ECLI:NL:RBNNE:2026:572

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
13 februari 2026
Publicatiedatum
27 februari 2026
Zaaknummer
18.284371.25
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 41 SrArt. 57 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor winkeldiefstallen met geweld, mishandeling en schuldheling

De rechtbank Noord-Nederland heeft verdachte op 13 februari 2026 veroordeeld voor meerdere strafbare feiten, waaronder twee winkeldiefstallen gevolgd door geweld en bedreiging, mishandeling van zijn vriendin, openlijk geweld in vereniging tegen een man, diefstal van een telefoon en schuldheling van een gestolen fiets.

Het openbaar ministerie was ontvankelijk in de vervolging, ondanks het intrekken van aangifte door een slachtoffer. De rechtbank verwierp het beroep op noodweer. Diverse tenlasteleggingen werden bewezen verklaard, terwijl andere werden vrijgesproken wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs.

De straf bestaat uit een gevangenisstraf van twaalf maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar. Aan het voorwaardelijke deel zijn bijzondere voorwaarden verbonden, waaronder een meldplicht bij de reclassering en een ambulante behandeling. De rechtbank hield rekening met het justitiële verleden van verdachte en zijn problematiek, en achtte een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming passend.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot twaalf maanden gevangenisstraf, waarvan vier maanden voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht
Locatie Leeuwarden
parketnummer 18.284371.25
ter terechtzitting gevoegd parketnummer 18.281236.25
vordering na voorwaardelijke veroordeling parketnummer 18.016767.23
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 13 februari 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1980 te [geboorteplaats] ,
ingeschreven op het adres [adres] , thans gedetineerd te [instelling] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 30 januari 2026.
Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. J. van Rooijen, advocaat te Tilburg. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. D.P. Menting.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
in de zaak met parketnummer 18.284371.25:
1.
hij op of omstreeks 17 september 2025 te Leeuwarden vlees en/of snoep en/of broodbeleg, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [winkel 1] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen medewerkers van die [winkel 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door
  • een medewerker van de [winkel 1] bij de keel te pakken en/of
  • een medewerker van de [winkel 1] weg te duwen en/of
  • tegen een medewerker van de [winkel 1] te zeggen dat hij deze in elkaar zou slaan;
2.
hij op of omstreeks 17 september 2025 te Leeuwarden vlees, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan de [winkel 2] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen medewerkers van de [winkel 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door
  • tegen medewerker(s) van de [winkel 2] te zeggen dat hij ze gaat neersteken en/of
  • een medewerker te duwen;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 17 september 2025 te Leeuwarden ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om vlees, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [winkel 2] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, vlees in een tas heeft gestopt,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
welke poging tot diefstal werd vergezeld of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen medewerkers van de [winkel 2] gepleegd met het oogmerk om die voorgenomen diefstal gemakkelijk te maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door
- tegen medewerker(s) van de [winkel 2] te zeggen dat hij ze gaat neersteken en/of - een medewerker te
duwen;
3.
hij op of omstreeks 20 oktober 2025 te Leeuwarden, in een woning en/of op een besloten erf waarop een woning stond, te weten [adres] , alwaar hij zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, een sleutel, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl hij, verdachte, zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat/die weg te nemen sleutel onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;
4.
hij op of omstreeks 25 oktober 2025 te [plaats] [slachtoffer 2] heeft mishandeld, door [slachtoffer 2] bij de keel te pakken en deze dicht te knijpen en/of op haar te zitten en/of in het gezicht te slaan;
5.
hij op of omstreeks 25 oktober 2025 te [plaats] een fiets en een telefoon, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 25 oktober 2025 te [plaats] en/of Leeuwarden, een fiets, althans een goed heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;
6.
hij op of omstreeks 13 augustus 2025 te Leeuwarden tien laptops, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan Ovo Friesland Noord en/of de gemeente Leeuwarden, in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die weg te nemen laptops onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of inklimming;
en in de zaak met parketnummer 18.281236.25:
hij, op of omstreeks 15 juli 2025 te Leeuwarden, openlijk, te weten, op/aan het [adres] , in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer 3] door hem
  • meermalen tegen het hoofd en/of het lichaam te slaan/stompen, en/of
  • meermalen tegen het hoofd en/of het lichaam te schoppen, en/of
  • met een bierflesje, althans een voorwerp, tegen het hoofd en/of het lichaam te slaan.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Door de raadsman is betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 18.284371.25 onder 4. ten laste gelegde, omdat aangeefster [slachtoffer 2] op 19 januari 2026 een e-mail naar de officier van justitie heeft gezonden
waaruit blijkt dat zij haar aangifte intrekt en niet wil dat verdachte voor deze verdenking straf krijgt.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in de vervolging van verdachte voor de mishandeling van aangeefster, omdat een aangifte niet kan worden ingetrokken en het aan het openbaar ministerie is om te bepalen of strafvervolging wordt ingesteld.
Vooropgesteld moet worden dat in artikel 167, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering aan het openbaar ministerie de bevoegdheid is toegekend zelfstandig te beslissen of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek vervolging moet plaatsvinden. De beslissing van het openbaar ministerie om tot vervolging over te gaan leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde. Zo'n uitzonderlijk geval doet zich voor wanneer de vervolging wordt ingesteld of voortgezet nadat door het openbaar ministerie gedane, of aan het openbaar ministerie toe te rekenen, uitlatingen (of daarmee gelijk te stellen gedragingen) bij de verdachte het gerechtvaardigde vertrouwen hebben gewekt dat hij niet (verder) zal worden vervolgd.
Naar het oordeel van de rechtbank is daarvan in dit geval geenszins sprake. De enkele omstandigheid dat door aangeefster een e-mail is verzonden waarin zij aangeeft geen strafvervolging van verdachte wensen is geen reden voor niet-ontvankelijkheid voor het openbaar ministerie. Het openbaar ministerie is dan ook ontvankelijk in de vervolging van het in de zaak met parketnummer 18.284371.25 onder 4. ten laste gelegde.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het in de zaak met parketnummer 18.284371.25 onder 1., 2. primair, 3., 4., 5. primair (voor de telefoon), 5. subsidiair (voor de fiets) en 6. en het in de zaak met parketnummer 18.281236.25 ten laste gelegde.
Hij heeft daartoe onder meer het volgende aangevoerd.
