ECLI:NL:RBNNE:2026:680

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
5 maart 2026
Publicatiedatum
9 maart 2026
Zaaknummer
18-191961-25
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 37a SrArt. 38 SrArt. 38a SrArt. 38z Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling poging tot doodslag en zware mishandeling met TBS en gedragsmaatregel

De rechtbank Noord-Nederland heeft verdachte schuldig bevonden aan poging tot doodslag, poging tot zware mishandeling, bedreiging en vernieling gepleegd in 2025. De feiten vonden plaats in Assen en Bakkeveen, waarbij verdachte onder invloed van alcohol en medicatie willekeurige slachtoffers aanviel met onder meer een glasscherf en fysiek geweld.

De rechtbank baseerde haar oordeel op verklaringen van slachtoffers en getuigen, forensisch medisch onderzoek en bekennende verklaringen van verdachte. Verdachte toonde voorwaardelijk opzet op de dood van een slachtoffer door langdurig gericht geweld tegen het hoofd. De verdediging voerde aan dat sprake was van onvoldoende bewijs voor opzet, maar dit werd verworpen.

De rechtbank legde een gevangenisstraf van 24 maanden op, met aftrek van voorarrest, en een TBS-maatregel met voorwaarden vanwege ernstige psychische stoornissen en een hoog recidiverisico. Daarnaast werd een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd ter bescherming van de samenleving. Ook werden schadevergoedingen aan de slachtoffers toegewezen.

De strafrechtelijke maatregel is mede gebaseerd op deskundigenrapporten die een ernstige stoornis en verslavingsproblematiek bij verdachte vaststelden, waardoor hij verminderd toerekeningsvatbaar is. De TBS-maatregel is dadelijk uitvoerbaar en gekoppeld aan strikte voorwaarden en toezicht door de reclassering.

De uitspraak benadrukt de ernst van het geweld, de impact op slachtoffers en de noodzaak van intensieve behandeling en toezicht om herhaling te voorkomen.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 24 maanden gevangenisstraf, TBS-maatregel met voorwaarden en gedragsbeïnvloedende maatregel wegens poging tot doodslag, zware mishandeling, bedreiging en vernieling.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht
Locatie Leeuwarden
Parketnummer 18-191961-25
Ter terechtzitting gevoegd parketnummer 18-129240-25
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 5 maart 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 2000 te [geboorteplaats] , thans gedetineerd te [verblijfplaats] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 19 februari 2026. De strafzaak tegen verdachte is eerder (pro forma) behandeld op de zittingen van 3 oktober 2025 en 16 december 2025.
Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. A.A. Boersma, advocaat te 's-Hertogenbosch. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. L. Potijk.

Tenlastelegging

Parketnummer 18-191961-25
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 23 juni 2025 te Bakkeveen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer 1] , van het leven te beroven, die [slachtoffer 1]
  • hard heeft geduwd, waardoor haar hoofd tegen een boom aan kwam,
  • meermalen gericht op haar hoofd en/of gezicht heeft geschopt en/of geslagen,
  • meermalen tegen haar lichaam heeft geschopt en/of geslagen en/of
  • met kracht bij haar hoofd heeft vastgepakt en/of omklemd met zijn armen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 23 juni 2025 te Bakkeveen aan een ander, te weten [slachtoffer 1] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, door die [slachtoffer 1]
  • hard te duwen, waardoor haar hoofd tegen een boom aan kwam,
  • meermalen gericht op haar hoofd en/of gezicht te schoppen en/of slaan,
  • meermalen tegen haar lichaam te schoppen en/of slaan en/of
  • met kracht bij haar hoofd vast te pakken en/of te omklemmen met zijn armen;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 23 juni 2025 te Bakkeveen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer 1] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [slachtoffer 1]
  • hard heeft geduwd, waardoor haar hoofd tegen een boom aan kwam,
  • meermalen gericht op haar hoofd en/of gezicht heeft geschopt en/of geslagen,
  • meermalen tegen haar lichaam heeft geschopt en/of geslagen en/of
  • met kracht bij haar hoofd heeft vastgepakt en/of omklemd met zijn armen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Parketnummer 18-129240-25
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1
hij op of omstreeks 28 april 2025 te Assen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer 2] :
  • meermalen, althans eenmaal met een stuk glas, althans een scherp voorwerp in de buikstreek te snijden, en/of
  • ( met kracht) in het rechterbovenbeen te bijten,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op of omstreeks 28 april 2025 te Assen, [slachtoffer 2] heeft mishandeld door [slachtoffer 2] ,
  • meermalen, althans eenmaal met een stuk glas, althans een scherp voorwerp in de buikstreek te snijden, en/of
  • ( met kracht) in het rechterbovenbeen te bijten,
terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten ontsierlijke littekens ten gevolge heeft gehad;
2
hij op of omstreeks 28 april 2025 te Assen, [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die [slachtoffer 2] dreigend de woorden toe te voegen "I will kill you", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;
3
hij op of omstreeks 28 april 2025 te Assen, opzettelijk en wederrechtelijk een ruit in de voordeur, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 3] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt.
Beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
Parketnummer 18-191961-25
De officier van justitie heeft bewezenverklaring gevorderd van de primair ten laste gelegde poging tot doodslag gelet op de aangifte van [slachtoffer 1] , het forensisch medisch rapport en de bekennende verklaring van verdachte bij de politie. Door gedurende een langere tijd veelvuldig stomp geweld uit te oefenen op het hoofd van aangeefster heeft verdachte voorwaardelijk opzet op haar dood gehad.
Parketnummer 18-129240-25
Feit 1
De officier van justitie heeft bewezenverklaring gevorderd van de onder feit 1 primair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling. Op basis van de aangifte van [slachtoffer 2] , de getuigenverklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] alsmede de fotos van het letsel en de bevindingen van verbalisant [verbalisant 2] is dit feit wettig en overtuigend te bewijzen. Door aangever met een glasscherf in de buik te snijden en in het been te bijten heeft verdachte voorwaardelijk opzet op zwaar lichamelijk letsel gehad.
Feit 2
De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd van feit 2, omdat alleen getuige [getuige 1] over het dreigement heeft verklaard. De wet vereist dat een bewezenverklaring niet slechts op de verklaring van één getuige mag berusten.
Feit 3
De officier van justitie heeft bewezenverklaring gevorderd van feit 3, gelet op de aangifte van [slachtoffer 3] en de bekennende verklaring van verdachte bij de politie.
Het standpunt van de verdediging
Parketnummer 18-191961-25
De raadsman heeft bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde (poging tot doodslag). Daartoe heeft hij aangevoerd dat uit de bewijsmiddelen niet volgt dat sprake is geweest van een aanmerkelijke kans op de dood, noch op een bewuste aanvaarding daarvan. Verdachte droeg geen schoenen tijdens het trappen tegen het hoofd van aangeefster en hij heeft haar hals evenmin omklemd. Voorts blijkt uit de letselrapportages niet van indicaties voor levensbedreigende verwondingen.
Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank omtrent een bewezenverklaring.
Parketnummer 18-129240-25
Feit 1
De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank omtrent een bewezenverklaring van het onder feit 1 primair dan wel subsidiair ten laste gelegde.
Feit 2
De raadsman heeft vrijspraak van feit 2 bepleit, omdat wettig en overtuigend bewijs ontbreekt nu enkel getuige [getuige 1] hierover een belastende verklaring heeft afgelegd.
Feit 3
De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank omtrent een bewezenverklaring van feit 3.
Het oordeel van de rechtbank
Parketnummer 18-191961-251
De rechtbank acht het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten, zoals hieronder zakelijk weergegeven.
Bewijsmiddelen
[slachtoffer 1] (verder: aangeefster [slachtoffer 1] ) liet op 23 juni 2025 omstreeks 22:10 uur haar hond uit aan de [straatnaam] te Bakkeveen. Daar passeerde ze haar buurvrouw (getuige [getuige 3] ) en liep het bos in toen er plotseling een onbekende man schreeuwend op haar af kwam rennen. De man gaf haar een duw waardoor ze met haar hoofd tegen een boom aan kwam en op de grond viel. Direct hierna begon de man aangeefster [slachtoffer 1] gericht op haar hoofd te slaan en te schoppen. Ook heeft hij haar hoofd vastgepakt en haar hoofd met zijn armen omklemd. Dit gebeurde met veel kracht. Terwijl ze zich probeerde te verweren bleef de man onophoudelijk op haar lichaam en gezicht schoppen en slaan. Hij probeerde haar gericht op het hoofd te raken. Vanaf het begin van de aanval is aangeefster [slachtoffer 1] meteen hard gaan gillen. De man bleef echter doorgaan en aangeefster [slachtoffer 1] dacht dat ze het niet zou overleven.2
