ECLI:NL:RBNNE:2026:541

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
24 februari 2026
Publicatiedatum
26 februari 2026
Zaaknummer
11851327 \ CV EXPL 25-5089
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 21 RvArt. 3:84 BWArt. 157 RvArt. 150 RvArt. 3:303 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vorderingen inzake schijnhandeling en onrechtmatige executie auto

De zaak betreft een geschil tussen een voormalig advocaat en de gezamenlijke erfgenamen van een overledene over de eigendom en executie van een Renault Captur. De voormalig advocaat stelde eigenaar te zijn van de auto, die door een ex-partner van de erflater in bruikleen werd gebruikt. Na executoriaal beslag en verkoop van de auto stelde hij dat de verkoop onrechtmatig was en vorderde schadevergoeding en proceskosten.

De rechtbank oordeelde dat de koopovereenkomst tussen de voormalig advocaat en de ex-partner een schijnhandeling was, waarbij het economische risico bij de ex-partner bleef. De advocaat slaagde er niet in zijn eigendom te bewijzen en kon geen juridische grondslag geven voor vergoeding van een vervangende auto. Ook de vordering tot vergoeding van proceskosten uit het kort geding werd afgewezen, omdat de onrechtmatigheid jegens hem niet was vastgesteld.

In reconventie vorderde de erfgename een verklaring voor recht dat de verkoop een schijnhandeling was en opheffing van conservatoir beslag. De verklaring voor recht werd afgewezen wegens gebrek aan belang, maar de opheffing van het beslag werd toegewezen vanwege onvolledige informatie door de advocaat bij het beslagverzoek.

De advocaat werd veroordeeld in de proceskosten van beide procedures en tot medewerking aan de opheffing van het beslag, met dwangsom bij niet-naleving. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen van de voormalig advocaat af en veroordeelt hem in proceskosten en medewerking tot opheffing van conservatoir beslag.

Uitspraak

RECHTBANKNOORD-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Groningen
Zaaknummer: 11851327 \ CV EXPL 25-5089
Vonnis van 24 februari 2026
in de zaak van
[eiser],
te [woonplaats] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. M.J. Blokzijl,
tegen
[gedaagde] , in haar hoedanigheid van DE GEZAMENLIJKE ERFGENAMEN VAN WIJLEN [erflater],
te [woonplaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. A.A.M. Kroon-Jongbloed.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 18 november 2025
- de conclusie van antwoord in reconventie
- de mondelinge behandeling van 26 januari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. Bij gelegenheid van deze mondelinge behandeling hebben beide advocaten pleitaantekeningen voorgedragen en overgelegd.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[eiser] is voormalig advocaat. Nadat hij deze werkzaamheden heeft beëindigd is hij werkzaam gebleven in de juridische adviespraktijk. Ook is hij doende gebleven met het voeren van civiele procedures waarin rechtsbijstand door een advocaat niet verplicht is.
2.2.
[gedaagde] , verder te noemen [gedaagde] , is de enig erfgename van [erflater] , overleden op 28 juni 2024 (verder: erflater).
2.3.
Erflater is gehuwd geweest met [ex-partner erflater] (verder: [ex-partner erflater] ). Voorafgaand aan het overlijden van erflater is door hem (erflater) een verzoek tot echtscheiding ingediend. In dat kader zijn diverse procedures gevoerd omtrent de [ex-partner erflater] toekomende partneralimentatie en de pensioenverevening. Na verwijzing door de Hoge Raad is daarover nog een procedure aanhangig bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.
2.4.
Bij vonnis in kort geding van 9 mei 2023 (C/18/220922/KG ZA 23-34) heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Nederland [ex-partner erflater] veroordeeld tot het - via haar Spaanse advocaat - indienen van een verzoek aan het Spaanse gerecht te Almeria (Spanje) tot beëindiging van de aldaar aanhangige procedure en doorhaling van het beslag dat namens haar is gelegd op een appartement te [plaats] (Spanje) dan wel tot het verrichten van alle mogelijke (rechts)handelingen die daarvoor zijn vereist. Voor zover [ex-partner erflater] daaraan niet zou voldoen is zij, voor iedere dag dat zij dit nalaat, veroordeeld tot betaling aan [gedaagde] van een dwangsom van € 1.000,00 tot een maximum van € 20.000,00. Dit vonnis is op 12 mei 2023 aan [ex-partner erflater] betekend.
2.5.