Ten aanzien van het onder 3. ten laste gelegde (18.284371.25) heeft hij aangevoerd dat het zonder redelijke twijfel vaststaat dat verdachte de deur heeft vernield en de sleutel heeft gestolen. De ontkenning van verdachte van deze feiten past niet bij het andere bewijs. Verdachte is de enige die bij de achterdeur is geweest en is een bloedspoor op de deurklink aangetroffen dat met een hoge mate van waarschijnlijkheid van verdachte afkomstig is.
Met betrekking tot het onder 5. ten laste gelegde (18.284371.25) heeft de officier van justitie aangevoerd dat op basis van de aangifte en de bekennende verklaring van verdachte wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte de telefoon heeft gestolen.
De officier vindt het ongeloofwaardig dat de fiets aan aangeefster [slachtoffer 2] toebehoorde, maar vindt het wel duidelijk dat de fiets niet aan verdachte toebehoorde. Uit de aangifte van [slachtoffer 4] blijkt dat de fiets is gestolen. Verdachte ontkent dat hij deze fiets heeft gestolen, maar dat hij de fiets voor 1.500,--heeft gekocht. Gelet op de financiële positie van verdachte is dat ongeloofwaardig. Ook heeft aangeefster [slachtoffer 2] verklaard dat verdachte de fiets voor 50,- van een man op straat heeft gekocht. Gelet op deze omstandigheden en de opmerking van verdachte tegen de politie dat de fiets gestolen was, kan de heling van de fiets worden bewezen.
Voor het onder 6. ten laste gelegde (18.284371.25) heeft de officier van justitie aangevoerd dat op grond van de aangifte, het proces-verbaal van bevindingen, de beschrijving van de camerabeelden, de herkenning van verdachte op de camerabeelden en de eigen verklaring van verdachte dat hij ter plaatse was, kan worden bewezen dat verdachte dit feit heeft gepleegd. Hieruit blijkt dat verdachte rond het
tijdstip dat het alarm afging bij het schoolgebouw aanwezig was. Het kan niet anders dan dat verdachte de gekwalificeerde diefstal heeft gepleegd.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het volgende in de zaak met parketnummer 18.284371.25:
- ten aanzien van het onder 1. ten laste gelegde van de bedreiging (het derde gedachtestreepje), omdat
verdachte dit ontkent en hiervoor geen steunbewijs aanwezig is in het dossier.
- met betrekking tot het onder 2. ten laste gelegde van de bedreiging met het neersteken (eerste
gedachtestreepje), omdat verdachte dit ontkent;
- van het onder 3. ten laste gelegde, omdat uit de bewijsmiddelen niet blijkt dat verdachte deze diefstal
heeft gepleegd.
- van het onder 4. ten laste gelegde, omdat er geen wettig en overtuigend bewijs is. Het is de verklaring
van verdachte tegen die van aangeefster [slachtoffer 2] . De fotos kunnen beide lezingen ondersteunen en verder is er geen steunbewijs.
- met betrekking tot het onder 5. primair ten laste gelegde ten aanzien van de telefoon en de fiets, omdat
verdachte geen oogmerk op wederrechtelijk toe-eigening van deze goederen heeft gehad.
- ten aanzien van het onder 6. ten laste gelegde, omdat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen
welke feitelijke handelingen verdachte zou hebben gepleegd en of hij op de specifieke plek van de inbraak is geweest.
Oordeel van de rechtbank

vrijspraak

in de zaak met parketnummer 18.284371.25 ten aanzien van het onder 3. ten laste gelegde.
In de zaak met parketnummer 18.284371.25 onder 3. ten laste gelegde wordt verdachte verweten dat hij in een woning heeft ingebroken door de ruit van de achterdeur te vernielen en dat hij vervolgens een sleutel heeft weggenomen die in het slot aan de binnenzijde van de achterdeur zat. Verdachte heeft ter terechtzitting erkend dat hij bij de achterdeur van de woning is geweest en dat hij tegen de deur heeft geschopt en geslagen. Ook acht hij het aannemelijk dat het zijn bloed is dat op de deurklink van de achterdeur is aangetroffen, omdat hij in de tuin is gekomen door over een schutting te klimmen. Hij kan toen een verwonding hebben opgelopen. Hij ontkent dat hij de ruit van de achterdeur kapot heeft gemaakt en vervolgens de sleutel heeft weggenomen. De rechtbank overweegt dat het tegendeel niet uit de stukken blijkt en dat het verweer van verdachte ook niet dermate onwaarschijnlijk is dat het reeds om die reden terzijde geschoven kan worden. Daarom vindt de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de wegnemingshandeling heeft gepleegd en zich de sleutel heeft toegeëigend. De rechtbank zal verdachte daarom van het onder 3. ten laste gelegde vrijspreken.
in de zaak met parketnummer 18.284371.25 onder 5. primair ten laste gelegde
Verdachte wordt in de zaak met parketnummer 18.284371.25 onder 5. primair onder meer verweten dat hij een fiets heeft gestolen. Verdachte is op de fiets aangetroffen en aangeefster [slachtoffer 2] heeft
aangifte gedaan van diefstal van de fiets. Zij heeft verklaard dat verdachte de fiets heeft meegenomen, maar dat hij ook zei dat hij even weg moest op haar fiets en zo weer terug zou komen. Dit komt overeen met de verklaring van verdachte en hij ontkent dat hij de fiets wilde stelen. De rechtbank is van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte het oogmerk heeft gehad zich de fiets wederrechtelijk toe te eigenen. De rechtbank zal verdachte daarom ten aanzien van de diefstal van de fiets vrijspreken.
in de zaak met parketnummer 18.284371.25 onder 6. ten laste gelegde
In de zaak met parketnummer 18.284371.25 onder 6. ten laste gelegde wordt verdachte verweten dat hij uit een school een tiental laptops heeft gestolen. Hij zou zich de toegang tot de school hebben verschaft door een steen door een ruit te gooien en vervolgens door de ruit naar binnen te klimmen.
Uit de beschreven camerabeelden blijkt dat vlak voordat het alarm van de school afging een man bij het schoolgebouw rond liep. Deze man is door meerdere verbalisanten herkend als verdachte. Verdachte heeft ter terechtzitting erkend dat hij de man op de beelden is die bij de school rondloopt, maar hij ontkent dat hij de ruit heeft vernield en laptops heeft gestolen.
