ECLI:NL:RBNNE:2026:574

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
24 februari 2026
Publicatiedatum
27 februari 2026
Zaaknummer
18.291915.25
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 55 SrArt. 57 SrArt. 2 OpiumwetArt. 10 OpiumwetArt. 5a Wegenverkeerswet 1994
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor bezit en vervoer van cocaïne en heroïne en gevaarlijk rijgedrag

De rechtbank Noord-Nederland heeft op 24 februari 2026 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een man die werd verdacht van het opzettelijk vervoeren en aanwezig hebben van cocaïne en heroïne, het zonder toestemming gebruiken van een personenauto, en het ernstig schenden van verkeersregels met gevaar voor anderen.

De rechtbank achtte het bewijs voor het vervoeren en aanwezig hebben van drugs en het gevaarlijk rijgedrag wettig en overtuigend bewezen. De tenlastelegging van het zonder toestemming gebruiken van de auto werd niet bewezen verklaard. De verdachte reed op 31 oktober 2025 met hoge snelheid en negeerde meerdere stoptekens van de politie, reed met gevaar voor anderen en verloor de controle over het voertuig, waarna hij in een sloot belandde.

De rechtbank veroordeelde verdachte tot een gevangenisstraf van zes maanden met aftrek van voorarrest en legde een ontzegging van de rijbevoegdheid op voor de duur van zes maanden. Daarnaast werd de tenuitvoerlegging van een eerdere voorwaardelijke straf gelast vanwege het plegen van nieuwe strafbare feiten binnen de proeftijd. De in beslag genomen telefoons werden teruggegeven omdat geen verband met strafbare feiten was vastgesteld.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot zes maanden gevangenisstraf en een rijontzegging van zes maanden voor het opzettelijk vervoeren van cocaïne en heroïne en het ernstig schenden van verkeersregels met gevaar voor anderen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht
Locatie Leeuwarden
parketnummer 18.291915.25
vordering na voorwaardelijke veroordeling parketnummer 10.266200.23
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 24 februari 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 2000 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] ,
thans gedetineerd te [instelling] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 10 februari 2026.
Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. R.J. Jager, advocaat te Utrecht. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. L.J. van der Heide.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
1.
hij in of omstreeks de periode van 15 oktober 2025 tot en met 31 oktober 2025 te Leeuwarden, in elk geval in het arrondissement Noord-Nederland, opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, (telkens)(een) hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende cocaïne en/of (telkens) (een) hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende heroïne, zijnde cocaïne en/of heroïne, (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2.
hij op of omstreeks 31 oktober 2025 te of bij Peins, in de gemeente Waadhoeke, in elk geval in het arrondissement Noord-Nederland, opzettelijk aanwezig heeft gehad, (in totaal) ongeveer 8,67 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of (in totaal) ongeveer 3,69 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde cocaïne en/of heroïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
3.
hij op of omstreeks 31 oktober 2025 te Leeuwarden, in elk geval in het arrondissement Noord-Nederland, een personenauto (merk Peugeot, type 208, voorzien van kenteken [kenteken] ), in elk geval enig goed, die geheel of ten dele aan [slachtoffer ] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n), heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die weg te nemen personenauto onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, door het zonder toestemming gebruik maken van de autosleutel(s) van genoemde personenauto;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 31 oktober 2025 te Leeuwarden, Bitgummole, Berlikum, Ried en/of Peins, in elk geval te of bij meerdere plaatsen in Noord-Nederland, opzettelijk wederrechtelijk een motorrijtuig, (personenauto, merk Peugeot type 208), toebehorende aan [slachtoffer ] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, als bestuurder heeft gebruikt op de weg, te weten: Rijksweg N31, Provincialeweg N383, Butenpole, Bitgumerdyk, Hofsleane, Ramshoornstrjitte, Berlikumerweg, Peinserweg en/of Slapperterpsterweg, in elk geval op een weg;
4.