Nadat [ex-partner erflater] op 17 mei 2023 het hiervoor aangeduide verzoek tot het Spaanse gerecht te Almeria heeft gericht, heeft zij zich op 25 mei 2023 opnieuw tot het gerecht te Almeria gericht middels haar Spaanse advocaat. Deze advocaat bericht het gerecht te Almeria dat [ex-partner erflater] - geadviseerd door haar advocaten in Nederland - heeft besloten om hoger beroep tegen het vonnis van 9 mei 2023 in te stellen en daarom deze rechtbank verzoekt haar verzoek van 17 mei 2023 als niet ingediend te beschouwen.
2.6.
Na diverse aanzeggingen - door erflater - van verbeurte van dwangsommen heeft de deurwaarder in opdracht van erflater op 5 juli 2023 ter zake van door [ex-partner erflater] verbeurde dwangsommen executoriaal beslag op een auto, zijnde een Renault Captur met kenteken [kenteken] (verder de Renault), gelegd. [ex-partner erflater] stond als eigenaar van deze Renault vermeld in het kentekenregister van de RDW.
2.7.
Bij brief van 12 juli 2023 heeft [eiser] - voor zover relevant - het volgende aan de heer [medewerker] , werkzaam bij [naam deurwaarderskantoor] geschreven:
‘Mw. [ex-partner erflater] berichtte mij dat uw ambtscollega [ambtscollega] executoriaal beslag op de mij in eigendom toebehorende auto, merk Renault Captur met kenteken [kenteken] heeft gelegd.
(…)
Het kenteken van een voertuig dient op naam te staan van de regelmatige gebruiker en zegt niets over de eigendom van het voertuig.
De auto is door mij aan mw. [ex-partner erflater] in bruikleen gegeven voor onbepaalde tijd en om die reden staat het kenteken op haar naam.
U dient het beslag op te heffen binnen 24 uur na heden (…).’
2.8.
Bij exploot van 20 september 2023 heeft de deurwaarder [ex-partner erflater] aangezegd te willen overgaan tot executoriale verkoop van de Renault.
2.9.
Bij exploot van 25 september 2023 heeft de advocaat van [eiser] erflater in kort geding gedagvaard voor de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Nederland. Inzet van dit kort geding vormde de stelling van [eiser] dat de executoriale verkoop van de Renault (jegens hem) onrechtmatig was omdat hij als eigenaar van de Renault moest worden aangemerkt. Als producties zijn daartoe in het geding gebracht een kwitantie, ondertekend door [ex-partner erflater] , inhoudende dat zij van [eiser] op 26 mei 2023 een bedrag van € 3.000,00 heeft ontvangen voor ‘levering auto Renault Captur [kenteken] ’ en een verklaring van [ex-partner erflater] , waarin - voor zover van belang - het volgende valt te lezen:

Verklaring aan ieder die dit aangaat
De personenauto, merk Renault Captur met kenteken [kenteken] , verder de auto, is door [ex-partner erflater] , wonende te [adres] , verder te noemen verkoopster, verkocht (in eigendom overgedragen) aan [eiser] , verder te noemen koper, tegen betaling van € 3.000,00 (zegge drieduizend euro), waarvan hierbij kwijting,
Onder de navolgende voorwaarden en verplichtingen:
 Koper geeft de personenauto met kenteken [kenteken] in bruikleen aan verkoopster;
 Het kenteken van de auto dient op naam van bruikleenster te staan bij de RDW;
 Bruikleenster dient de auto te verzekeren en verzekerd te houden voor W.A.- en casco schade (z.g. all risk);
 Bruikleenster dient de wegenbelasting voor de auto tijdig te voldoen;
(…)
 Bruikleenster dient de auto als een goed huisvader in optimale staat te houden.
Aldus overeengekomen te Haren (Gn.) op 26 mei 2023,
(…)’
2.10.