Op grond van de stukken stelt de rechtbank vast dat verdachte vlak voordat het alarm afging bij de school aanwezig was. Ook blijkt uit de camerabeelden dat hij in de richting is gelopen waar de ruit is vernield, maar tijdens en nadat het alarm is afgegaan is hij niet op de beelden te zien. Ander bewijsmateriaal waaruit de betrokkenheid van verdachte bij de inbraak blijkt, ontbreekt. De rechtbank is van oordeel op grond hiervan niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte de ruit heeft vernield en de laptops heeft weggenomen. De rechtbank zal verdachte daarom van het onder 6. ten laste gelegde vrijspreken.

bewijsmiddelen

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
Ieder bewijsmiddel is -ook in onderdelen- slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
in de zaak met parketnummer 18.284371.25 onder 1. ten laste gelegde
1. De door verdachte ter zitting van 30 januari 2026 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:
Op 17 september 2025 bij de [winkel 1] in Leeuwarden heb ik goederen in mijn rugtas gestopt. Dit waren onder andere zakken snoep. Ik wilde deze goederen te stelen. Ik liep met de goederen in mijn tas naar de uitgang van de winkel. Ik was het toegangspoortje gepasseerd en werd toen door een medewerker van de [winkel 1] aangesproken. Ik heb deze medewerker geduwd en ik ben uiteindelijk met de goederen in mijn rugtas weggelopen.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 23 september 2025, opgenomen op pagina 33 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2025253568 d.d. 31 oktober 2025, inhoudend als verklaring van [medewerker winkel 1] :
Op 17 september 2025, was ik werkzaam bij de [winkel 1] in Leeuwarden. Ik zag dat een man vleeswaren in zijn rugtas stopte. Ik zag dat de man het toegangspoortje opentrok en erdoorheen liep richting de in- en uitgang van de winkel. Ik liep naar de man toe en ging voor hem staan. Om afstand met de man te houden, stak ik mijn arm gebogen uit richting de man. Ik voelde dat de man tegen mijn uitgestoken linkerarm aanliep. Ik voelde dat dit met kracht ging, waardoor de man mij uit balans bracht. Ik zag dat de man zijn arm uitstak richting mijn hals. Ik voelde dat zijn hand rondom mijn hals ging. Ik voelde dat de man daarbij mijn keel stevig vastpakte. Ik voelde dat de man mij wegduwde met de hand die hij om mijn hals had. Dit ging met kracht, waardoor hij mij wederom uit balans bracht. Ik zag dat de man de winkel verliet. Ik zag dat de man op zijn fiets stapte met de rugtas. Ik zag dat deze rugtas vol zat met boodschappen. Ik zag dat de man naar mij omkeek. Ik hoorde de man zeggen: "Ik sla je in elkaar." Ik bekeek de camerabeelden terug en zag dat de man meerdere goederen had meegenomen in zijn tas. Het gaat om de volgende goederen:
  • 1x Lotus speculoos crunchy;
  • 1x Nutella hazelnootpasta;
  • 1x kip cordon bleu;
  • 1x Haribo tangfastics;
  • 1x Haribo bubbel fizz.
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 31 oktober 2025, opgenomen op pagina 43 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant:
Na het bekijken van de beelden heb ik de volgende bevindingen opgedaan. De verdachte verlaat de winkel middels de toegangspoortjes. Op het moment dat de verdachte de poortjes passeert word hij aangesproken door een medewerker van de [winkel 1] . Deze medewerker is gekleed in een witte trui.
Wanneer de verdachte de toegangspoortjes is gepasseerd grijpt hij de medewerker door middel van zijn linker hand bij de keel. De verdachte duwt vervolgens met kracht de medewerker van hem af. De medewerker word enkele meters weggeduwd. Vervolgens begint de verdachte te rennen in de richting van de uitgang. Dit betreft enkele meters. Bij het verlaten van de winkel wordt de medewerker nog geduwd door de linkerhand van de verdachte. Gedurende het voorval houdt de verdachte een tas in zijn rechterhand.

bewijsoverweging rechtbank

Door de raadsman is vrijspraak betoogd van het ten laste gelegde verbale geweldscomponent, omdat verdachte dit ontkent en hiervoor geen steunbewijs aanwezig is in het dossier.
De rechtbank overweegt dat volgens artikel 342 lid 2 van Pro het Wetboek van Strafvordering het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend kan worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling heeft echter betrekking op de tenlastelegging in haar geheel en niet op een onderdeel daarvan.
In casu heeft de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaring van aangever. Zijn verklaring wordt door de beschrijving van de camerabeelden grotendeels bevestigd. De bedreiging heeft buiten plaatsgevonden en is hierdoor niet door de camerabeelden vastgelegd. Dit maakt echter niet dat dit deel van zijn verklaring niet betrouwbaar is. De rechtbank acht daarom op grond van de aangifte bewezen dat verdachte de medewerker van de [winkel 1] heeft bedreigd door te zeggen dat hij deze in elkaar zou slaan.
in de zaak met parketnummer 18.284371.25 onder 2. primair ten laste gelegde
1. De door verdachte ter zitting van 30 januari 2026 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:
Op 17 september 2025 was ik in de [winkel 2] in Leeuwarden. Ik heb daar vlees in mijn tas gestopt. Het was de bedoeling om dit vlees mee te nemen zonder hiervoor te betalen. Toen ik de winkel wilde verlaten werd ik tegengehouden door een winkelmedewerker en ik moest meekomen naar het kantoor. Ik heb de medewerker met twee handen van mij afgeduwd en ik heb de winkel verlaten.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 17 september 2025, opgenomen op pagina 64 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van
[medewerker 1 winkel 2] :
Ik doe aangifte namens [winkel 2] . Verdachte is met een tas vol vlees tegen de richting van de poortjes in gelopen en zo probeerde hij door te lopen naar buiten. Daar heb ik hem met een aantal collega's aangehouden. Hij dreigde mij met de tekst "raak me niet aan, ik steek je neer". Daarna heeft hij mij tegen de deur aangeduwd en is hij gevlucht.
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige d.d.