Getuige [getuige 3] (verder: getuige [getuige 3] ) heeft verklaard dat zij omstreeks 22:00 uur het bos van de slotplaats in Bakkeveen uit liep toen zij een enorme klap hoorde gevolgd door een schreeuwende mannenstem. Direct hierna hoorde ze aangeefster [slachtoffer 1] , die zij kort daarvoor was tegengekomen, schreeuwen. Hierop is getuige [getuige 3] naar haar huis aan de [adres] te Bakkeveen gerend om hulp te halen. Vervolgens is zij samen met haar partner naar de [adres] gerend om ook de partner van aangeefster [slachtoffer 1] , die in een rolstoel zit, op te halen. Met hem in de rolstoel zijn ze teruggegaan naar het bos. Daar hoorden ze de mannenstem en aangeefster [slachtoffer 1] nog steeds schreeuwen. Op een gegeven moment troffen zij aangeefster [slachtoffer 1] bloedend op de grond aan.3
Verbalisant [verbalisant 1] kreeg omstreeks 22:20 uur melding van het geweldsincident aan de [adres] in Bakkeveen en kwam omstreeks 22:30 uur ter plaatse. Daar trof hij een kleine 100 meter verderop in het bos aangeefster [slachtoffer 1] en verdachte aan. Het gehele gezicht van aangeefster [slachtoffer 1] zat onder het bloed en zij had een grote wond aan de linkerzijde van haar gezicht. Verdachte droeg geen schoenen en had bloed op zijn handen en voeten en is hierop aangehouden. Aangeefster [slachtoffer 1] is direct hierna naar het ziekenhuis gebracht en onderzocht door een arts van de spoedeisende hulp.4
Op 24 juni 2025 is er een forensisch medisch onderzoek verricht door forensisch arts in opleiding [arts i.o.] , onder supervisie van forensisch arts [arts] . Door de forensisch arts is beschreven dat aangeefster
[slachtoffer 1] 66 verschillende letsels heeft opgelopen. Tijdens de beoordeling op de spoedeisende hulp werd middels een CT-scan ook duidelijk dat zowel de neus als de linker oogkas aan de neuszijde waren gebroken en dat er een uitgebreide onderhuidse bloeduitstorting in het aangezicht werd gezien. Daarnaast werd een gebroken voortand gezien en heeft zij als gevolg van het incident een hersenschuldding opgelopen.5
Bij de politie heeft verdachte verklaard dat hij onder invloed van alcohol en misbruik van zijn medicatie een hem onbekende vrouw heeft aangevallen in het bos van Bakkeveen. Zonder aanleiding heeft hij haar geschopt en geslagen. Ze schreeuwde heel erg en van verdachte moest zij hiermee stoppen. De vrouw zei dat ze zou stoppen met schreeuwen als verdachte ook zou stoppen, waarna hij hiermee instemde en wegrende.6
Overwegingen
Hoewel verdachte ter zitting heeft verklaard geen herinneringen meer te hebben aan het geweldsincident leidt de rechtbank uit de voornoemde bewijsmiddelen af dat verdachte aangeefster [slachtoffer 1] heeft aangevallen en de aan hem verweten handelingen, die in de vier ten laste gelegde gedachtestreepjes worden beschreven, heeft gepleegd.
De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of er bij verdachte sprake was van opzet, al dan niet in voorwaardelijke zin, op de dood van aangeefster [slachtoffer 1] .
De rechtbank is van oordeel dat uit de bewijsmiddelen niet volgt dat verdachte vol opzet had op het overlijden van aangeefster [slachtoffer 1] . De rechtbank is van oordeel dat er wel sprake is geweest van voorwaardelijk opzet van verdachte op de dood van aangeefster [slachtoffer 1] en overweegt daartoe het volgende. Voor voorwaardelijk opzet op de dood is vereist dat er een aanmerkelijke kans bestond dat aangeefster [slachtoffer 1] door de gedragingen van verdachte zou overlijden en dat verdachte die kans bewust heeft aanvaard.
Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de bewijsmiddelen dat aangeefster [slachtoffer 1] gedurende de gehele aanval gericht op haar hoofd werd geschopt en geslagen en daarbij constant heeft geschreeuwd om hulp, hetgeen door getuige [getuige 3] direct is gehoord. De rechtbank stelt vast dat het enige tijd heeft geduurd voordat getuige [getuige 3] terugkwam met hulp. Zij is immers eerst naar haar eigen huis gegaan om haar partner en vervolgens de partner van aangeefster [slachtoffer 1] die afhankelijk is van een rolstoel op te halen en gezamenlijk terug te gaan naar het bos, alwaar zij aangeefster [slachtoffer 1] nog steeds hoorde schreeuwen en verderop in het bos aantroffen. De rechtbank leidt hieruit af dat verdachte minutenlang onophoudelijk op het hoofd (en het lichaam) van aangeefster [slachtoffer 1] heeft geschopt en geslagen. Dat het door verdachte toegepaste geweld aanzienlijk was vindt bevestiging in de aard en zwaarte van de verwondingen die aangeefster [slachtoffer 1] hierdoor heeft opgelopen. Het is een feit van algemene bekendheid dat het hoofd een kwetsbaar onderdeel van het menselijk lichaam is. Dit brengt naar het oordeel van de rechtbank in zijn algemeenheid een aanmerkelijke kans met zich op dodelijk letsel. Naar algemeen ervaringsregels kunnen harde klappen en trappen tegen het hoofd immers schedel- en hersenletsel met dodelijke afloop veroorzaken. De kans dat het door verdachte toegepaste geweld tot de dood van aangeefster [slachtoffer 1] had kunnen leiden acht de rechtbank in dit geval aanmerkelijk, gelet op de duur van de aanval en de hoeveelheid aan gerichte slagen en trappen die zij tegen haar hoofd heeft gekregen. Dat verdachte niet met geschoeide voet heeft geschopt doet daaraan niet af.
Een dodelijke afloop is mogelijk slechts voorkomen door de niet aan verdachte te danken omstandigheid dat aangeefster [slachtoffer 1] geprobeerd heeft zichzelf te verdedigen en een compromis heeft weten te sluiten met verdachte en doordat er hulp naderde. De rechtbank overweegt voorts dat het door verdachte gepleegde potentieel dodelijke geweld kon plaatsvinden doordat hij aangeefster [slachtoffer 1] in een weerloze positie bracht. Na haar hard geduwd te hebben, waardoor zij met haar hoofd tegen een boom kwam, viel zij immers op de grond en bleef hij haar schoppen en slaan. Door aldus te (blijven) handelen heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank de niet te verwaarlozen kans dat aangeefster [slachtoffer 1] door zijn handelen het leven zou laten, bewust aanvaard.
Gezien het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot doodslag. Het verweer van de raadsman wordt daarom verworpen.
Parketnummer 18-129240-257
De rechtbank acht het onder feit 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten, zoals hieronder zakelijk weergegeven. Ieder bewijsmiddel is -ook in onderdelen- slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
Bewijsmiddelen (feit 1, 2 en 3)
Aangever [slachtoffer 2] (verder: aangever [slachtoffer 2] ) heeft verklaard dat hij op 28 april 2025 tussen 00:00 en 00:15 uur met twee vriendinnen in de [straatnaam] in Assen liep toen een onbekende jongen hen passeerde. Deze jongen kwam hierna met een glasscherf in zijn hand op hem af. De vluchtende aangever [slachtoffer 2] viel op de grond waarna de jongen boven op hem kwam en begon te snijden.
Aangever [slachtoffer 2] voelde een brandende pijn en raakte gewond aan zijn buik. Ook voelde hij pijn doordat de jongen hem hard in zijn linker bovenbeen beet.8 Getuige [getuige 2] (verder: getuige [getuige 2] ) bevestigde dat een onbekende jongen met een grote glasscherf in de richting van aangever [slachtoffer 2] rende waarna een worsteling ontstond. Ze heeft gezien dat aangever [slachtoffer 2] daarbij werd gebeten. Ook heeft zij verklaard dat ze de jongen ik maak je dood of woorden van gelijke strekking hoorde zeggen.9
Omstreeks 00:15 uur kreeg verbalisant [verbalisant 2] melding van het geweldsincident. Ter plaatse hoorde zij aangever [slachtoffer 2] zeggen dat hij uit het niets werd gestoken door een jongen en dat diezelfde jongen had gezegd dat hij hem zou vermoorden. Verbalisant [verbalisant 2] heeft beschreven dat aangever [slachtoffer 2] ter hoogte van zijn ribbenboog een snee van ongeveer tien centimeter had. Kort hierna kwam verdachte aanlopen waarna getuige [getuige 2] of aangever [slachtoffer 2] zei dat dit de jongen was die hem had gestoken.10 Ook getuige [getuige 1] (verder: getuige [getuige 1] ) heeft verklaard dat verdachte aan kwam lopen toen de politie ter plaatse kwam. Zij bevestigde dat verdachte op aangever [slachtoffer 2] af kwam met een stuk glas en gericht naar hem “I will kill you!” schreeuwde.11 Getuige [getuige 1] heeft gezien dat verdachte meerdere keren achter elkaar een gerichte steekbeweging naar de buik van aangever [slachtoffer 2] maakte.12