hij op of omstreeks 31 oktober 2025 te of bij Bitgummole en/of Berlikum en/of Ried en/of Peins, in elk geval te of bij meerdere plaatsen in Noord-Nederland, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto, merk Peugeot, voorzien van kenteken [kenteken] ), daarmee rijdende op de voor de openbaar verkeer openstaande weg(en), de Rijksweg N31 en/of de Provincialeweg N383 en/of de Butenpole en/of Bitgumerdyk en/of de Hofsleane en/of Ramshoornstrjitte en/of de Berlikumerweg en/of de Peinserweg en/of
de Slappeterpsterweg, in elk geval op een of meer weg(en), aldaar, zich opzettelijk zodanig heeft gedragen dat de verkeersregels in ernstige mate werden geschonden, welke verkeersgedraging(en) hierin hebben bestaan dat hij, verdachte toen daar, (onder meer)
  • meermalen, de maximumsnelheid (fors) heeft overschreden, waarbij snelheden werden gereden tussen de 100 km/u en 120 km/u, op (een) weg(en) waar een maximimale snelheid van respectievelijk 80 en/of en/of 60 en/of 30 km/u waren toegestaan en/of
  • daarbij herhaaldelijk geen gevolg heeft gegeven aan een door verbalisant(en) gegeven stopteken middels optische signalen en/of het verlichte transparant aan de voorzijde van het dienstvoertuig met daarop afwisselend de tekst “Stop” en “Politie”, terwijl dit stopteken duidelijk zichtbaar voor hem, verdachte, was en/of
  • zich niet aan de voorgeschreven rijrichting heeft gehouden door een rotonde linksom op te rijden en/of
  • tijdens het rijden handelingen heeft verricht bij de achterbank en/of passagierstoel en/of het dashboardkastje waardoor verdachte geen of onvoldoende zicht op de weg(en) heeft gehouden en/of
  • op hoge snelhe(i)d(en) een of meer fietser(s) heeft ingehaald en/of
  • meermalen aan rechts geen voorrang heeft verleend en/of
  • met hoge snelheid het troittoir heeft gebruikt om een lijnbus in te halen en/of
  • zijn voertuig op hoge snelhe(i)d(en) niet onder controle heeft gehad waardoor het voertuig slingerend over de rijbaan reed en hij, verdachte in een bocht naar rechts rechtdoor de weg is afgereden en in een sloot is beland,
door welke verkeersgedraging(en) van verdachte levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor (een) ander(en) te duchten was;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 31 oktober 2025 te of bij Bitgummole en/of Berlikum en/of Ried en/of Peins, in elk geval te of bij meerdere plaatsen in Noord-Nederland, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto, merk Peugeot, voorzien van kenteken [kenteken] ), daarmee rijdende op de voor de openbaar verkeer openstaande wegen, de Rijksweg N31 en/of de Provincialeweg N383 en/of de Butenpole en/of Bitgumerdyk en/of de Hofsleane en/of Ramshoornstrjitte en/of de Berlikumerweg en/of de Peinserweg en/of de Slappeterpsterweg, in elk geval op een of meer weg(en) aldaar, zich zodanig heeft gedragen dat gevaar op die weg(en) werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg(en) werd gehinderd, althans kon worden gehinderd, welk gedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte toen daar, (onder meer)
  • meermalen, de maximumsnelheid (fors) heeft overschreden, waarbij snelheden werden gereden tussen de 100 km/u en 120 km/u, op (een) weg(en) waar een maximimale snelheid van respectievelijk 80 en/of en/of 60 en/of 30 km/u waren toegestaan en/of
  • daarbij herhaaldelijk geen gevolg heeft gegeven aan een door verbalisant(en) gegeven stopteken middels optische signalen en het verlichte transparant aan de voorzijde van het dienstvoertuig met daarop afwisselend de tekst “Stop” en “Politie”, terwijl dit stopteken duidelijk zichtbaar voor hem, verdachte, was en/of
  • zich niet aan de voorgeschreven rijrichting heeft gehouden door een rotonde linksom op te rijden en/of
  • tijdens het rijden handelingen heeft verricht bij de achterbank en/of passagierstoel en/of dashboardkastje waardoor verdachte geen of onvoldoende zicht op de wegen heeft gehouden en/of
  • op hoge snelhe(i)d(en) een of meer fietser(s) heeft ingehaald en/of
