Op 8 en 10 oktober 2024 pleegde verdachte ernstige strafbare feiten binnen een COA-locatie in de vorm van vernieling van een bezem, bedreiging van medewerkers met zware mishandeling en brandstichting met gevaar voor goederen. Diverse verklaringen van COA-medewerkers en camerabeelden bevestigen het handelen van verdachte.
De rechtbank achtte de feiten wettig en overtuigend bewezen, maar sprak verdachte vrij van vernieling van een stoel en toegangsdeur en van brandstichting met levensgevaar voor personen, wegens onvoldoende bewijs. Uit psychologische rapportages bleek dat verdachte leed aan meerdere psychische stoornissen, wat leidde tot de conclusie van verminderde toerekeningsvatbaarheid.
De rechtbank legde een gevangenisstraf van 245 dagen op, gelijk aan de duur van het voorarrest, en wees de schadevordering van het COA af wegens gebrek aan onderbouwing en vertegenwoordiging. Vorderingen tot tenuitvoerlegging van eerdere voorwaardelijke straffen werden afgewezen wegens niet-opportuunheid.