De rechtbank Noord-Nederland heeft op 25 februari 2026 geoordeeld over een geschil tussen [eiser] B.V. en Vastgoed Kootstertille B.V. (VK) omtrent de koop van meerdere percelen grond. De kern van het geschil betrof de vraag of op 15 november 2024 een geldige koopovereenkomst tot stand was gekomen waarbij VK als verkoper en [eiser] als koper optraden. De rechtbank stelde vast dat partijen op die datum wilsovereenstemming bereikten over de essentialia van de koop, ondanks dat de notitie van de overeenkomst niet alle details bevatte. De rechtbank paste de Haviltex-maatstaf toe en concludeerde dat de notitie en de omstandigheid dat partijen al vanaf september 2024 contact hadden, voldoende waren voor het aannemen van een overeenkomst.
Vervolgens werd beoordeeld of de personen die namens VK handelden, namelijk de vader en broer van de indirect bestuurder, bevoegd waren om de koop te sluiten. De rechtbank oordeelde dat VK het risico droeg dat zij onbevoegd vertegenwoordigd werd, omdat zij naliet duidelijk te maken dat alleen de statutair bestuurder bevoegd was. Hierdoor mocht [eiser] vertrouwen op de vertegenwoordigingsbevoegdheid van deze personen. VK was daarom gebonden aan de overeenkomst.
VK had de percelen echter aan een derde partij verkocht en geleverd, waardoor zij toerekenbaar tekortschiet in de nakoming van de koopovereenkomst. De rechtbank kende [eiser] een verklaring voor recht toe dat VK tekortschiet en veroordeelde VK tot schadevergoeding, nader op te maken bij staat. Een voorschot op schadevergoeding werd afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing. De proceskosten werden aan VK opgelegd, zowel in conventie als in reconventie, waarbij de vorderingen van VK in reconventie werden afgewezen.