ECLI:NL:RBNNE:2026:531

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
12 februari 2026
Publicatiedatum
25 februari 2026
Zaaknummer
11764743 BU VERZ 25-1283
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 WAHVArt. 6:7 AwbArt. 6:8 AwbArt. 6:9 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen boete voor vasthouden mobiel apparaat tijdens rijden ongegrond wegens termijnoverschrijding

Aan betrokkene is een boete opgelegd wegens het vasthouden van een mobiel elektronisch apparaat tijdens het rijden op 21 maart 2024. Betrokkene stelde beroep in tegen de boete, maar dit werd door de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de beroepstermijn.

Betrokkene voerde aan de initiële boete niet te hebben ontvangen, slechts een aanmaning, en dat hij te laat beroep had ingesteld. De kantonrechter oordeelde dat betrokkene de ontvangst van de initiële beschikking niet op een geloofwaardige wijze had betwist en dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar was. Het verweer dat betrokkene op het moment van verzending in het buitenland was, werd verworpen omdat het de verantwoordelijkheid van betrokkene is om post adequaat te laten behandelen.

De kantonrechter bevestigde dat het administratief beroep terecht niet-ontvankelijk was verklaard en verklaarde het beroep ongegrond. De officier van justitie zal opdracht geven de eerste verhoging van de boete in te trekken. De uitspraak werd gedaan op 12 februari 2026 door kantonrechter F. Sijens.

Uitkomst: Het beroep tegen de boete wegens vasthouden van een mobiel apparaat tijdens het rijden wordt ongegrond verklaard vanwege termijnoverschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Leeuwarden
Bestuursrecht
beschikkingsnummer: 264985325
zaaknummer: 11764743 BU VERZ 25-1283

uitspraak van de kantonrechter van 12 februari 2026

in de zaak van

[betrokkene] (de betrokkene),

die woont in [woonplaats] .

Inleiding

1. Aan betrokkene is een boete opgelegd op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv). De verkeersovertreding waarvoor de boete is opgelegd is: ‘als bestuurder tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat vasthouden', verricht op 21 maart 2024, om 13:43 uur, aan de Rijksstraatweg te Hurdegaryp, gemeente Tytsjerkersteradiel, met een personenauto, met kenteken [kenteken] . De opgelegde boete bedraagt € 429,00 (inclusief administratiekosten).
1.1.
Betrokkene heeft tegen de boete beroep ingesteld bij de officier van justitie. Deze heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Tegen die beslissing heeft betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
1.2.
De kantonrechter heeft het beroep op 29 januari 2026 op de zitting behandeld. Daarbij waren aanwezig: betrokkene en als vertegenwoordigster van de officier van justitie mr. P. Veenstra.

Beoordeling door de kantonrechter

Beslissing

2. De kantonrechter beoordeelt het beroep aan de hand van de beroepsgronden van betrokkene. Hij oordeelt dat het beroep ongegrond is.
.De kantonrechter zal hierna uitleggen waarom hij dat doet.
Standpunten
3. Door betrokkene is aangevoerd dat hij de initiële boete niet heeft ontvangen, maar enkel een aanmaning. Op de zitting heeft betrokkene aangevoerd, dat hij contact heeft gezocht met het CJIB en vervolgens besloot om beroep in te stellen, maar dat het toen te laat was.
4. Door de vertegenwoordigster is aangevoerd dat zij het standpunt van de officier van justitie wil handhaven. Op de zitting heeft de vertegenwoordigster aangegeven het CJIB de opdracht te zullen geven van de eerste verhoging af te zien.. De vertegenwoordigster heeft de kantonrechter verder verzocht het beroep ongegrond te verklaren.
Overwegingen
5. De kantonrechter stelt vast dat de officier van justitie het administratief beroep van betrokkene niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens termijnoverschrijding. Ingevolge het bepaalde in artikel 6, eerste lid, Wet administratieve handhaving verkeersvoorschriften (WAHV) jo. de artikelen 6:7 en 6:8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient het beroep tegen de inleidende beschikking te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen een termijn van zes weken, welke termijn aanvangt op de dag na die waarop de beschikking aan betrokkene is toegezonden.
5.1.
Blijkens het zaakoverzicht moest het administratief beroepschrift uiterlijk op 11 mei 2024 bij de officier van justitie zijn ingediend. Het administratief beroepschrift is digitaal ingediend en is op 13 juli 2024 bij het Parket CVOM binnengekomen.
5.2.
Artikel 6:9 Awb Pro bepaalt dat het beroepschrift tijdig is ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen, alsmede dat bij verzending per post het beroepschrift tijdig is ingediend, indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen. Aan deze criteria is in deze zaak niet voldaan. Door betrokkene is aangevoerd dat hij te laat is met het administratief beroep, nu hij de originele boete nooit heeft ontvangen en hij direct een aanmaning kreeg.
5.3.
Door de vertegenwoordigster is op de zitting verwezen naar een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 26 augustus 2020 [1] , waarin is geoordeeld dat het aanmaak- en verzendproces bij het CJIB zodanig zorgvuldig is dat kans op fouten daarbij nagenoeg is uitgesloten en dat op basis van het zaakoverzicht mag worden aangenomen dat de inleidende beschikking daadwerkelijk is verstuurd. Blijkens het zaakoverzicht is de initiële beschikking aangemaakt op 22 maart 2024 en verstuurd op 30 maart 2024. De kantonrechter is van oordeel dat betrokkene de ontvangst van de initiële beschikking niet op een geloofwaardige wijze heeft betwist en hij gaat er dan ook vanuit dat betrokkene op 30 maart 2024 in kennis is gesteld van de initiële beschikking, waardoor hij ook op de hoogte is gebracht van de geldende termijnen voor het instellen van beroep. Ook het verweer dat betrokkene op 30 maart 2024 in het buitenland was, treft geen doel. Hiertoe overweegt de kantonrechter dat het op de weg van betrokkene ligt om ervoor te zorgen dat hij bij afwezigheid een voorziening treft voor adequate behandeling van de post die op het door betrokkene opgegeven adres binnenkomt.
5.4.
Alles overwegende is de kantonrechter van oordeel dat niet is gebleken dat het niet tijdig instellen van het administratief beroep verschoonbaar is. De officier van justitie heeft het administratief beroep daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard. Deze constatering laat, het verweer van betrokkene ten spijt, geen ruimte voor een inhoudelijke behandeling van het beroepschrift.

Conclusie

De kantonrechter verklaart het beroep ongegrond. De vertegenwoordigster zal het CJIB de opdracht geven de eerste verhoging in te trekken.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F Sijens, kantonrechter, in aanwezigheid van R. de Hoop, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 12 februari 2026.
griffier kantonrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Als u het met de beslissing op uw beroep niet eens bent, dan kunt u binnen zes weken na de hieronder vermelde datum van toezending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het
gerechtshof Arnhem - Leeuwarden, maar alleen als:
a. de u opgelegde administratieve boete meer dan € 110,00 bedraagt, of
b. uw beroep niet-ontvankelijk is verklaard omdat u geen (of niet op tijd) zekerheid heeft gesteld.
Het (hoger) beroepschrift moet worden ingediend bij de rechtbank Noord-Nederland, Afdeling Bestuursrecht, locatie Groningen (Postbus 150, 9700 AD Groningen). U dient daarbij het zaaknummer te vermelden.
De wet gaat uit van een geheel schriftelijke procedure, tenzij door u bij het (hoger) beroepschrift uitdrukkelijk om een zitting is gevraagd.

Voetnoten

1.Hof Arnhem-Leeuwarden, 26 augustus 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:6346