  • meermalen aan rechts geen voorrang heeft verleend en/of
  • met hoge snelheid het troittoir heeft gebruikt om een lijnbus in te halen en/of
  • zijn voertuig op hoge snelhe(i)d(en) niet onder controle heeft gehad waardoor het voertuig slingerend over de rijbaan reed en hij, verdachte in een bocht naar rechts rechtdoor de weg is afgereden en in een sloot is beland,
door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg(en) werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg(en) werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het onder 1. en 2., 3. primair en 4. primair ten laste gelegde. Voor feit 1 heeft de officier van justitie gewezen op de verklaringen getuigen [slachtoffer ] en [getuige ] in combinatie met het feit dat de hoeveelheid verdovende middelen die verdachte voorhanden had en de wijze waarop deze verpakt waren, duidt op handel in verdovende middelen. Ten aanzien van het onder 3. primair ten laste gelegde heeft de officier van justitie aangevoerd dat aangeefster [slachtoffer ] heeft verklaard dat verdachte geen toestemming had om in haar auto te rijden omdat verdachte geen rijbewijs heeft en dat verdachte ook wist dat hij geen toestemming had. De verklaring van aangeefster vindt steun in de omstandigheid dat verdachte geen rijbewijs heeft en dat aangeefster ook niet naast hem in de auto zat.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1., 3. primair en subsidiair ten laste gelegde, alsmede het onder 4. primair ten laste gelegde. Daartoe heeft zij kort samengevat het volgende aangevoerd. De enkele omstandigheid dat bij verdachte harddrugs zijn aangetroffen levert geen wettig en overtuigend bewijs op van het onder 1. ten laste gelegde dealen in harddrugs. Getuige [getuige ] zou hebben verklaard dat zij drugs van verdachte heeft gekocht. Verdachte kent [getuige ] niet en daarnaast is de verklaring van [getuige ] te summier om tot bewijs te kunnen dienen. De verklaring van aangeefster [slachtoffer ] kan eveneens niet tot bewijs dienen, nu [slachtoffer ] niet zelf heeft waargenomen dat verdachte in drugs zou dealen.
Ten aanzien van het onder 4. primair ten laste gelegde heeft de raadsvrouw aangevoerd dat het verkeergedrag van verdachte weliswaar gevaarlijk was, maar dat er geen concreet gevaar is geweest voor anderen waardoor er geen levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten was. Ten aanzien van het onder 2. en het onder 4. subsidiair ten laste gelegde heeft de raadsvrouw geen bewijsverweren gevoerd.
Oordeel van de rechtbank
Vrijspraak feit 3. primair en subsidiair
De rechtbank acht het onder 3. primair en subsidiair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen, zodat verdachte hiervan zal worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende.
Aangeefster [slachtoffer ] heeft verklaard dat verdachte geen toestemming had om in haar auto te rijden. Verdachte heeft echter verklaard dat dit wel het geval was en dat hij geregeld in haar auto reed. In het dossier bevinden zich geen stukken die de verklaringen van verdachte of die van aangeefster [slachtoffer ] ondersteunen. Daarmee bevat het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voor de vereiste wederrechtelijkheid van zowel het primair als het subsidiair ten laste gelegde.
Veroordeling feit 1, 2. en 4. primair1
De rechtbank acht het onder 1. en 2. en 4. primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring.
De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
Ieder bewijsmiddel is -ook in onderdelen- slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
Ten aanzien van feit 1 en feit 2
1. De door verdachte ter zitting van 10 februari 2026 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:
Op 31 oktober 2025 was ik onderweg met de auto. Ik ben met de auto in de sloot terecht gekomen. Ik had drugs bij me.
2. Een proces-verbaal van bevindingen van 2 november 20252, voor zover inhoudend:
Wij zagen dat de verdachte rechtdoor de weg af reed in een sloot die zich parallel aan de Slappeterpsterweg te Peins bevindt.