11 oktober 2025, opgenomen op pagina 45 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [medewerker 2 winkel 2] :
Ik ben werkzaam als assistent bedrijfsleider bij de supermarkt [winkel 2] in Leeuwarden. Ik was 17 september 2025 aan het werk in de supermarkt en ik had mijn [winkel 2] -dienstkleding aan. Ik zat in het kantoor van de winkel en via de camera zag ik een man in een gele trui vanuit dat gangpad naar de vleesafdeling lopen. Ik zag toen, dat de man drie grote stukken vlees uit de diepvries pakte en dat hij die drie pakken in een tas stopte. Het betrof entrecote en rib-eye. Ik zag dat hij daarna verder de winkel inliep. Ik zag dat hij zijn trui uittrok en dat hij die trui in de tas stopte die hij bij zich had. Ik zag dat hij naar de ingang van de winkel liep en dat hij over de entreepoortjes heen stapte, richting uitgang van de winkel. Ik ben toen de winkel ingelopen en mijn collega [medewerker 3 winkel 2] en ik zijn toen voor die man gaan staan. Ik zei tegen hem: "Jij hebt diefstal gepleegd, je mag meekomen naar kantoor". Ik hoorde dat de man direct zei: "Raak me niet aan of ik steek je neer". Precies dat zei hij. Hij stond toen voor mijn collega [medewerker 3 winkel 2] en ik zag dat hij [medewerker 3 winkel 2] ineens wegduwde en dat hij wilde vluchten naar de uitgang. Ik zou toen proberen om de tas met gestolen spullen van hem af te pakken, maar dat had [medewerker 3 winkel 2] al gedaan. De man rende via de tochtsluis verder naar de uitgang van de winkel. De automatische deuren van de uitgang gingen niet zo snel open en de man draaide zich toen weer om naar ons. Ik hoorde dat hij toen weer zei: "ik steek jullie neer". Ik voelde me hierdoor bedreigd en ik ben een meter achteruit gegaan om niet te dicht bij die man te komen op dat moment.
in de zaak met parketnummer 18.284371.25 onder 4. en 5. ten laste gelegde
1. De door verdachte ter zitting van 30 januari 2026 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:
Op 25 oktober 2025 was ik in de woning van [slachtoffer 2] in [plaats] . We kregen ruzie en ik heb haar toen bij haar hals beetgepakt. Ik heb haar mobiele telefoon gepakt en ik heb een damesfiets gepakt. De fiets had ik eerder voor haar gekocht. Vervolgens ben ik met de telefoon en de fiets weggegaan. Ik wilde in de telefoon kijken of [slachtoffer 2] contact had met andere mannen. Ik ben later die dag door de politie aangehouden en ik reed toen op deze fiets en had de telefoon bij mij.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 25 oktober 2025, opgenomen op pagina 104 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 2] :
[verdachte] heeft mij vannacht mishandeld en heeft een fiets en mobiele telefoon weggenomen. Op 25 oktober in mijn woning te [plaats] duwde [verdachte] mij naar achteren en hij greep mij bij de keel. Ik hoor u vertellen dat u fotos wilt maken van het letsel in mijn nek en daar geef ik toestemming voor. Hij greep mij zo hard bij de keel dat ik niet eens antwoord kon geven. Hij bleef mij maar achteruit duwen richting de bank en daar plofte ik neer, op mijn rug. Ik voelde en ik zag dat [verdachte] mee viel en boven op mij terecht kwam. Ik voelde ook zijn volle gewicht bovenop mij. Ik voelde dat hij met zijn knieën bovenop mij zat en mijn keel nog steeds dichtdrukte. Ik voelde dat [verdachte] kracht in zijn vingers en hand zette en daarmee mijn keel dichtkneep. Ik stribbelde tegen en op een gegeven moment voelde ik dat [verdachte] los liet, mij vervolgens op mijn rechter oog/jukbeen sloeg, en mij weer met diezelfde hand bij mijn keel greep en weer dichtkneep. Ik voelde dat [verdachte] zijn kracht in zijn hand op een gegeven moment minder werd en mijn keel los liet. Ik zag dat [verdachte] op stond en aangaf dat hij weg moest op mijn fiets en hij pakte ook mijn mobiele telefoon van mij af. Ik hoorde dat [verdachte] zei dat hij de telefoon mee nam. Ik zag dat [verdachte] met mijn mobiele telefoon naar de hal liep en met de fiets vervolgens naar buiten liep.
4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 25 oktober 2025, opgenomen op pagina 98 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisanten:
Op 25 oktober 2025 hoorden wij een melding. [verdachte] zou zojuist iemand mishandeld hebben en daarbij de fiets hebben meegenomen. Ongeveer 5 minuten later hoorden wij dat collega's de verdachte staande hielden. Wij gingen ter plaatse naar deze locatie, op [adres] , alwaar wij de collega's troffen die [verdachte] inmiddels staande hielden.
Wij zagen een elektrische fiets op de grond liggen en hoorden de collega's zeggen dat [verdachte] onderuit was gegaan toen hij op de fiets fietste. Wij controleerden de fiets. Wij zagen dat het hoefijzerslot met een kabelbinder aan het frame was bevestigd. Het betreft een fiets van het merk Pegasus type Sienna.
5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 25 oktober 2025, opgenomen op pagina 100 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant:
Bij zijn aanhouding was verdachte [verdachte] in het bezit van een zwarte elektrische damesfiets, van het merk Pegasus Siena. Ik zag dat het slot van de accuhouder verwijderd was en dat er dus geen sleutel meer te gebruiken was om de accu uit de houder te kunnen verwijderen.
6. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 24 oktober 2025, opgenomen op pagina 96 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van
[slachtoffer 4] :
Op 22 oktober 2025 werd in Leeuwarden mijn fiets weggenomen. Het betreft een zwarte elektrische fiets, merk Pegasus Sienna.
7. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 31 oktober 2025, opgenomen op pagina 124 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 2] :
V: Ik wil je horen ter zake heling van een fiets. Het gaat hierbij over de fiets welke [verdachte] uit jou woning heeft weggenomen.
A: Hij had deze fiets, welke hij van de week had meegenomen, voor mij geregeld. Deze had hij gekocht. V: Sinds wanneer ben jij in bezit van deze fiets?
A: Nog niet zo lang, een paar dagen. Ik ben mee geweest. Diegene had een fiets die we konden kopen. Ik heb gekeken of hij goed was en of hij goed fietste. Dat was het geval. Toen heeft hij het met die man geregeld en kon ik de fiets meenemen.
