheid van 84 kilometer per uur opgeslagen. Ook de telefoon van slachtoffer [slachtoffer 3] heeft op 19 april 2025 om 14.00 uur een snelheid van 84 kilometer per uur opgeslagen.14
Na het ongeval is slachtoffer [slachtoffer 2] naar het Medisch Centrum Leeuwarden gebracht en slachtoffers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] zijn naar het Universitair Medisch Centrum Groningen vervoerd.15 Uit de geneeskundige verklaring volgt dat slachtoffer [slachtoffer 2] wervelbreuken heeft in de borstwervel T7 tot en met de lendenwervel L1 en een hersenschudding. Na twee dagen is hij ontslagen uit het ziekenhuis.16 Uit de geneeskundige verklaring blijkt dat slachtoffer [slachtoffer 3] een schaafwond op de thorax, bovenbeenbreuken, een sleutelbeenbreuk, een schouderbladbreuk (rechts), werveltrauma en een bovenarmfractuur (rechts) heeft opgelopen. De genezingsduur is geschat op meer dan een jaar.17 Tot slot volgt uit de geneeskundige verklaring dat slachtoffer [slachtoffer 1] een enkelluxatie en talustrauma (links) heeft opgelopen. Ook zijn genezingsduur wordt geschat op meer dan een jaar.18
Bewijsoverwegingen
Primair is ten laste gelegd dat verdachte als bestuurder van een motorrijtuig een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft veroorzaakt door roekeloos, in elk geval (zeer) aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend te rijden.
Schuld in de zin van artikel 6 WVW Pro
In het algemeen geldt dat voor een bewezenverklaring van artikel 6 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 (verder: WVW) moet worden vastgesteld dat verdachte zich zodanig heeft gedragen dat het aan zijn schuld is te wijten dat een verkeersongeval heeft plaatsgevonden met als gevolg dat iemand is overleden dan wel zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. De rechtbank dient in dit kader te beoordelen of het handelen van verdachte is aan te merken als roekeloos of (zeer) aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend.
Het juridische begrip schuld in het kader van artikel 6 WVW Pro houdt in dat voor strafbaarheid ten minste sprake moet zijn van een aanmerkelijke onvoorzichtigheid of onoplettendheid. Onvoorzichtig of onoplettend handelen op zichzelf is niet voldoende om tot een bewezenverklaring van schuld te kunnen komen.
Bij de beoordeling van schuld in de zin van artikel 6 WVW Pro komt het aan op het geheel van gedragingen van verdachte, de aard en ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Dat brengt mee dat niet in zijn algemeenheid gesteld kan worden dat één verkeersovertreding voldoende is voor de bewezenverklaring van schuld in de zin van bedoelde bepaling. Daarvoor zijn immers verschillende factoren van belang, zoals de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en de omstandigheden waaronder die overtreding is begaan. Voor schuld is derhalve meer nodig dan het veronachtzamen van de voorzichtigheid en oplettendheid die van een normaal oplettende bestuurder mag worden verwacht. Voorts kan niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag in strijd met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin.
Van roekeloosheid als bedoeld in artikel 6 WVW Pro in verbinding met artikel 175, tweede lid, WVW is sprake indien zodanige feiten en omstandigheden worden vastgesteld dat daaruit is af te leiden dat door de buitengewoon onvoorzichtige gedragingen van verdachte een zeer ernstig gevaar in het leven is geroepen, alsmede dat verdachte zich daarvan bewust was, althans had moeten zijn. Sinds de inwerkingtreding van de Wet aanscherping strafrechtelijke aansprakelijkheid ernstige verkeersdelicten per 1 januari 2020 is het toepassingsbereik van het begrip roekeloosheid verbreed. Van roekeloosheid is nu in ieder geval sprake
wanneer het gedrag tevens als een overtreding van artikel 5a, eerste lid, WVW kan worden aangemerkt.
Mate van schuld
De rechtbank leidt uit de bewijsmiddelen af dat verdachte als beginnend bestuurder van een motorrijtuig, op een voor hem onbekende smalle landweg met een snelheid van 85 km/u heeft gereden terwijl ter plaatse een maximumsnelheid van 60 km/u gold. Dit, terwijl verdachte reed in een kleine 26 jaar oude auto, hij nog maar net een maand zijn rijbewijs had, met drie passagiers waarvan hij wist dat geen van de drie passagiers tijdens de rit een gordel droeg. Uit de VOA rapportage is bovendien gebleken dat verdachte reed met een voertuig waarvan de linker voorband niet voldeed aan het wettelijk minimum van 1,6 mm profieldiepte (artikel 5.2.27 Regeling voertuigen).