3. Een proces-verbaal van bevindingen van 1 november 20253, voor zover inhoudend:
Op vrijdag 3l oktober 2025 is bij verdachte [verdachte] een aanzienlijke hoeveelheid verdovende middelen aangetroffen.
goednummer PL0100-2025295948-1880834
object cocaïne
bijzonderheden kleine gewikkelde bolletjes 58 stuks
goednummer PL0100-2025295948-1880844
object heroïne
bijzonderheden bruine bolletjes 14 stuks
goednummer PL0100-2025295948-1880856
object heroïne
bijzonderheden bruine substantie
4. Een proces-verbaal van bevindingen van 4 november 20254, voor zover inhoudend:
De onder verdachte [verdachte] aangetroffen verdovende middelen werden aangeboden aan de collega's van de forensische opsporing. Ze zijn getest.
goednummer PL0100-2025295948-1880834
object cocaïne
spoor identificatienr. AATH6403NL
bijzonderheden kleine gewikkelde bolletjes 58 stuks
goednummer PL0100-2025295948-1880844
object heroïne
spoor identificatienr. AATH6404NL bijzonderheden bruine bolletjes 14 stuks
goednummer PL0100-2025295948-1880856
object heroïne
spoor identificatienr. AATH6402NL bijzonderheden bruine substantie
5. Een deskundigenrapport5 afkomstig van het NFI, d.d. 5 november 2025, voor zover inhoudend: Kenmerk: AATH6403NL
Omschrijving FO: poeder en brokvormig, wit, uit 8,67 gram. Conclusie: bevat cocaïne.
6. Een deskundigenrapport6 afkomstig van het NFI, d.d. 5 november 2025, voor zover inhoudend:
Kenmerk: AATH6404NL
Omschrijving FO: poeder en brokvormig, bruin, uit 1,96 g. Conclusie: bevat heroïne.
6. Een deskundigenrapport7 afkomstig van het NFI, d.d. 5 november 2025, voor zover inhoudend:
Kenmerk: AATH6402NL
Omschrijving FO: poeder en brokvormig, bruin, uit 1,73 g. Conclusie: bevat heroïne.
Ten aanzien van feit 4. primair
1. De door verdachte ter zitting van 10 februari 2026 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:
Op 31 oktober 2025 reed ik in een auto. Ik heb meerdere malen een stopteken van de politie genegeerd. Ook de optische geluidsignalen van de politie heb ik genegeerd. Ik heb ook te hard gereden en ik heb via de stoep een lijnbus ingehaald. Ik ben met de auto in de sloot terechtgekomen.
2. Een proces-verbaal van bevindingen van 2 november 20258, voor zover inhoudend:
Op 31 oktober 2025 kregen wij een melding via het Operationeel Centrum dat er op de N3l, een grijze Peugeot raar rijgedrag vertoonde. We zijn ter plaatse gegaan en achter het voertuig met kenteken [kenteken] blijven rijden, op de N383 te Bitgummole ter hoogte van de afslag Igumerdyk gaven wij het voertuig een stopteken via het daktransparant. Wij zagen dat de bestuurder hier geen gehoor aan gaf en de hiervoor genoemde afslag voorbijreed. Wij zagen op onze snelheidsmeter dat we een snelheid van 120 km/per uur aanhielden. Hierbij bleef de afstand tussen ons en het voertuig hetzelfde. Op de N383 is de toegestane snelheid 80 km/per uur. Hierop hebben wij de optische en geluidssignalen aangezet. Wij zagen dat het voertuig hier ook geen gehoor aan gaf en met hoge snelheid ervan doorging. Wij naderden de rotonde waarbij de N383 samenkomt met de Butenpole en Itgumerdyk te Berlikum. Wij zagen dat de het voertuig zich niet aan de voorgeschreven rijrichting hield en de rotonde linksom reed. Op dat moment was er een andere auto die voor het voertuig moest stoppen.
Wij zagen dat de bestuurder op de Butenpole te Berlikum met zijn linkerhand het voertuig bestuurde. Wij zagen dat de bestuurder naar rechts hing over de bijrijder stoel, en met zijn rechterhand handelingen verrichte bij de achterbank, passagiersstoel en dashboardkast. Wij zagen meermaals de bestuurder zijn voorhoofd door het achterraam van het voertuig. Wij zagen dat het voorhoofd van de bestuurder was ingedraaid richting de achterbank.