V: Je bent daarna met de fiets naar huis gegaan? A: Ja, met [verdachte] samen.
O: Ik weet dat jij tegen mijn collega hebt gezegd dat [verdachte] deze fiets voor 50 euro had gekocht
A: Dat heb ik gehoord ja. Ik ken die man niet. Het is een Marokkaanse jongen. Ze noemen hem [naam] . Het is niet zijn echte naam.
V: Waar is deze fiets gekocht?
A: Gewoon, in Leeuwarden. Ergens bij het Cambuurplein. V: Hoe had [verdachte] contact met hem gekregen?
A: Hij kent hem. Van de straat, van dealen van drugs.

Bewijsoverwegingen rechtbank

mishandeling
Door de raadsman is vrijspraak betoogd van de mishandeling van [slachtoffer 2] , omdat er twee lezingen zijn over wat er is voorgevallen, de foto geen van beide lezingen uitsluit en er verder geen steunbewijs aanwezig is in het dossier.
Zoals hiervoor reeds is overwogen heeft de bepaling dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend kan worden aangenomen op de verklaring van één getuige, betrekking op de tenlastelegging in haar geheel en niet op een onderdeel daarvan.
In casu heeft de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaring van aangeefster [slachtoffer 2] . Zij verklaart dat verdachte haar meerdere malen bij de keel heeft beetgepakt. Hij kneep daarbij hard en hij is met zijn knieën op haar gaan zitten en heeft haar in het gezicht geslagen. Haar verklaring is specifiek en gedetailleerd. Ze verklaart precies hoe het ging en wat zij daarbij voelde.
Daarnaast heeft verdachte verklaard dat hij ruzie met aangeefster had en dat hij haar tijdens deze ruzie bij de hals heeft vastgepakt. Deze verklaring geeft steun aan de aangifte. De rechtbank zal daarom voor de bewezenverklaring de verklaring van aangeefster volgen. De rechtbank acht de onder 4. ten laste gelegde mishandeling bewezen.
diefstal telefoon
De rechtbank stelt op basis van de aangifte van [slachtoffer 2] en de verklaring van verdachte ter terechtzitting vast dat verdachte de telefoon van [slachtoffer 2] heeft weggenomen. Verdachte heeft verklaard dat hij in de telefoon wilde nagaan of [slachtoffer 2] contact had met andere mannen. Daarmee heeft verdachte zich in ieder geval tijdelijk de heerschappij over de telefoon van [slachtoffer 2] verschaft, waardoor de rechtbank het oogmerk op wederrechtelijke toe-eigening bewezen acht.
schuldheling fiets
Op grond van de gebruikte bewijsmiddelen stelt rechtbank allereerst vast dat de onder de verdachte in beslag genomen fiets van diefstal afkomstig was. Deze behoorde toe aan aangeefster [slachtoffer 4] . De rechtbank stelt voorts vast dat niet is gebleken van een aanwijzing dat verdachte zelf op enigerlei wijze betrokken is geweest bij de diefstal van de fiets.
Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte een elektrische fiets heeft gekocht voor 50,- op straat, van iemand die hij kent van de straat in verband met het drugscircuit. Het hoefijzerslot zat met een kabelbinder aan het frame bevestigd en het slot van de accuhouder was verwijderd waardoor men de sleutel niet meer kon gebruik om de accu uit de houder te verwijderen.
De rechtbank acht de verklaring van de verdachte dat hij 1.500,-- voor de fiets heeft betaald, gelet op de verklaring van [slachtoffer 2] en de omstandigheden waaronder hij de fiets heeft gekocht niet
aannemelijk. Gelet op de omstandigheden waaronder verdachte de fiets heft gekocht, namelijk op straat, de prijs van 50,- die hij voor de fiets heeft betaald, en de staat van de sloten van de fiets, kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders zijn dan dat de verdachte ten tijde van het verwerven en voorhanden krijgen van de fiets redelijkerwijs moest vermoeden dat deze van misdrijf afkomstig was. De rechtbank concludeert dan ook tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde schuldheling van de fiets.
in de zaak met parketnummer 18.281236.25 ten laste gelegde
1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 15 juli 2025, opgenomen op pagina 11 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2025189557 d.d. 2 september 2025, van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 3] :
Ik zat vandaag bij [bedrijf] in Leeuwarden. Ik werd aangevallen door een Marokkaanse man en nog een man van Nederlandse komaf. De beide mannen waren intimiderend naar mij toe. De Marokkaanse man gaf mij een klap op de achterzijde van mijn hoofd, met zijn vuist. Daarna gaf de Marokkaanse man mij een trap tegen mijn benen. Ik zag dat de Nederlandse man naar mij toe kwam. Ik voelde dat ik een klap op mijn gezicht kreeg van de Nederlandse man. De beide mannen hebben mij ook getrapt in mijn rug en op mijn ribben.
Dit alles gebeurde, terwijl wij vanaf [bedrijf] naar de spoorwegovergang liepen.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 17 juli 2025, opgenomen op pagina 15 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van
[getuige 1] :
Ik ben getuige geweest van een mishandeling die heeft plaats gevonden ter hoogte van het spoor aan de [adres] te Leeuwarden. Ik heb drie mannen gezien. Voor mij bestaat dit uit een (1) slachtoffer en twee (2) aanvallers. Ik kan het slachtoffer als volgt omschrijven een beetje Somalische afkomst. Aanvaller 1: een blanke man. Aanvaller 2: een man van Turks of Marokkaanse afkomst.
Het slachtoffer stond eerst op de weg met de aanvallers ter hoogte van het spoor aan de [adres] . Het slachtoffer wilde weglopen richting het fietspad, richting stationsweg. Toen zag ik dat aanvaller 2 het slachtoffer sloeg en dat het slachtoffer viel. Dit was bij de bankjes bij het standbeeld bij de [adres] . Ik zag toen dat aanvaller 2 het slachtoffer extreem hard op zijn achterhoofd schopte. Het slachtoffer bedekte zijn hoofd maar dat was niet voldoende. Het leek een beetje alsof aanvaller 2 een voetbal wilde wegtrappen.