Uit de rolsporen in de berm en de twee deels ontvelde bomen die (na)bij het ongeval in de linkerberm zijn aangetroffen leidt de rechtbank af dat verdachte als gevolg van zijn te hoge snelheid, terwijl hij niet zo veel mogelijk rechts heeft gehouden en de controle over het voertuig heeft verloren, in de linker berm terecht is gekomen, met zijn auto twee bomen heeft geraakt, is gedraaid om zijn as en op de rechter zijkant terecht is gekomen. De verklaring van verdachte dat het ongeluk als gevolg van een por in zijn rechterzij door slachtoffer [slachtoffer 1] is ontstaan, acht de rechtbank ongeloofwaardig, mede gelet op de 33,5 meter voor het ongeval aangetroffen rolsporen in de linkerberm.
De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat verdachte zeer onvoorzichtig en onoplettend heeft gereden, zodat verdachte schuld als bedoeld in artikel 6 WVW Pro heeft aan het verkeersongeval. De rechtbank is niet van oordeel dat de verdachte roekeloos heeft gereden. De rechtbank zal verdachte daarvan vrijspreken.
Aard van het letsel
Voor de beantwoording van de vraag of sprake is van zwaar lichamelijk letsel, kunnen als algemene gezichtspunten in elk geval worden aangemerkt de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en de aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel.
Gelet op de aard van het letsel bij het slachtoffers, namelijk meerdere botbreuken, traumas en enkelluxatie alsmede de geschatte genezingsduur van meer dan een jaar, is de rechtbank van oordeel dat het letsel van de drie slachtoffers dient te worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel in de zin van artikel 6 WVW Pro.
Dubbele causaliteit
Uit het voorgaande volgt voorts dat het verdachte is die het verkeersongeval heeft veroorzaakt en dat als gevolg van dat ongeval de verschillende slachtoffers allen zwaar lichamelijk letsel hebben opgelopen.
Conclusie
Op basis van de bovenstaande bewijsmiddelen en overwegingen acht de rechtbank het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht het primaire feit wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
(primair)
hij op 19 april 2025 te Tijnje als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, [straatnaam] , zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer onvoorzichtig en onoplettend, als beginnend bestuurder, met een voertuig dat was voorzien van een band waarvan de profieldiepte niet aan het wettelijk minimum van 1,6 mm voldeed (artikel 5.2.27 Regeling voertuigen),
  • te rijden met een snelheid van 85 km/u terwijl ter plaatse een maximumsnelheid van 60 km/u gold,
  • niet zo veel mogelijk rechts te houden, en
  • de controle over het voertuig te verliezen,
als gevolg waarvan het voertuig in de linker berm terecht is gekomen, waar deze in botsing is gekomen met een tweetal bomen, waarna deze op de rechter zijkant terecht is gekomen, waardoor anderen genaamd [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] zwaar lichamelijk letsel, te weten
  • [slachtoffer 1] : enkelluxatie en talustrauma (links),
  • [slachtoffer 2] : wervelbreuken T7 tot en met L1, en een hersenschudding, en
  • [slachtoffer 3] : een schaafwond op de thorax, bovenbeenbreuken, een sleutelbeenbreuk, een schouderbladbreuk (rechts), werveltrauma en bovenarmfractuur (rechts).
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:
Primair. overtreding van artikel 6 van Pro de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht.
Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.
Strafmotivering
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen vervangende hechtenis en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen (verder: OBM) voor de duur van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met aftrek van de tijd dat het rijbewijs reeds is ingevorderd.
Het standpunt van de verdediging
De verdachte heeft geen strafmaatverweer gevoerd.
Het oordeel van de rechtbank
Algemeen
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en het reclasseringsrapport, het strafblad van verdachte, alsmede de vordering van de officier van justitie.
Ernst van het feit
Verdachte, destijds 19 jaar oud en nog maar enkele weken in het bezit van een rijbewijs, heeft veel te hard gereden op een smalle en voor hem onbekende weg. Het is louter aan zijn schuld te wijten dat de auto uiteindelijk in de berm raakte en in tegengestelde richting op de zijkant tegen een boom tot stilstand kwam. De rechtbank acht het ongeloofwaardig dat het prikken in de zij door de mede-inzittende [slachtoffer 1] , zoals aangevoerd door verdachte, enige invloed heeft gehad op het ongeval.
Het rijgedrag van verdachte en de daaropvolgende aanrijding hebben grote gevolgen gehad voor de drie andere passagiers, allemaal jonge mensen en destijds vrienden van verdachte. Uit de medische gegevens en de slachtofferverklaringen blijkt dat bij hen allemaal sprake was van diverse botbreuken en ander zwaar letsel en dat revalidatie een hele tijd zou gaan duren. Opleidingen of werkzaamheden konden niet worden vervolgd en het is nog steeds de vraag of zij volledig en dus zonder beperkingen zullen herstellen. Dit alles als gevolg van het zeer onvoorzichtige en onoplettende rijgedrag van verdachte.