Bij vonnis in kort geding van 3 oktober 2023 (kenmerk C/18/226541 / KG ZA 23-177) heeft de voorzieningenrechter de vorderingen van [eiser] afgewezen. In eerste instantie betrof dat een zogenaamd kop-staart vonnis. In een later stadium is de motivering van het vonnis gevolgd. Voor zover van belang heeft de voorzieningenrechter de afwijzing daarin als volgt gemotiveerd:
‘4.5. Uit de zojuist aangehaalde overeenkomst [kantonrechter: de verklaring van [ex-partner erflater] van 26 mei 2023] is naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter gevoeglijk af te leiden dat het economische risico aangaande de auto bij [ex-partner erflater] is gebleven (…)
Daarnaast is niet onderbouwd met objectieve en verifieerbare stukken en derhalve niet aannemelijk gemaakt dat [eiser] daadwerkelijk een bedrag van € 3.000,00 aan [ex-partner erflater] heeft overhandigd. De overgelegde kwitantie is daartoe niet voldoende (…)
Verder is gebleken dat [eiser] als juridisch adviseur [ex-partner erflater] in het verleden alsook recent in diverse procedures heeft bijgestaan (…)
Verder is gebleken dat de beweerdelijke koop van de auto zou hebben plaatsgevonden op 26 mei 2023, zijnde een dag nadat het eerdere beslag op de auto door [gedaagde] is opgeheven. Bovendien heeft [gedaagde] - onderbouwd door bescheiden - voldoende aannemelijk gemaakt dat de waarde van de auto ruim boven de door [eiser] en [ex-partner erflater] afgesproken prijs ligt. (…)
4.6.
Uit de genoemde omstandigheden, in onderling verband bezien, is naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter voldoende aannemelijk dat de in geding zijnde koopovereenkomst als een schijnhandeling is te beschouwen. (…)
4.7.
Gelet op de genoemde omstandigheden is naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter eveneens aannemelijk geworden dat de koopovereenkomst de strekking mist de auto na overdracht in het vermogen van [eiser] als verkrijger te doen vallen, hetgeen uit hoofde van het derde lid van artikel 3:84 BW Pro meebrengt dat de desbetreffende rechtshandeling geen geldige titel van overdracht van de auto is. (…)’
2.11.
De Renault is in het kader van een openbare veiling uiteindelijk op 28 december 2023 executoriaal verkocht aan een Poolse koper, voor een bedrag van € 5.500,00 (productie 33 CvA).
2.12.
Op 21 mei 2024 heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden arrest gewezen in het door [ex-partner erflater] tegen het kort geding-vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Nederland van 9 mei 2023 ingestelde hoger beroep (arrest van 21 mei 2024 met zaaknummer 200.328.135/01). Het Hof heeft beslist dat dit vonnis in zijn geheel moet worden vernietigd. Voor wat betreft de veroordeling van [ex-partner erflater] tot het - onder versterking van een dwangsom - richten van een beëindigings- en doorhalingsverzoek aan het gerecht van Almeria zoals hiervoor aangeduid, oordeelde het Hof in rov. 4.7. van dit arrest dat deze vordering alsnog moet worden afgewezen en dat met die beslissing de titel voor het verbeuren van dwangsommen is vervallen en dat deze, indien betaald, door [ex-partner erflater] onverschuldigd zijn voldaan.
2.13.
Op grond van het arrest van 21 mei 2024 heeft erflater de veilingopbrengst van de Renault ten bedrage van € 5.500,00 aan [ex-partner erflater] (terug)betaald (door [gedaagde] gesteld en door [eiser] erkend, onder meer in zijn brief van 1 juli 2024, productie 36 CvA, bladzijde 4).
2.14.
Op 23 april 2025 is op verzoek van [eiser] , na verlof van de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Nederland, ten laste van [gedaagde] (‘de gezamenlijke erfgenamen’) conservatoir derdenbeslag gelegd onder de Rabobank voor een bedrag van € 24.500,00.

3.Het geschil

in conventie
3.1.
[eiser] vordert - samengevat - in dit geschil veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 20.265,52, vermeerderd met rente en kosten. Dit bedrag is in hoofdsom samengesteld uit een bedrag van € 13.075,84 dat [eiser] stelt te hebben betaald voor een vervangende auto die hij aan [ex-partner erflater] in bruikleen heeft moeten geven en zijn (integrale) kosten van het kort geding dat heeft geleid tot het vonnis van 3 oktober 2023, vermeerderd met wettelijke rente.
3.2.
[gedaagde] voert verweer. Zij concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de (integrale) kosten van deze procedure.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in reconventie
3.4.
[gedaagde] vordert in reconventie - samengevat - een verklaring voor recht dat de verkoop van de Renault als schijnhandeling is aan te merken en veroordeling van [eiser] tot het (doen) opheffen van het op zijn verzoek ten laste van [gedaagde] gelegde conservatoire beslag onder de Rabobank, met veroordeling van [eiser] in de werkelijke kosten van de procedure.
3.5.
[eiser] voert verweer. [eiser] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [gedaagde] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [gedaagde] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [gedaagde] in de kosten van deze procedure.