Dus niet een schoppende beweging naar beneden, maar meer voorwaarts. Ik zag dat het slachtoffer op stond. Ik zag dat het slachtoffer weg wilde lopen van de aanvaller. Ik zag dat aanvaller 2 achter hem aan bleef lopen. Toen zag ik dat aanvaller 2 het slachtoffer nog een paar keer sloeg. Ik zag dat het op het lichaam en schouder was van het slachtoffer. Toen ben ik doorgereden.
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 16 juli 2025, opgenomen op pagina 19 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van
[getuige 2] :
Op 15 juli 2025 reed ik als bestuurder in mijn auto. Ik stond stil voor het verkeerslicht. Ik zag daar toen dat twee mannen iemand in elkaar sloegen. Dit gebeurde vlak voor mij. Ik zag dat die twee mannen de andere man echt kapot sloegen. Ik zag namelijk dat ze hem wel drie keer oppakten en weer op de grond gooiden. Ik zag dat de beide mannen hem sloegen en schopten. Ze raakten hem overal, zijn lichaam, hoofd en gezicht. Ik ben uit mijn auto gestapt en heb geroepen dat ze moesten stoppen. Ik zag dat de beide mannen wegrenden. Ik zag toen dat er een politieauto aan kwam. Ik heb gelijk de mannen aangewezen die het hadden gedaan. De politie is er toen achteraan gegaan. Ik kan de mannen omschrijven.
De ene man was een Marokkaan. De andere man was een blanke man. Ik kan met zekerheid zeggen dat beide mannen die andere man aan het mishandelen waren. Ze hebben beiden geslagen en geschopt.
4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 15 juli 2025, opgenomen op pagina 27 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant:
Op 15 juli 2025 kreeg ik melding van een vechtpartij nabij het [adres] . Ik ben hier ter plaatse gegaan. Op de kruising [adres] - [adres] zag ik een man op het wegdek liggen, naar later bleek [slachtoffer 3] . Ik hoorde [slachtoffer 3] zeggen dat hij pijn had en hoorde een man die naast hem stond zeggen dat [slachtoffer 3] in elkaar was geslagen door twee mannen. Ik hoorde hem zeggen dat deze twee mannen verderop liepen en ik zag dat hij twee mannen aanwees, welke verderop liepen op [bedrijf] . Hierop ben ik naar [bedrijf] gereden om deze mannen staande te houden. Ik hield een man staande. De persoon gaf mij mondeling op te zijn: [verdachte] . Terwijl ik [verdachte] staande hield, zag ik ook de andere man die als verdachte werd aangewezen nog op [bedrijf] lopen. Ik zag dat politieambtenaren [politieambtenaar] en [politieambtenaar] hem op mijn verzoek staande hielden en hem later ook aanhielden. Later bleek dit te zijn: Adil El- Kachari.
5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 20 juli 2025, opgenomen op pagina 49 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van verdachte:
Ik gaf hem een duw, toen viel hij over dat muurtje waar hij op zat. Toen stond hij op en was er een vriend van mij. Hij is ook meegenomen, die dag als verdachte. Hij pakte hem vast. Wij liepen naar hem toe en toen ging hij weer wat naar achteren. Dit ging steeds zo door, totdat we bij de stoplichten kwamen. Toen heeft die jongen, die bij mij was, hem getrokken, aan zijn T-shirt. Hij kwam op de grond terecht en kon even niet kon opstaan.
V: Wat heb jij bij hem gedaan?
A: Eerst geslagen, toen getrapt op het laatst. Hoofd. Met de vuist. V: Waar heb je hem geschopt?
A: Op zijn schouder. Hij stond niet, hij lag. Op het moment dat hij viel, heb ik hem op zijn schouder geraakt.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht in de zaak met parketnummer 18.284371.25 onder 1., 2. primair, 4., 5. primair (ten aanzien van de telefoon) en 5. subsidiair (ten aanzien van de fiets) en in de zaak met parketnummer 18.281236.25 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
1. ​
hij op 17 september 2025 te Leeuwarden vlees en snoep en broodbeleg die aan [winkel 1] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen medewerkers van die [winkel 1] , gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door
  • een medewerker van de [winkel 1] bij de keel te pakken en
  • een medewerker van de [winkel 1] weg te duwen en
  • tegen een medewerker van de [winkel 1] te zeggen dat hij deze in elkaar zou slaan;
2. primair
hij op 17 september 2025 te Leeuwarden vlees, dat aan de [winkel 2] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen medewerkers van de [winkel 2] , gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door
  • tegen medewerkers van de [winkel 2] te zeggen dat hij ze gaat neersteken en
  • een medewerker te duwen;
hij op 25 oktober 2025 te [plaats] [slachtoffer 2] heeft mishandeld, door [slachtoffer 2] bij de keel te pakken en deze dicht te knijpen en op haar te zitten en in het gezicht te slaan;
5. primair
hij op 25 oktober 2025 te [plaats] een telefoon, die aan [slachtoffer 2] , toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen
en
5. subsidiair
hij omstreeks 25 oktober 2025 te Leeuwarden, een fiets, heeft verworven en voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van de verwerving en het voorhanden krijgen van dit goed redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;
en in de zaak met parketnummer 18.281236.25:
hij op 15 juli 2025 te Leeuwarden, openlijk, aan de openbare weg en op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten
[slachtoffer 3] door hem
  • meermalen tegen het hoofd en het lichaam te stompen en
  • meermalen tegen het hoofd en het lichaam te schoppen.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Ter terechtzitting heeft de raadsman ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 18.281236.25 ten laste gelegde aangevoerd dat de verdachte heeft gehandeld uit noodweer, als bedoeld in artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. De raadsman heeft gesteld dat verdachte zich geconfronteerd zag met een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding dan wel het onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor en dat de verdediging door verdachte daarom noodzakelijk was.
Daartoe heeft de raadsman de volgende feiten en omstandigheden aangevoerd. Zowel verdachte als de medeverdachte verklaren over een mesje dat aangever [slachtoffer 3] hanteerde, waardoor verdachte zich bedreigd voelde en heeft gehandeld. Volgens de raadsman blijkt uit de verklaring van verdachte dat aangever de agressor was, welke verklaring steun vindt in de verklaring van de medeverdachte, het aangifte willen doen van verdachte tegen [slachtoffer 3] en het gegeven dat de onpartijdige getuigen de start van het gebeuren niet hebben gezien.