Aangever [slachtoffer 3] (verder: aangever [slachtoffer 3] ) woont aan de [adres] in Assen. Op 27 april 2025 iets voor middernacht hoorde hij glasgerinkel. Het middelste ruitje van zijn voordeur bleek kapot te zijn.13 Getuige [getuige 4] (verder: getuige [getuige 4] ) die vanuit haar woning zicht heeft op de woning van aangever [slachtoffer 3] zag in de nacht van 27 op 28 april 2025 dat een man met zijn voet tegen de middelste ruit van de deur trapte waarna de ruit van aangever [slachtoffer 3] brak.14 Ook getuige [getuige 5] (verder: getuige [getuige 5] ) heeft verklaard dat een man de middelste ruit van de voordeur van aangever [slachtoffer 3] kapot trapte.15 Aangever [slachtoffer 3] hoorde van getuigen [getuige 4] en [getuige 5] dat zij de politie hadden gebeld. Zelf heeft hij de camerabeelden van zijn ringdeurbelcamera
bekeken en hierop is te zien dat er op 28 april 2025 om 00.04 uur een man voor zijn woning stond.16
Ondertussen kreeg verbalisant [verbalisant 2] ook de camerabeelden van de vernieling aan de [adres] in Assen te zien. Hierop heeft zij gezien dat de persoon op de beelden volledig overeenkwam met verdachte die op dat moment voor haar stond. Na zijn aanhouding werd er bij verdachte een ademanalyse afgenomen met als uitslag 505 ug/l.17
Overwegingen (feit 1, 2 en 3)
Hoewel verdachte ter zitting heeft aangegeven als gevolg van alcohol en medicatiemisbruik in het geheel geen herinneringen meer te hebben aan de hem ten laste gelegde feiten leidt de rechtbank uit de voornoemde bewijsmiddelen het volgende af. Verdacht heeft omstreeks 28 april 2025 eerst een ruit in de voordeur van aangever [slachtoffer 3] vernield en kort hierna heeft hij aangever [slachtoffer 2] aangevallen en hem bedreigd met de dood. Verdachte heeft aangever [slachtoffer 2] verwond door hem meermalen met een stuk glas in de buikstreek te snijden en hem met kracht in zijn bovenbeen te bijten. Door zo te handelen heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank voorwaardelijk opzet gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Voor wat betreft de bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht is de rechtbank, anders dan de officier van justitie en de verdediging, van oordeel dat uit de bewijsmiddelen genoegzaam volgt dat aan het bewijsminimum van artikel 342, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering is voldaan.
Gezien het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder feit 1 primair, feit 2 en feit 3 ten laste gelegde.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het primair ten laste gelegde onder parketnummer 18-191961-25 en het onder feit 1 primair, feit 2 en feit 3 ten laste gelegde van parketnummer 18-129240-25 wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
Parketnummer 18-191961-25
hij op 23 juni 2025 te Bakkeveen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer 1] , van het leven te beroven, die [slachtoffer 1]
  • hard heeft geduwd, waardoor haar hoofd tegen een boom aan kwam,
  • meermalen gericht op haar hoofd en gezicht heeft geschopt en geslagen,
  • meermalen tegen haar lichaam heeft geschopt en geslagen en
  • met kracht bij haar hoofd heeft vastgepakt en/of omklemd met zijn armen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Parketnummer 18-129240-25
1
hij op 28 april 2025 te Assen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer 2] :
  • meermalen met een stuk glas in de buikstreek te snijden, en
  • met kracht in het bovenbeen te bijten,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2
hij op 28 april 2025 te Assen, [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die [slachtoffer 2] dreigend de woorden toe te voegen "I will kill you", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;
3
hij omstreeks 28 april 2025 te Assen, opzettelijk en wederrechtelijk een ruit in de voordeur, die aan [slachtoffer 3] toebehoorde heeft vernield.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:
Parketnummer 18-191961-25
Primair. poging tot doodslag.
Parketnummer 18-129240-25
primair. poging tot zware mishandeling.
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.
Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.
Strafmotivering
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder parketnummer
18-191961-25 primair en het onder parketnummer 18-129240-25 feit 1 primair en feit 3 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht. Voorts heeft zij oplegging van een dadelijk uitvoerbare terbeschikkingstelling (verder: TBS-maatregel) met de door de reclassering geadviseerde voorwaarden gevorderd, alsmede oplegging van de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking (verder: GVM-maatregel) van artikel 38z Wetboek van Strafrecht (verder: Sr). De officier van justitie heeft er bij haar vordering rekening mee gehouden dat de feiten verdachte in verminderde mate kunnen worden toegerekend.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft ten aanzien van het onder parketnummer 18-191961-25 subsidiair en het onder parketnummer 18-129240-25 feit 1 primair en feit 3 ten laste gelegde bepleit om aan verdachte een gevangenisstraf van 10 maanden op te leggen. Daarnaast heeft de raadsman bepleit dat er rekening moet worden gehouden met het feit dat is geadviseerd de delicten in verminderde mate toe te rekenen aan verdachte. In dat kader is daarom bepleit om aan verdachte een TBS-maatregel met voorwaarden op te leggen. De raadsman heeft zich verzet tegen oplegging van de GVM-maatregel, omdat oplegging hiervan niet noodzakelijk is gelet op de deskundigenrapportages, de intrinsieke motivatie van verdachte en alle mogelijkheden die de TBS-maatregel met voorwaarden biedt.