3.6.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Ter zitting heeft [eiser] aangevoerd dat [gedaagde] in haar reconventionele vorderingen niet kan worden ontvangen omdat zij een vordering heeft ingesteld aangaande een rechtsverhouding waarbij één van de betrokken partijen niet in het geding is opgeroepen.
4.2.
Het is de kantonrechter niet duidelijk geworden op welke rechtsverhouding [eiser] heeft willen doelen. Hij zal deze stelling van [eiser] passeren. In deze procedure staat vast dat [gedaagde] de enig erfgename van erflater is en in de rechtsverhouding van [eiser] tot de erfgenamen is [ex-partner erflater] geen partij. Desgevraagd heeft [eiser] naar voren gebracht dat de rechtsverhouding waarop hij doelt een ‘onzekere’ is. Dat maakt echter niet dat sprake is van enige ondeelbare rechtsverhouding waaraan de kantonrechter het rechtsgevolg zou moeten verbinden dat een nog derde partij in deze procedure (ex artikel 118 Rv Pro) zou moeten worden opgeroepen. Tot niet-ontvankelijkheid van [gedaagde] in haar vorderingen leidt het vooralsnog hoe dan ook niet.
in conventie
Vordering 1: vergoeding van de koopprijs van een door [eiser] gekochte vervangende auto
4.3.
Ter beoordeling ligt als eerste de vraag voor of [eiser] aanspraak kan maken op betaling door [gedaagde] van een bedrag van € 13.075,84 ter zake van een auto die hij stelt na de verkoop van de Renault voor [ex-partner erflater] te hebben aangeschaft en door hem vervolgens onder dezelfde voorwaarden als bij de Renault aan haar in bruikleen is gegeven.
4.4.
De kantonrechter heeft [eiser] ter zitting onder meer de vraag voorgelegd of de overeenkomst waarop hij zich ter zake van de Renault beroept (de overeenkomst van 26 mei 2023) alle tussen hem en [ex-partner erflater] gemaakte afspraken bevat. Dit is daarop door [eiser] bevestigend beantwoord. Dat geldt evenzeer voor de daarop volgende aan [eiser] gestelde vraag of hij - vooreerst uitgaande van het bestaan van deze overeenkomst - heeft voldaan aan alle op hem uit hoofde van de bruikleenovereenkomst ter zake van de Renault rustende verplichtingen. [eiser] heeft bevestigd dat dit het geval is geweest en dat hij deze overeenkomst is nagekomen door de Renault na aankoop aan [ex-partner erflater] ter beschikking te stellen. Desgevraagd naar het hoe en waarom heeft hij verder verklaard dat hij zelf een wat oudere auto had en graag deze auto van [ex-partner erflater] wilde kopen voor de situatie dat zijn eigen auto het zou begeven. Hij heeft geen antwoord kunnen geven op de vraag waarom in de overeenkomst - die volgens [eiser] immers volledig was - niets is opgenomen omtrent de voorwaarden waaronder [eiser] teruggave van de Renault zou mogen bewerkstelligen.
4.5.
De kantonrechter heeft [eiser] hierna de vraag voorgelegd of degene die een fiets uitleent aan zijn buurman en vervolgens wordt geconfronteerd met het feit dat die fiets onder de buurman is gestolen, gehouden is om aan de buurman een andere fiets uit te lenen. [eiser] heeft daarop naar voren gebracht dat dit hem niet juist voorkomt en dat het eerder aan de inlener zou zijn om de waarde van de fiets aan de uitlener te vergoeden.
4.6.
De kantonrechter heeft vervolgens aan [eiser] gevraagd waarom hij dan in het voorliggende geval juist wèl - en om niet - een andere auto aan [ex-partner erflater] ter beschikking heeft moeten stellen en de daarmee gepaard gaande vraag op welke grondslag hij meent de koopprijs hiervan als schade van [gedaagde] te kunnen vorderen. Hoe en waarom kon [ex-partner erflater] [eiser] aanspreken voor het feit dat
zijnauto (zo al juist) voor
haarschulden - en dan ook nog onrechtmatig (in de zienswijze van [eiser] ) - executoriaal werd geveild? [eiser] heeft hierop geen inzichtelijk antwoord kunnen geven. Zijn reactie ‘dat de auto immers van hem was’ is zinledig, omdat daaruit op zichzelf op geen enkele wijze deze nadere verbintenis voortvloeit. Onderwerp van de overeenkomst was slechts
dezeRenault (die [eiser] ‘graag wilde hebben’) en niet een soortzaak (‘een auto’). Gesteld noch gebleken is dat en hoe [eiser] zich op enigerlei wijze heeft verplicht tot het ter beschikking stellen van een vervangende auto, bijvoorbeeld doordat hij als leasemaatschappij is opgetreden. Zijn advocaat heeft desgevraagd wel nog laten weten dat deze verplichting voortvloeit uit de overeenkomst. Zonder nadere toelichting - die niet is gegeven - valt echter niet in te zien waarom dat het geval zou zijn.