De rechtbank neemt het verdachte ook kwalijk dat hij na het ongeval en tot op de dag van vandaag nauwelijks naar de slachtoffers heeft omgekeken, geen oprecht en volledig berouw heeft betoond en niet zijn volle verantwoordelijkheid heeft genomen. Voor de slachtoffers was dat, naast de operaties en de hersteltijd, een extra klap en uit de verklaringen op zitting bleek hoe hard die ook is aangekomen.
Strafblad
De rechtbank heeft kennis genomen van het strafblad van 9 januari 2026 waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor enig strafbaar feit.
Persoon van verdachte
De rechtbank heeft ook kennis genomen van het reclasseringsadvies van 24 december 2025. Hieruit volgt dat verdachte first offender is. Er kan daarom niet gesproken worden van een delictpatroon. Verdachte heeft geen schulden, hij beschikt over stabiele huisvesting en er zijn geen aanwijzingen voor middelenproblematiek. Op vrijwel alle leefgebieden zijn door de reclassering beschermende factoren geconstateerd. Daar staat tegenover dat verdachte een onveilige jeugd heeft gekend en is gediagnosticeerd met ADHD.
De reclassering schat de kans op herhaling in als laag. Geadviseerd is om het volwassenenstrafrecht toe te passen, omdat pedagogische interventies niet nodig worden geacht. Verdachte gaat immers niet meer naar school, is in staat om zijn dagelijks leven vorm te geven, werk vast te houden en lijkt zich leeftijdsadequaat te ontwikkelen. De Raad voor de Kinderbescherming heeft dit advies ook onderschreven. Voorts is geadviseerd een straf zonder bijzondere voorwaarden en zonder interventies op te leggen, omdat er geen sprake lijkt te zijn van zwaarwegende problematiek. Verder is gebleken dat verdachte in staat is om een taakstraf uit te voeren. Verdachte is voor zijn werk afhankelijk van een rijbewijs en daarom zal een nieuwe OBM mogelijk enige belemmeringen voor hem opleveren.
LOVS oriëntatiepunten
Naast de omstandigheden de persoon van verdachte betreffende heeft de rechtbank tevens acht geslagen op de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (verder: LOVS). Het LOVS oriëntatiepunt voor straftoemeting ten aanzien van het veroorzaken van een verkeersongeval met zwaar lichamelijk letsel waarbij sprake is van ernstige schuld is een taakstraf van 160 uren en een OBM van één jaar.
Conclusie
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een taakstraf voor de duur van 160 uren, te vervangen door 80 dagen hechtenis, passend en geboden is, met daarbij een OBM voor de duur van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van de tijd dat het rijbewijs reeds ingevorderd of ingehouden is geweest. De deels voorwaardelijke OBM heeft tot doel te voorkomen dat verdachte zich nogmaals schuldig maakt aan een (soortgelijk) strafbaar feit en hem ervan te doordringen voorzichtig en oplettend te blijven in het verkeer. De rechtbank komt aldus tot een hogere (taak)straf dan is gevorderd. Dit verschil vindt zijn grond in de bewezenverklaring van de feiten, waarbij de rechtbank oordeelt dat sprake is van een hogere mate verwijtbaarheid.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank
Verklaart het primair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:

Een taakstraf voor de duur van 160 uren.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 80 dagen zal worden toegepast.
Ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen-bromfietsen daaronder begrepen- voor de tijd van
12 maanden.
Bepaalt dat van deze bijkomende straf
een gedeelte, groot 6 maandenniet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op
twee jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Bepaalt dat de tijd gedurende welke het rijbewijs van de veroordeelde vóór het tijdstip waarop de uitspraak voor wat betreft de bijkomende straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van die bijkomende straf geheel in mindering zal worden gebracht.
Dit vonnis is gewezen door mr. O.F. Brouwer, voorzitter, mr. R.B. Maring en mr. A. Dantuma-Hieronymus, rechters, bijgestaan door mr. M. Linde, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 20 februari 2026.
Mr. A. Dantuma-Hieronymus is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
1. Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpaginas, zijn dit paginas uit het dossier van de politie
Eenheid Noord-Nederland, Opsporing Team Verkeer Politie Noord-Nederland, met het proces-verbaal nummer PL0100-2025102946, doorgenummerd 1 tot en met 190, met losse aanvullingen. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van voornoemd dossier.
2 Paginas 59 en 60.
3 Pagina 17.
4 De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 6 februari 2026.
5 Pagina 134.
6 Paginas 60, 110 en 111.
7 Paginas 74 en 78.
8 Paginas 91 en 92.
9 Paginas 81 en 82.
10 Paginas 84 en 85.
11 Paginas 86 en 87.
12 Pagina 100.
13 Paginas 15, 21 113
14 Paginas 114, 115, 116 en 117.
15 Pagina 61.
16 Pagina 37.
17 Pagina 47.
18 Pagina 50.