Het oordeel van de rechtbank
Algemeen
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de hierna genoemde rapportages, het strafblad, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.
Ernst van de feiten
Verdachte, destijds 24 jaar oud, heeft onder invloed van alcohol en medicatie meerdere geweldsdelicten gepleegd tegen willekeurige en hem onbekende slachtoffers. Naast de geweldsdelicten heeft verdachte zich ook nog schuldig gemaakt aan vernieling.
In de nacht van 28 april 2025 heeft verdachte in het centrum van Assen geprobeerd om een voorbijganger zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Uit het niets kwam verdachte met een glasscherf in zijn hand op het slachtoffer af. Nadat het slachtoffer probeerde te vluchten werd hij door verdachte in zijn buikstreek gesneden en in zijn bovenbeen gebeten. Tijdens deze aanval heeft verdachte het slachtoffer ook nog bedreigd door naar hem te schreeuwen dat hij hem zal vermoorden. Nog geen twee maanden later vond er opnieuw een geweldsexplosie plaats waarbij verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot doodslag. Op 23 juni 2025 liet een vrouw s avonds nietsvermoedend haar hond uit in het bos van Bakkeveen toen zij plotseling werd aangevallen door verdachte. Hij stormde op haar af en gaf haar een duw waardoor zij met haar hoofd tegen een boom aan kwam en op de grond viel. Hierna heeft hij het slachtoffer extreem toegetakeld door langere tijd onophoudelijk op haar hoofd, gezicht en lichaam te schoppen en te slaan.
Verdachte heeft met zijn handelen op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers. De rechtbank vindt het zorgelijk dat verdachte in de loop van de tijd steeds gewelddadiger werd. Verdachte heeft destijds geen acht geslagen op de angst, de pijn en de verstrekkende gevolgen van zijn handelen op de slachtoffers. Naast lichamelijke pijn heeft dit ook psychisch leed meegebracht, hetgeen zonder meer voorstelbaar is, maar ook blijkt uit de namens slachtoffer [slachtoffer 1] voorgedragen slachtofferverklaring.
De feiten zijn bovendien ook door omstanders en buurtbewoners niet onopgemerkt gebleven. Zij zijn ongewild getuige geweest van het excessieve geweld en dat zal bijdragen aan een gevoel van onveiligheid. Ook in het algemeen maakt dit soort feiten een grove inbreuk op de rechtsorde en versterkt en bevestigt het de in de samenleving levende gevoelens van angst en onveiligheid.
De rechtbank heeft er tot slot ook rekening mee gehouden dat verdachte ter zitting berouw heeft getoond en zich schuldbewust heeft opgesteld. Hij is geschrokken van zijn handelen en heeft ter zitting te kennen gegeven dat hij herhaling wil voorkomen.
Strafblad
De rechtbank heeft kennis genomen van het strafblad van 26 januari 2026, waaruit blijkt dat verdachte één keer eerder onherroepelijk is veroordeeld voor een geweldsfeit.
Persoon van verdachte
De rechtbank heeft kennis genomen van het psychologisch en psychiatrisch onderzoek Pro Justitia, opgesteld door N. van der Weegen, GZ-psycholoog op 23 oktober 2025 en door J.M. Westenbroek, psychiater op 19 november 2025.
Door de deskundigen is geconcludeerd dat verdachte lijdt aan een ernstige stoornis in het gebruik van alcohol en benzodiazepinen (ten tijde van het onderzoek in remissie in een gereguleerde omgeving), een borderline persoonlijkheidsstoornis, een paniekstoornis en een depressieve stoornis, matig ernstig, recidiverend.
Bij alle ten laste gelegde feiten was verdachte onder invloed van alcohol en benzodiazepinen. Door zijn stoornissen is verdachte in sterk verminderde mate in staat om anders om te gaan met zijn emoties dan door middelen te gebruiken. Ook heeft hij hierdoor onvoldoende grip op zijn zelfcontrole. Onder invloed lijkt bij verdachte alle weggedrukte boosheid naar boven te komen en te worden uitgeageerd, hetgeen leidde tot de tenlastegelegde feiten. Geadviseerd is daarom om alle ten laste gelegde feiten in verminderde mate aan hem toe te rekenen.