4.7.
De conclusie van de kantonrechter is al met al dat [eiser] geen enkele inzichtelijke, laat staan een toereikende, juridische grondslag heeft aangevoerd voor dit onderdeel van het gevorderde. Hij heeft niet duidelijk kunnen maken waarom hij voor [ex-partner erflater] een vervangende auto heeft moeten kopen en ook niet waarom de koopprijs daarvan als schade aan [gedaagde] moet worden toegerekend en in causaal verband staat met een jegens hem gepleegde onrechtmatige daad. De kantonrechter laat dan nog buiten beschouwing dat [ex-partner erflater] van [gedaagde] na het arrest van het Hof als vergoeding voor de door haar door de executoriale verkoop van de Renault geleden schade een bedrag van € 5.500,00 heeft ontvangen. Niet inzichtelijk is verder waarom [eiser] - zoals hij desgevraagd heeft verklaard - dit bedrag bij de door hem gestelde rechtsverhouding dan niet op zijn beurt van [ex-partner erflater] heeft gevorderd. Ook de vraag wat de waarde is geweest van de economische eigendom van de Renault behoeft geen beantwoording. [eiser] vordert immers geen vergoeding voor de Renault maar vergoeding van de aankoopprijs van een andere auto. Omdat voor de vordering van [eiser] geen voldoende (juridische) grondslag is aangedragen, strandt zijn vordering reeds daarop en behoeven de door [gedaagde] zelf gevoerde verweren geen bespreking.
Vordering 2: vergoeding van de kosten voor het door [eiser] gevoerde kort geding
4.8.
Voor wat betreft zijn tweede vordering - de vergoeding van de kosten van het door [eiser] geëntameerde kort geding leidend tot het vonnis van 3 oktober 2023 - is het al niet veel anders. De (meer impliciete) redenering van [eiser] dat de onrechtmatigheid van de verkoop van de Renault door het arrest van het Hof van 21 mei 2024 is komen vast te staan en dat ‘dus’ zijn proceskosten in het eerdere kort geding daarmee voor vergoeding in aanmerking komen, kan niet worden gevolgd. De kantonrechter heeft [eiser] voorgehouden dat de vernietiging van de titel voor de executie van dwangsommen in beginsel in eerste instantie meebrengt dat de executie onrechtmatig is geweest jegens [ex-partner erflater] als dwangsomdebiteur en dat hij ( [eiser] ) daaraan op zichzelf geen rechten kan ontlenen. De grondslag van zijn vordering op dit punt kan geen andere zijn dan dat hij de eigenaar van de auto was en dat de executie
daaromjegens hem onrechtmatig is geweest. Wanneer hij geen eigenaar was kan er ook niet onrechtmatig jegens hem zijn gehandeld. In zoverre volstaat het arrest van 21 mei 2024 voor hem niet als grondslag voor de hier aan de orde zijnde vordering en is onjuist zijn in de pleitnotitie betrokken stelling dat dit het geval zou zijn omdat ‘alle handelingen die [erflater] [erflater] op basis van het vernietigde vonnis heeft verricht onrechtmatig zijn’.
4.9.
In reactie hierop heeft [eiser] de kantonrechter vervolgens proberen uit te leggen dat deze onrechtmatige daad van [gedaagde] jegens hem
vaststaat, nu zowel hij als [ex-partner erflater] de koopovereenkomst (Renault) hebben erkend en schriftelijk hebben vastgelegd. In die uitleg is [eiser] niet geslaagd: op de vraag wie in een civiele procedure de feiten en rechtsverhoudingen vast stelt, heeft [eiser] uiteindelijk moeten en ook willen erkennen dat dit de taak van de rechter is en niet die van de eisende partij.
4.10.