De rechtbank acht de feiten en omstandigheden die de raadsman aan het verweer ten grondslag heeft gelegd, niet aannemelijk geworden. De door de verdediging gegeven lezing van de gebeurtenissen vindt zijn weerlegging in de volgende, aan wettige bewijsmiddelen ontleende, feiten en omstandigheden.
Uit zowel de verklaring van verdachte als de verklaring van aangever [slachtoffer 3] blijkt dat de confrontatie is begonnen bij een muurtje bij [bedrijf] in Leeuwarden. Vervolgens hebben aangever, verdachte en de medeverdachte zich verplaatst naar de spoorwegovergang op de [adres] nabij de stoplichten. Verdachte heeft verklaard dat hij en de medeverdachte steeds naar aangever toeliepen en dat aangever dan weer iets naar achteren ging. Dit ging steeds zo door. Dit past bij de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] . Die verklaren over twee duidelijke aanvallers en een slachtoffer.
Volgens [getuige 1] wilde het slachtoffer weglopen toen hij werd aangevallen en viel. Hij is daarna weggereden. De getuige [getuige 2] is met de auto blijven staat tot het einde en zag dat de beide aanvallers fors geweld tegen het slachtoffer uitoefenden. Uit de getuigenverklaringen blijkt niet dat het slachtoffer een mesje had of dat hij zich dreigend opstelde richting verdachte en zijn medeverdachte.
Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat verdachte de hem verweten gedragingen heeft verricht in een situatie waarin en op een tijdstip waarop voor hem de noodzaak bestond tot verdediging van eigen of eens anders lijf tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, dan wel het onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor. Dat aangever mogelijk in het begin van de confrontatie een mesje heeft getoond doet daaraan niet af, hij heeft immers gelegenheid gehad daarna zich aan de situatie te onttrekken. Het verweer wordt verworpen.
Het bewezen verklaarde levert op:
in de zaak met parketnummer 18.284371.25:
1. diefstal, gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen
personen, gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren;
2. primair diefstal, gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren;
4. mishandeling;
5. primair diefstal en
5. subsidiair schuldheling
en in de zaak met parketnummer 18.218236.25:
openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.
Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.
Strafbaarheid van verdachte
De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het in de zaak met parketnummer 18.284371.25 onder 1., 2.primair, 3., 4., 5. primair (voor de telefoon), 5. subsidiair (voor de fiets) en 6. en het in de zaak met parketnummer 18.281236.25 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden waarvan acht maanden voorwaardelijk met aftrek van het voorarrest en met een proeftijd van drie jaren en de bijzondere voorwaarden van een meldplicht bij de reclassering en de verplichting zich ambulant te laten behandelen door de Forensische Polikliniek van Verslavingszorg Noord Nederland of een soortgelijke zorgverlener.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft gepleit, indien het tot een veroordeling komt in de zaak met parketnummer 18.284371.25 onder 4. ten last gelegde, voor schuldigverklaring zonder oplegging van een straf of maatregel, omdat aangeefster heeft aangegeven dat ze niet wil dat verdachte hiervoor straf krijgt.
Voor de feiten waarvoor een veroordeling kan volgen heeft de raadsman gepleit voor oplegging van een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf waarvan het onvoorwaardelijk deel gelijk is aan het voorarrest. Aan het voorwaardelijk deel kunnen de voorwaarden van een meldplicht en een verplichting een ambulante behandeling te volgen worden gekoppeld. Verdachte is enorm gemotiveerd om aan de slag te gaan en dit is niet alleen in het belang van verdachte maar ook in het belang van de maatschappij, omdat op die wijze het risico op recidive voor de maatschappij op aanvaardbaar niveau wordt teruggedrongen.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, het reclasseringsadvies opgemaakt door Verslavingszorg Noord Nederland (hierna: VNN) op 15 januari 2026, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan twee winkeldiefstallen gevolgd van geweld en bedreiging van geweld richting het winkelpersoneel, het openlijk in vereniging geweld plegen tegen een man, mishandeling van zijn vriendin, diefstal van de telefoon van zijn vriendin en schuldheling van een fiets.
Door het plegen van het geweld tegen zijn vriendin, de man op straat en het winkelpersoneel heeft verdachte een inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers. Dergelijk strafbaar gedrag brengt voorts in de maatschappij gevoelens van onrust en onveiligheid teweeg. Door het plegen van de winkeldiefstallen heeft de verdachte het eigendomsrecht van de winkeliers geschonden. Dergelijk strafbaar handelen levert voor de winkeliers tevens veel overlast en ergernis op en hindert hen in de bedrijfsvoering, zeker als een dergelijk delict ook nog met geweld gevolgd gaat. Ook de maatschappij ondervindt schade van winkeldiefstallen, omdat de kosten die gemoeid zijn met het nemen van
veiligheidsmaatregelen tegen diefstallen, uiteindelijk door consumenten worden betaald. Daarnaast heeft verdachte zich aan schuldheling schuldig gemaakt door het kopen van een gestolen fiets en heeft hij de telefoon van zijn vriendin gestolen, om haar contacten te bekijken.
Verdachte heeft verklaard dat hij de winkeldiefstallen heeft gepleegd om in zijn verslaving te voorzien. Het geweld in de winkels pleegt hij omdat hij -wanneer hij staande wordt gehouden door het personeel- het niet prettig vindt om aangeraakt te worden. De rechtbank is van oordeel dat door het plegen van de diefstallen verdachte zichzelf in een situatie begeeft waarin hij staande kan worden gehouden. Dit is een eigen keuze evenals het geweld dat hij pleegt wanneer hij betrapt wordt. Daarnaast heeft hij samen met iemand anders een man op straat ernstig mishandeld en heeft hij zijn vriendin mishandeld door onder meer haar keel dicht te knijpen. Dit zijn ernstige geweldsdelicten en de rechtbank acht dit kwalijk, maar ook erg zorgelijk.
De rechtbank heeft in het kader van de straftoemeting acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de justitiële documentatie van verdachte. Daaruit blijkt dat hij eerder meermalen onherroepelijk is veroordeeld voor voornamelijk vermogensdelicten, maar ook voor bedreigingen. In het nadeel van de verdachte weegt de rechtbank mee dat hij de winkeldiefstallen en het openlijk geweld in vereniging heeft gepleegd gedurende de proeftijd van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf. In de strafmaat houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.