Ook zagen wij dat de bestuurder op de Bitgumerdyk te Berlikum een fietser met een snelheid van 100 km/per uur volgens onze boordmeter inhaalde. Tijdens de achtervolging herhaalde de bestuurder dit gedrag door op hoge snelheid fietsers in te halen en met slingerende bewegingen over de weg te rijden. Hierbij hebben wij meermaals gezien dat de bestuurder met zijn hand bezig was op de achterbank en bij de passagiersstoel/dashboardkast. Hierbij zagen wij meermaals het voorhoofd van de bestuurder door het achterraam van de auto. Doordat wij zijn voorhoofd zagen wisten wij zeker dat hij op die momenten niet naar de weg keek.
Het voertuig reed met hoge snelheid het dorp Berlikum in. In de straat Hofsleane te Berlikum kwam de bestuurder achter een lijnbus terecht. Wij zagen dat de bestuurder bij de kruising Hofsleane en Ramshoornsrjitte te Berlikum het trottoir gebruikte voor 8 meter om de lijnbus in te halen. Dit ging met hoge snelheid en rakelings langs de lantarenpaal.
Wij zijn de Berlikumerweg te Berlikum op gegaan en kwamen in het dorp genaamd Ried.
Hier is de bestuurder de Peinserweg op gegaan met een snelheid van 100 km/ per uur. Op de Peinserweg te Ried is een maximaal toegestane snelheid van 60 km/per uur. Wij zagen dat de bestuurder weer hetzelfde gedrag vertoonde waarbij hij met één hand bezig was op de achterbank en hierbij het hoofd ingedraaide richting de achterbank. De bestuurder is links de Slappeterpsterweg te Peins op gegaan en herhaalde nogmaals het hiervoor genoemde gedrag. In de Slappeterpsterweg te Peins zagen wij dat er een kleine knik naar rechts was. Wij zagen dat de bestuurder op dat moment weer met zijn hoofd ingedraaid naar de achterbank was en wij zagen dat de bestuurder rechtdoor de weg af reed, een sloot in die zich parallel aan de Slappeterpsterweg te Peins bevindt.
Bewijsoverweging feit 1
Uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat verdachte op 31 oktober 2025 de aangetroffen drugs opzettelijk heeft vervoerd door met de drugs in de auto rond te rijden. Het onder 1. ten laste gelegde vervoeren van harddrugs kan dan ook bewezen worden. De rechtbank zal verdachte vrijspreken van het ten laste gelegde verkopen, afleveren en verstrekken van de harddrugs, omdat het dossier daarvoor onvoldoende bewijs bevat. Anders dan de officier van justitie acht de rechtbank de verklaringen van getuigen [slachtoffer ] en [getuige ] onvoldoende specifiek om daaruit te kunnen afleiden dat verdachte gedurende een periode van twee weken voorafgaand aan zijn aanhouding daadwerkelijk heeft gehandeld in verdovende middelen. Zo blijkt uit de verklaring van [getuige ] niet waar en wanneer het verstrekken van cocaïne zou hebben plaatsgevonden en heeft getuige [slachtoffer ] zelf niet waargenomen dat verdachte gehandeld zou hebben in verdovende middelen. Het feit dat verdachte een handelsvoorraad verdovende middelen voorhanden had maakt dit niet anders, aangezien dit niet hoeft te betekenen dat verdachte op dat moment al verdovende middelen had verkocht.
Bewijsoverweging feit 4 primair
Uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat verdachte op 31 oktober 2025 herhaaldelijk de maximumsnelheid heeft overtreden, zich niet aan de voorgeschreven rijrichting heeft gehouden, tijdens het rijden herhaaldelijk handelingen heeft verricht waardoor hij op dat moment geen of onvoldoende zicht op de weg had, op hoge snelheid fietsers heeft ingehaald en met hoge snelheid via de stoep een lijnbus
heeft ingehaald. Uiteindelijk is verdachte in een sloot tot stilstand gekomen. De rechtbank is van oordeel dat de verkeersgedragingen van verdachte tezamen een ernstige schending van de verkeersregels opleveren, waaronder enige die zijn genoemd in (de niet limitatieve opsomming in) artikel 5a onder lid 1 WVW. Verder acht de rechtbank bewezen dat het opzet van verdachte zowel gericht was op het schenden van de verkeersregels als op het in ernstige mate schenden daarvan. Gelet op de uiterlijke verschijningsvorm en in aanmerking genomen dat verdachte bezig was om aan een achtervolging door de politie te ontkomen, kan het niet anders dan dat bij hem sprake was van opzet.