Vervolgens heeft [eiser] - zonder enige verankering in het recht - betoogd dat het op grond van de regels van bewijsrecht aan [gedaagde] zou zijn om te bewijzen dat de auto
nietzijn ( [eiser] ’s) eigendom was. [eiser] heeft daarbij - hoewel hij daarop wellicht het oog heeft gehad en zulks nog het meest voor de hand lag - niet zelf de weg ingeslagen naar het bepaalde in artikel 157 Rv Pro en geen expliciet beroep gedaan op de daarin geregelde bewijskracht van onderhandse akten. Dit had hem ook niet gebaat, nu de dwingende bewijskracht van onderhandse akten zich immers nu juist niet uitstrekt tot derden, maar slechts tot partijen zelf en dus - in dit geval - [eiser] en [ex-partner erflater] . Ware dit anders dan zou het twee derden wel erg gemakkelijk worden gemaakt om bindende bewijskracht jegens een ander te bewerkstelligen. De wetgever heeft daartoe dan ook niet willen besluiten. Uit deze bepaling en de hoofdregels van het bewijsrecht valt tegelijkertijd wel meteen af te leiden dat de kwitantie en de verklaring van [ex-partner erflater] hooguit in de relatie tussen [eiser] en [ex-partner erflater] dwingende bewijskracht hebben (hetgeen overigens ook iets anders is dan ‘vaststaan’, nu altijd tegenbewijs vrij staat), en jegens derden slechts vrije bewijskracht toekomen.
4.11.
De kantonrechter heeft [eiser] vervolgens voorgehouden dat hij in het kort geding stelde dat jegens hem onrechtmatig was gehandeld omdat hij eigenaar van de Renault was en dat de hoofdregel van bewijslastverdeling (artikel 150 Rv Pro) daarom meebrengt dat op hem de bewijslast ter zake rust. Op grond van (wellicht) voortschrijdend inzicht heeft [eiser] daarop gesteld dat [gedaagde] zijn stelling dat hij eigenaar van de Renault is geworden slechts bloot heeft betwist en dat dit niet voldoende is. Ook dit is echter niet juist. Daargelaten dat ook een blote betwisting onder omstandigheden kan volstaan (afhankelijk van de informatie die een partij ter beschikking heeft) heeft [gedaagde] , onder meer onder verwijzing naar de overwegingen van de voorzieningenrechter in het kort geding-vonnis van 3 oktober 2023, haar betwisting gemotiveerd met de stelling dat sprake is geweest van een schijnhandeling en ook (in reconventie) gevorderd dat de kantonrechter deze overweging tot de zijne maakt. In de pleitnota van [gedaagde] bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in deze zaak (op 26 januari 2026), heeft [gedaagde] onder meer gewezen op het tijdstip waarop de beweerdelijke koopovereenkomst ter zake van de Renault is gesloten (direct na de tweede brief van de Spaanse advocaat aan de rechtbank te Almeria, waarmee duidelijk werd dat [ex-partner erflater] niet voldeed aan de in het eerste kort geding uitgesproken veroordeling en dus in beginsel dwangsommen zou gaan verbeuren), op het feit dat de Renault op naam van [ex-partner erflater] is blijven staan, op de (naar zij stelt) te lage koopprijs en op het feit dat [eiser] [ex-partner erflater] als juridisch adviseur ruim 15 jaar heeft bijgestaan in de echtscheidingsprocedure. Ook heeft zij een beroep gedaan op het feit dat de voorzieningenrechter heeft overwogen dat de overeenkomst de strekking miste om de auto na overdracht in het vermogen van [eiser] te doen vallen, in de zin van artikel 3:84 lid 3 BW Pro. De kantonrechter begrijpt een en ander aldus dat de stellingen die [gedaagde] in de eerdere kort gedingprocedure heeft betrokken in deze procedure - eveneens in conventie - als herhaald moeten worden beschouwd. Onjuist is haar (eventuele) stelling dat de overwegingen van de voorzieningenrechter op dit punt zouden volstaan omdat daaraan indirect (?) toch enig gezag van gewijsde zou toekomen.
4.12.
De kantonrechter is van oordeel dat [eiser] , in het licht van de vrije bewijskracht die toekomt aan de door hem ingeroepen kwitantie en de verklaring (‘Aan ieder die dit aangaat’) van [ex-partner erflater] van 26 mei 2023 en de (voldoende) gemotiveerde betwisting van zijn eigendom van de Renault door [gedaagde] , vooralsnog niet geslaagd is in het leveren van bewijs van zijn eigendom. [eiser] heeft weliswaar in de stukken en op de zitting het nader bewijs van zijn stelling aangeboden, maar de kantonrechter zal hem daartoe niet toelaten. Daartoe is het navolgende redengevend.
4.13.