Uit het reclasseringsadvies blijkt dat bij verdachte sprake is van ernstige en langdurige problematiek op vrijwel alle leefgebieden en dan vooral op het gebied van het middelengebruik en het psychosociaal functioneren. In het verleden zijn er kortdurende periodes van relatieve stabiliteit geweest, maar dit heeft echter het jarenlange patroon van middelenproblematiek en recidive niet kunnen doorbreken.
Na het overlijden van verdachte zijn ouders is een duidelijk verandering zichtbaar in zijn houding en motivatie. De reclassering schat in dat de intrinsieke motivatie en inzet van verdachte oprecht zijn, maar houdt wel rekening met een fluctuerend verloop van deze voorzichtig stijgende lijn. De reclassering ziet het liefst dat verdachte klinisch wordt opgenomen, maar hier wil verdachte niet aan meewerken. De reclassering adviseert daarom verdachte voor een ambulante behandeling aan te melden en ook omdat hij nog nooit eerder een forensische ambulante behandeling heeft gehad. Het advies is daarom om verdachte een meldplicht bij VNN en de verplichting een ambulante behandeling bij de Forensische Poli van VNN op te leggen.
Verdachte heeft ter terechtzitting aangegeven dat hij zich kan vinden in het advies van de reclassering en zich aan de geadviseerde bijzondere voorwaarden zal houden.
De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de ernst van het bewezen verklaarde en de straffen die in soortgelijke gevallen door de rechtbank worden opgelegd, niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Gelet op de ernst van de mishandeling van zijn vriendin kan -ondanks dat zij zelf geen vervolging wenst- niet worden volstaan met schuldig verklaring zonder oplegging van een straf of maatregel voor dat feit. De rechtbank zal verdachte evenwel niet veroordelen tot de gevangenisstraf die door de officier van justitie is gevorderd, omdat de rechtbank tot een andere bewezenverklaring komt. Ook vindt de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest, zoals door de verdediging is gepleit, gelet op de ernst van het bewezenverklaarde en het justitieel verleden van verdachte, niet passend.
Alle hiervoor genoemde feiten en omstandigheden afwegend en rekening houdend met het aantal bewezenverklaarde feiten, acht de rechtbank oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest en een proeftijd van drie jaren passend en geboden en zal deze straf opleggen.
Aan het voorwaardelijk strafdeel zal de rechtbank, conform het advies van de reclassering, de bijzondere voorwaarden bestaande uit een meldplicht bij de reclassering en de verplichting tot het volgen van een forensisch ambulante behandeling verbinden, zodat verdachte kan worden behandeld en hiermee het gevaar voor herhaling op het plegen van strafbare feiten kan worden ingeperkt.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van Pro de Penitentiaire beginselenwet.

Vordering na voorwaardelijke veroordeling

Bij onherroepelijk vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland te Leeuwarden, is verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie maanden, waarvan één maand voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. De proeftijd is ingegaan op 4 juli 2023. Daarbij is als algemene voorwaarde gesteld dat veroordeelde voor het einde van de proeftijd geen strafbare feiten zal plegen.
De officier van justitie heeft bij vordering van 2 januari 2026 de tenuitvoerlegging gevorderd van de voorwaardelijke straf.
De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering na voorwaardelijk veroordeling moet worden afgewezen, omdat in de strafzaak waaraan de vordering is gekoppeld verdachte een geslaagd beroep op noodweer toekomt. Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden afgewezen, omdat deze reeds is toegewezen door de politierechter. De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen deze uitspraak en het is aan het Gerechtshof om een beslissing op de vordering te nemen. Het is niet opportuun om de vordering twee maal toe te wijzen.
Meer subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld, in het geval de rechtbank de vordering toewijst, de gevangenisstraf om te zetten in een taakstraf.
De rechtbank stelt vast dat veroordeelde het in de zaak met parketnummer 18.281236.25 bewezenverklaarde heeft begaan voor het einde proeftijd. Door de politierechter is reeds op 4 juni 2025 de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf gelast. Verdachte heeft hoger beroep tegen deze uitspraak ingesteld, waardoor de beslissing tot tenuitvoerlegging niet onherroepelijk is. Het staat daarom de rechtbank in beginsel vrij om de vordering toe te wijzen. De rechtbank ziet geen aanleiding om de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf niet te gelasten of om deze om te zetten in een taakstraf. De rechtbank zal daarom de tenuitvoerlegging gelasten van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van één maand.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 57, 63, 141, 300, 310, 312 en 417bis van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het openbaar ministerie ontvankelijk in de vervolging van het in de zaak met parketnummer 18.284371.25 onder 4. ten laste gelegde.
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte in de zaak met parketnummer 18.284371.25 onder 3. en 6. is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart het in de zaak met parketnummer 18.284371.25 onder 1., 2. primair, 4., 5. primair, 5. subsidiair en het in de zaak met parketnummer 18.281236.25 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden.
Bepaalt dat van deze gevangenisstraf
een gedeelte, groot vier maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde voor het einde van of gedurende de proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op drie jaren, de hierna te noemen voorwaarden niet heeft nageleefd.
Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.
Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
Stelt als bijzondere voorwaarden, dat de veroordeelde:
zich binnen vijf dagen volgend op zijn ontslagdatum uit detentie meldt bij de reclassering van Verslavingszorg Noord Nederland, [adres] , en dat hij zich vervolgens meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt, waarbij de reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen de afspraken zijn;
zich, op aanwijzing van de reclassering en voor zolang de reclassering dit tijdens de proeftijd nodig vindt, onder behandeling zal stellen van de Forensische Polikliniek van Verslavingszorg Noord Nederland of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing, op de tijden en plaatsen als door of namens die zorgverlener aan te geven, waarbij hij zich zal houden aan de huisregels en de aanwijzingen dit de zorgverlener geeft voor de behandeling.
Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
  • ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
  • medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.
Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer 18.016767.23:
Gelast de tenuitvoerlegging van de straf voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter van de Rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden van 19 juni 2023, te weten:
één maand gevangenisstraf.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.S. Sikkema, voorzitter, mr. H.C.L. Vreugdenhil en
mr. C.A.M. Veenbaas, rechters, bijgestaan door G.T. Zandstra-Alkema, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 13 februari 2026.