De rechtbank kan zich met voornoemde inhoud en conclusies verenigen en is van oordeel dat alle bewezen verklaarde feiten verdachte in verminderde mate kunnen worden toegerekend.
De deskundigen hebben voorts geconcludeerd dat de kans op herhaling van gewelddadig gedrag hoog is als er geen behandeling zal plaatsvinden. Hoewel verdachte in detentie enigszins is gestabiliseerd, is zijn onderliggende problematiek groot. Zijn forse verslavingsproblematiek is een uiting van ernstige onderliggende, nog maar zeer beperkt behandelde andere stoornissen. Wanneer deze niet intensiever behandeld worden is de kans dat verdachte bij enige spanning en stress opnieuw vervalt in een patroon
van niet weten hoe hij hiermee om moet gaan en opnieuw willen dempen zeer groot. Verdachte is gebaat bij een intensieve behandeling binnen een forensische verslavingskliniek met een hoog beveiligingsniveau en wil hier ook aan meewerken. Verwacht wordt dat dit een langdurige behandeling zal zijn waarbij verdachte geleidelijk kan toewerken naar meer zelfstandigheid. Gelet hierop en het feit dat eerder vrijwillige opnames zijn mislukt ondanks de motivatie van verdachte bij de start, wordt geadviseerd om verdachte een TBS-maatregel met voorwaarden op te leggen. Binnen het kader van een TBS-maatregel met voorwaarden kan de behandeling worden verlengd zolang als nodig is en bestaat niet het risico dat verdachte onbehandeld terug de maatschappij in komt.
Uit het reclasseringsadvies van 16 februari 2026, opgesteld door [reclasseringswerker] , reclasseringswerker bij GGZ VNN Leeuwarden blijkt onder meer dat verdachte zijn paniek en depressie verdooft met alcohol en benzodiazepinen. Onder invloed komt echter alle weggedrukte boosheid juist naar boven in impulsieve agressie. Verdachte verliest dan alle controle en handelt gewelddadig. De kans op recidive en letsel wordt daarom ingeschat als hoog. De reclassering adviseert positief over een TBS-maatregel met voorwaarden, omdat dit de noodzakelijke structuur en druk biedt om ook bij moeilijke momenten door te zetten. Verdachte heeft tot nu toe laten zien dat hij hiervoor gemotiveerd is en er lijkt dan ook sprake te zijn van voldoende betrouwbare bereidheid tot samenwerking binnen dit kader en voorkomt dat verdachte onbehandeld terugkeert in de maatschappij. Door de reclassering zijn de navolgende voorwaarden geadviseerd waartoe verdachte zich bereid heeft verklaard daaraan mee te werken: geen strafbare feiten plegen, meewerken aan reclasseringstoezicht, meewerken aan een time-out, niet naar het buitenland gaan, opname in een zorginstelling, meewerken aan ambulante behandeling en verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang en een verbod op verdovende middelen. Gelet op de kans op herhaling heeft de reclassering de dadelijke uitvoerbaarheid van voornoemde voorwaarden geadviseerd. Daarnaast is geadviseerd om aan verdachte een GVM-maatregel op te leggen. Deze maatregel biedt een vangnet voor de periode na beëindiging van de TBS-maatregel met voorwaarden en voorkomt dat begeleiding te zijner tijd moet worden beëindigd terwijl het risico op terugval nog aanwezig is.
Op te leggen TBS-maatregel met voorwaarden
De rechtbank zal aan verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden opleggen, omdat oplegging hiervan noodzakelijk wordt geacht ter vermindering van de risicofactoren. Op grond van artikel 37a Sr zijn aan oplegging van de TBS-maatregel een aantal voorwaarden gesteld, te weten:
bij verdachte moet tijdens het begaan van het feit een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens hebben bestaan;
op het begane misdrijf moet een gevangenisstraf van vier jaar of meer zijn gesteld;
de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen, moet het opleggen van een TBS-maatregel eisen;
er is recente multidisciplinaire gedragsrapportage opgemaakt.
Aan de gestelde voorwaarden is in onderhavige zaak voldaan. De door verdachte gepleegde poging tot doodslag en poging tot zware mishandeling betreffen feiten waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld. Daarnaast stelt de rechtbank op grond van de door de deskundigen opgemaakte rapportages vast dat er sprake was van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van verdachte die ook aanwezig was ten tijde van de gepleegde feiten en dat aan het gevaarscriterium is voldaan. Verdachte heeft zich ter zitting bovendien nadrukkelijk bereid verklaard om de geadviseerde voorwaarden na te leven.