Anders dan de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat ook levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen te duchten was. Voor een bewezenverklaring op basis van deze tenlastelegging is namelijk niet vereist dat concreet gevaar is geweest voor anderen. Om te kunnen beoordelen of gelet op het bewezen verklaarde gedrag waarmee de verkeersregels in ernstige mate zijn geschonden, levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten was, moet worden vastgesteld of dit gevaar naar algemene ervaringsregels te voorzien was. Gelet op de omschrijving van de verbalisanten van het gedrag door verdachte was dit wel zeker voorzienbaar. De gedragingen van verdachte vonden immers plaats midden op de dag en deels binnen de bebouwde kom, een tijdstip en locatie waar andere verkeersdeelnemers te verwachten waren. Daar komt bij dat de verbalisanten omschrijven dat op het moment dat verdachte linksom de rotonde op reed, een andere auto voor verdachte moest stoppen. Ook omschrijven zij dat verdachte meerdere fietsers met hoge snelheid heeft ingehaald en verschillend keren achterom keek naar de achterbank en dus niet op het verkeer lette. De rechtbank acht verder van belang dat in het verkeer in het algemeen niet goed voorspelbaar is bij welke andere verkeersdeelnemers men in nabijheid zal komen en hoe deze zullen reageren op schending van verkeersregels. Naar het oordeel van de rechtbank brengt het gedrag van verdachte met zich dat hij niet in staat kon worden geacht steeds adequaat te hebben kunnen reageren op de aanwezigheid en het verkeersgedrag van andere verkeersdeelnemers. Dit alles rechtvaardigt dat voorzienbaar was dat een aanrijding had kunnen plaatsvinden en daarbij één of meer personen zwaar lichamelijk letsel hadden kunnen oplopen of zelfs hadden kunnen overlijden.
De conclusie op grond van deze overwegingen is dat de rechtbank feit 4 primair wettig en overtuigend bewezen acht.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht de feiten 1, 2 en 4 primair wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
1.
hij op 31 oktober 2025 in het arrondissement Noord-Nederland, opzettelijk heeft vervoerd, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde cocaïne en heroïne, telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
2.
hij op 31 oktober 2025 te Peins opzettelijk aanwezig heeft gehad, 8,67 gram van een materiaal bevattende cocaïne en 3,69 gram van een materiaal bevattende heroïne, zijnde cocaïne en heroïne, telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
4. primair
hij op 31 oktober 2025 te of bij Bitgummole en Berlikum en Ried en Peins, als bestuurder van een motorrijtuig, personenauto, merk Peugeot, voorzien van kenteken [kenteken] , daarmee rijdende op de voor de openbaar verkeer openstaande wegen de Provincialeweg N383 en de Butenpole en Bitgumerdyk
en de Hofsleane en Ramshoornstrjitte en de Berlikumerweg en de Peinserweg en de Slappeterpsterweg, aldaar zich opzettelijk zodanig heeft gedragen dat de verkeersregels in ernstige mate werden geschonden, welke verkeersgedragingen hierin hebben bestaan dat hij, verdachte, toen daar
  • meermalen, de maximumsnelheid fors heeft overschreden, en
  • daarbij herhaaldelijk geen gevolg heeft gegeven aan een door verbalisanten gegeven stopteken middels optische signalen en het verlichte transparant van het dienstvoertuig, terwijl dit stopteken duidelijk zichtbaar voor hem, verdachte, was en
  • zich niet aan de voorgeschreven rijrichting heeft gehouden door een rotonde linksom op te rijden en
  • tijdens het rijden handelingen heeft verricht bij de achterbank en de passagiersstoel en het dashboardkastje waardoor verdachte geen of onvoldoende zicht op de weg heeft gehouden en
  • op hoge snelheid meerderefietsers heeft ingehaald en
  • met hoge snelheid het trottoir heeft gebruikt om een lijnbus in te halen en
  • zijn voertuig op hoge snelheid niet onder controle heeft gehad waardoor het voertuig slingerend over de rijbaan reed en hij, verdachte in een bocht naar rechts rechtdoor de weg is afgereden en in een sloot is beland,
door welke verkeersgedragingen van verdachte levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen te duchten was.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;
4. primair overtreding van artikel 5a van de Wegenverkeerswet 1994.