De onderhavige zaak kenmerkt zich door het feit dat weliswaar kan worden aangenomen dat executie van de dwangsommen jegens [ex-partner erflater] (achteraf) als onrechtmatig moet worden beschouwd (en dus ook de verkoop van de op haar naam staande Renault), maar eveneens door de omstandigheid dat het niet [ex-partner erflater] maar [eiser] is geweest die daartegen
zelfin
kort gedingis opgekomen met de stelling dat hij als eigenaar van de Renault zou zijn aan te merken. De door hem gevorderde ordemaatregel is door de voorzieningenrechter verworpen met - kort gezegd - de overweging dat onvoldoende aannemelijk is dat in de bodemprocedure zal worden aangenomen dat hij eigenaar van de Renault is. [eiser] is in de kosten van het kort geding veroordeeld en heeft tegen het vonnis geen rechtsmiddel ingesteld.
4.14.
Uitgangspunt is dat een proceskostenveroordeling in beginsel moet worden bestreden door het instellen van een daartegen gericht rechtsmiddel. Het is als zodanig weliswaar juist dat het dreigen met of effectueren van een (achteraf) onrechtmatig gebleken executie de executant verplicht tot vergoeding van de daardoor geleden schade, maar dit brengt niet al meteen mee dat daarmee integrale proceskosten, zoals door [eiser] gevorderd, van de benadeelde voor vergoeding in aanmerking komen. Op dit punt derogeren de regels van de artikelen 237-240 Rv in beginsel zowel aan het bepaalde in artikel 6:96 lid 2 BW Pro, als aan het uitgangspunt dat hij die jegens een ander een onrechtmatige daad pleegt die hem kan worden toegerekend, verplicht is de schade die de ander daardoor lijdt volledig te vergoeden (vgl. Hoge Raad 12 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1600 in een situatie waarin onrechtmatig beslag was gelegd). De kantonrechter ziet geen aanleiding hiervan in het onderhavige geval af te wijken. Dat betekent dat de vordering van [eiser] tot vergoeding van door hem in het kader van het kort geding gemaakte advocaatkosten en zijn ‘tijdverlies’ (zoals gespecificeerd in productie 11 bij de akte van [eiser] van 26 augustus 2025) zal worden afgewezen. Gelet op het rechtskarakter van een kort geding (een ordemaatregel) bestaat er evenmin aanleiding om in deze bodemprocedure de proceskostenveroordeling van [eiser] daarin ‘ongedaan’ te maken door deze kosten alsnog voor rekening van [gedaagde] te brengen, zulks overigens met de aantekening dat ook in deze bodemprocedure niet is komen vast te staan dat [eiser] eigenaar van de Renault is geweest en dat de verkoop ervan daarom jegens hem onrechtmatig is geweest. Een bodemprocedure is immers geen (verkapt) rechtsmiddel tegen een kort geding-vonnis. De bewijsrechtelijke beschouwingen van [eiser] komen, los van de onjuistheid ervan, daarom hoe dan ook geen betekenis toe. Gelet op het voorgaande zal ook deze vordering van [eiser] worden afgewezen.
in reconventie
Vordering 1: de verklaring voor recht
4.15.
De door [gedaagde] in reconventie gevorderde verklaring voor recht dat de verkoop van de Renault een schijnhandeling is geweest, zal gelet op de beslissingen in conventie worden afgewezen. [gedaagde] heeft niet gesteld welk belang zij - ingeval van afwijzing van de door [eiser] in conventie ingestelde vorderingen - bij deze verklaring voor recht heeft. De rechter dient dit zo nodig ambtshalve te onderzoeken en te beoordelen (artikel 3:303 BW Pro).
Vordering 2: de gevorderde medewerking aan de opheffing van het conservatoire beslag
4.16.