Ten aanzien van feit 1 en 2 geldt dat sprake is van eendaadse samenloop.
Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van feit 1, 2, 3 primair en 4 primair wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vijftien maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, en oplegging van een onvoorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 maanden.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft voor de feiten waarvoor een veroordeling kan volgen gepleit voor oplegging van een straf gelijk aan het voorarrest en een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid. Daarbij heeft zij onder meer gewezen op de LOVS-oriëntatiepunten.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, de rapportage van de reclassering van 16 januari 2026, het uittreksel uit de justitiële documentatie van 23 januari 2026, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich opzettelijk zodanig in het verkeer gedragen dat de verkeersregels in ernstige mate werden geschonden. Verdachte heeft onaanvaardbare risicos genomen. Hij heeft zich door zo te handelen onverschillig betoond voor de veiligheid van anderen en zijn verantwoordelijkheid als verkeersdeelnemer op grove wijze veronachtzaamd. Dat de door verdachte veroorzaakte gevaarlijke situatie uiteindelijk niet tot een of meer ongevallen met (ernstig) letsel of de dood heeft geleid, is dan ook meer toeval te noemen, waarbij nog speelt dat verdachte niet bleek te beschikken over een rijbewijs.
Nadat verdachte in een sloot tot stilstand was gekomen, zijn bij verdachte harddrugs aangetroffen. Het gebruik van harddrugs is een gevaar voor de volksgezondheid, brengt onrust in de samenleving teweeg en leidt veelal, direct en indirect, tot diverse vormen van (andere) criminaliteit. De rechtbank rekent verdachte aan dat hij hieraan een bijdrage levert.
Persoonlijke omstandigheden
De reclassering heeft in haar rapport van 16 januari 2026 het volgende over verdachte geschreven. De reclassering heeft weinig zicht gekregen op de leefsituatie en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Inhoudelijke gesprekken komen amper tot stand. De reclassering heeft recent een toezichtopdracht teruggelegd, omdat verdachte zich niet houdt aan afspraken, geen openheid geeft en blijft recidiveren. Verdachte aanvaardt de consequenties en geeft aan dat hij geen behoefte heeft aan contact met de reclassering. Hij is niet ontvankelijk voor hulp en begeleiding en lijkt niet gemotiveerd voor gedragsverandering. De reclassering heeft de indruk dat hij bewust kiest voor een criminele levensstijl, hetgeen zorgelijk wordt geacht. Bij een veroordeling adviseert de reclassering een straf zonder bijzondere voorwaarden.
Uit de justitiële documentatie van verdachte blijkt dat hij in de afgelopen vijf jaren al meermalen onherroepelijk is veroordeeld, onder meer wegens Opiumwetfeiten en overtreding van de Wegenverkeerswet.
Straf
De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf gekeken naar de oriëntatiepunten van het LOVS en naar straffen die voor soortgelijke gevallen door rechtbanken en gerechtshoven worden opgelegd. Daarnaast heeft de rechtbank gekeken naar het justitiële verleden van verdachte. Bij het bepalen van de strafmaat houdt de rechtbank tevens rekening met het feit dat sprake is van eendaadse samenloop tussen de feiten 1 en 2.
De rechtbank zal afwijken van de eis van de officier van justitie. De reden daarvoor is dat de rechtbank verdachte vrijspreekt van feit 3 primair en subsidiair en daarnaast een kortere pleegperiode bewezen acht ten aanzien van feit 1 en hem vrijspreekt van het handelen in verdovende middelen.