De vordering van [gedaagde] tot veroordeling van [eiser] tot medewerking aan de opheffing van het door [eiser] gelegde conservatoire derdenbeslag onder de Rabobank zal worden toegewezen, alsook de door haar gevorderde dwangsom. Dit volgt niet alleen uit de afwijzing van de vorderingen van [eiser] , maar tevens uit de omstandigheid dat [eiser] bij zijn verzoek tot het verlof daartoe de voorzieningenrechter niet volledig heeft voorgelicht. Ook in een verzoek tot het leggen van conservatoir (derden)beslag dient de verzoeker op grond van het bepaalde in artikel 21 Rv Pro alle van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. De stelling van [gedaagde] dat [eiser] hieraan niet heeft voldaan acht de kantonrechter juist. [eiser] heeft in het kader van zijn verzoek slechts het kop-staart vonnis (kort geding) van 3 oktober 2023 overgelegd en niet tevens de nadere motivering van dit vonnis waarin naar voren komt dat de voorzieningenrechter voorlopig van oordeel was dat de door [eiser] gestelde rechtsverhouding als schijnhandeling moest worden aangemerkt. De verlofrechter heeft zich ten gevolge hiervan geen juist en volledig beeld kunnen vormen van gegrondheid van de aanspraken van [eiser] . Onjuist is daarbij zijn bij antwoord in reconventie en in de pleitnotitie betrokken stelling dat aan - nu het een kop-staart vonnis betreft - de latere motivering geen betekenis zou toekomen omdat de beslissing al was genomen voordat de motivering werd geschreven en dus sprake zou zijn van ‘backward reasoning’. Deze redenering miskent dat de rechter ook in het geval van een kop-staart vonnis een beoordelingsproces moet en zal doorlopen waarin hij zich rekenschap dient te geven van het over en weer gevorderde en gestelde en de betekenis daarvan voor de door hem te nemen beslissing. Dat de motivering nog niet op schrift staat, betekent aldus niet dat deze motivering vooralsnog niet zou bestaan en geen onderdeel van het vonnis is gaan uitmaken.
Ten aanzien van de proceskosten (in conventie en in reconventie)
4.17.
[eiser] is zowel in conventie als in reconventie (grotendeels) in het ongelijk gesteld en moet daarom in beide procedures de proceskosten betalen. [gedaagde] heeft primair gevorderd dat [eiser] , behalve in de nakosten, de kosten van conservatoire beslaglegging, de explootkosten en het griffierecht, in de werkelijke kosten zal worden veroordeeld en deze kosten in de pleitnota begroot op een bedrag van in totaal € 3.736,62, waarbij geen onderscheid is gemaakt tussen de kosten in conventie en die in reconventie. De kantonrechter begrijpt dat het hierbij gaat om de advocaatkosten van [gedaagde] . Deze kosten zijn door [eiser] als zodanig niet betwist.
4.18.
Voor veroordeling van [eiser] in de kosten van conservatoire beslaglegging, de explootkosten en het griffierecht ziet de kantonrechter geen enkele grondslag. Doordat de vorderingen van [eiser] worden afgewezen kwamen en blijven deze kosten voor zijn eigen rekening. Wel komen de nakosten van € 144,00 voor toewijzing in aanmerking. De primaire vordering van [gedaagde] ter zake van de (integrale) advocaatkosten zal worden toegewezen met dien verstande dat de kantonrechter 2/3e deel van deze kosten zal toerekenen aan het geding in conventie en 1/3e deel daarvan aan het geding in reconventie. Daargelaten dat [eiser] geen deugdelijke grondslag voor zijn vorderingen heeft kunnen bijbrengen, kan de rechter aan schending van het bepaalde in artikel 21 Rv Pro de gevolgen verbinden die hij geraden acht. De kantonrechter neemt daarbij in overweging dat [eiser] ook in de bodemprocedure (en dus niet alleen in het kader van het verzoek tot het leggen van conservatoir beslag) geen melding heeft gemaakt van de motivering van het kort geding-vonnis van 3 oktober 2023 en zelfs ook daarin niet het volledige vonnis heeft overgelegd.

5.De beslissing

De kantonrechter
in conventie
5.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
5.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten aan de zijde van [gedaagde] begroot op een bedrag van € 2.491,08, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
in reconventie
5.3.
veroordeelt [eiser] , op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,00 voor iedere dag dat hij niet aan deze veroordeling voldoet, tot een maximum van € 50.000,00 is bereikt, tot het verlenen van medewerking aan het opheffen van het conservatoire derdenbeslag onder de Rabobank op de gelden op rekeningnummer [bankrekeningnummer] , in die zin dat hij Flanderijn Gerechtsdeurwaarders binnen twee dagen na betekening van dit vonnis meedeelt dat hij akkoord gaat met de opheffing van dit beslag,
5.4.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 1.245,54, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
5.5.
wijst af het meer of anders gevorderde,
in conventie en in reconventie
5.6.
veroordeelt [eiser] in de nakosten van € 144,00 en in de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de hiervoor uitgesproken veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.7.
verklaart dit vonnis wat betreft de hierin uitgesproken veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,
5.8.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Kremer en in het openbaar uitgesproken op 24 februari 2026.
62553