Verdachte is zoals vermeld eerder onherroepelijk veroordeeld voor soortgelijke feiten. Daarbij valt in het bijzonder op dat het bewezenverklaarde heeft plaatsgevonden gedurende de proeftijd van een deels voorwaardelijke veroordeling voor onder meer een Opiumwetfeit. Deze veroordeling heeft verdachte er kennelijk niet van weerhouden opnieuw een soortgelijk strafbaar feit te plegen. Alles afwegende acht de rechtbank een vrijheidsbenemende straf, namelijk een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden met aftrek van voorarrest, passend en geboden. Voor feit 4 primair zal de rechtbank daarnaast een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van 6 maanden opleggen. De rechtbank ziet geen aanleiding om deze ontzegging voorwaardelijk op te leggen.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van Pro de Penitentiaire beginselenwet.

Beslag

Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de in beslag genomen telefoons van verdachte, geregistreerd onder goednummer PL0100-2025295746-1880894 en PL0100-2025295746-1880877, verbeurd dienen te worden verklaard.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de in beslag genomen telefoons dienen te worden teruggegeven aan verdachte, nu niet is gebleken dat deze telefoons in relatie staan tot enig strafbaar feit.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat de telefoons teruggegeven dienen te worden aan verdachte omdat uit het verhandelde ter zitting niet is gebleken dat deze telefoons in relatie staan tot een strafbaar feit.
Vordering na voorwaardelijke veroordeling
Bij onherroepelijk vonnis van 7 februari 2024 van de meervoudige strafkamer van de rechtbank Rotterdam, locatie Rotterdam, is verdachte veroordeeld tot -onder meer- een gevangenisstraf van achttien maanden, waarvan acht maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren. De proeftijd is ingegaan op 22 februari 2024. Daarbij is naast een aantal bijzondere voorwaarden - als algemene voorwaarde gesteld dat veroordeelde voor het einde van de proeftijd geen strafbare feiten zal plegen. De officier van justitie heeft bij vordering van 20 januari 2026 de tenuitvoerlegging gevorderd van de voorwaardelijke straf.
Dat de tenuitvoerlegging van de straf reeds deels is gelast bij arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 8 oktober 2025 staat aan toewijzing van de vordering niet in de weg, nu is gebleken dat dit arrest nog niet onherroepelijk is.
Nu veroordeelde de bewezen verklaarde feiten heeft begaan voor het einde van de proeftijd, zal de rechtbank de tenuitvoerlegging gelasten van deze voorwaardelijke straf.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 55 en 57 van het Wetboek van Strafrecht,
de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 5a, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 3 primair en subsidiair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1, 2 en 4 primair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte ten aanzien van het onder 1, 2 en 4 primair ten laste gelegde tot:

een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.
Ten aanzien van feit 4 primair voorts:
ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen-bromfietsen daaronder begrepen- voor de tijd van
zes maanden.

Beslag

Gelast de teruggave aan verdachte van de in beslag genomen telefoons, geregistreerd goednummers PL0100-2025295746-1880894 en PL0100-2025295746-1880877.

Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer

10.266200.23

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de Rechtbank Rotterdam, locatie Rotterdam, te weten:
acht maanden gevangenisstraf.
Beveelt dat de tijd die de veroordeelde in de zaak met parketnummer 10.266200.23 in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht in mindering zal worden gebracht.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.A.M. Veenbaas, voorzitter, mr. M.M. Spooren en mr. H.C.L. Vreugdenhil, rechters, bijgestaan door G.T. Zandstra-Alkema, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 24 februari 2026.
1. De processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm op ambtseed en door daartoe bevoegde
opsporingsambtenaren opgemaakt; de pagina's bevinden zich in het doorgenummerde proces-verbaal met registratienummer 2025295948, gesloten op 15 januari 2026.
2 PL0100-2025295646-8, p. 30.
3 PL0100-2025295948-32, p. 38
4 PL0100-2025296619-4, p. 41 e.v
5 p. 63
6 p. 62
7 p. 64
8 PL0100-2025295646-8 p. 29 e.v.