De TBS-maatregel met voorwaarden heeft, gelet op hetgeen is bepaald in artikel 38e lid 2 Sr een maximale duur van negen jaren. De bewezenverklaarde feiten zijn misdrijven gericht tegen of gevaar veroorzakend voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen. Mocht de behandeling niet goed verlopen, omdat verdachte de opgelegde voorwaarden niet naleeft, dan kan alsnog worden bevolen dat verdachte van overheidswege wordt verpleegd. In dat geval is de duur van de maatregel ongemaximeerd.
De rechtbank zal, ter bescherming van de samenleving, zowel de dadelijke uitvoerbaarheid van de TBS-maatregel met voorwaarden als de schorsing van de voorlopige hechtenis opleggen. Aan deze schorsing zullen dezelfde voorwaarden worden verbonden als opgelegd bij de maatregel. Het doel is om zeker te stellen dat verdachte de noodzakelijke behandeling krijgt, ook wanneer hij hoger beroep instelt.
Op te leggen straf
De aard en ernst van de bewezen verklaarde feiten rechtvaardigt dat een vrijheidsbenemende straf van aanzienlijke duur in de vorm van een gevangenisstraf aan verdachte wordt opgelegd. De rechtbank houdt bij de strafoplegging echter ook rekening met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte en zijn jeugdige leeftijd. Daarbij is ook meegewogen dat de op te leggen TBS-maatregel, gelet op de ingeschatte behandelduur, de nodige tijd zal vergen. De rechtbank zal daarom een lagere gevangenisstraf opleggen dan is gevorderd door de officier van justitie.
Alles afwegende acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van de reeds ondergane voorlopige hechtenis, passend en geboden.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van Pro het Wetboek van Strafvordering.
Op te leggen GVM-maatregel
Ten aanzien van de verzochte maatregel als bedoeld in artikel 38z Sr overweegt de rechtbank als volgt. Uit het reclasseringsrapport volgt dat externe structuur voor verdachte cruciaal is. Gelet op de aard en complexiteit van zijn problematiek is daarnaast de kans reëel dat verdachte ook na de TBS-behandeling nog structuur en toezicht nodig heeft. Daarom is de GVM-maatregel geadviseerd.
De rechtbank acht het van belang dat er na beëindiging van de TBS-maatregel langdurig toezicht mogelijk blijft wanneer er nog ernstige zorgen bestaan over de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen. De rechtbank zal daarom, anders dan door de raadsman is bepleit, een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38z Sr opleggen.
Vanwege het hoge recidiverisico en ter voorkoming van nieuwe slachtoffers acht de rechtbank deze maatregel noodzakelijk. Ook stelt de rechtbank vast dat aan de wettelijke vereisten voor oplegging van deze maatregel is voldaan. De maatregel wordt opgelegd ter bescherming van de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen. Of het komt tot daadwerkelijke tenuitvoerlegging van de maatregel en nadere invulling daarvan, is afhankelijk van de daartoe in te dienen vordering van de officier van justitie en de daarop door de rechtbank die in eerste aanleg heeft kennisgenomen van het misdrijf waarvoor de maatregel is opgelegd, te nemen beslissing. De GVM-maatregel geldt dus als vangnet voor het geval dat het risico op een terugval na beëindiging van de TBS-
maatregel met voorwaarden nog aanwezig is.

Benadeelde partijen

De volgende personen hebben zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding:
Parketnummer 18-191961-25
1. [slachtoffer 1] (primair) tot een bedrag van 9.011,35, bestaande uit 2.511,35 aan materiële schade en 6.500,00 aan immateriële schade;

Parketnummer 18-129240-25

2. [ [slachtoffer 2] (feit 1 primair) tot een bedrag van 3.250,00, bestaande uit 250,00 aan materiële schade en 3.000.00 aan immateriële schade;
2. [ [slachtoffer 3] (feit 3) tot een bedrag van 686,95, bestaande uit materiële schade.
Alle benadeelde partijen hebben verzocht de vordering te verhogen met de wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f Sr.
Het standpunt van de officier van justitie
[slachtoffer 1] (parketnummer 18-191961-25, primair)
De officier van justitie heeft geconcludeerd dat deze vordering voldoende is onderbouwd en daarom geheel toewijsbaar is, vermeerderd met wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.
[slachtoffer 2] (parketnummer 18-129240-25, feit 1 primair)
De officier van justitie heeft geconcludeerd dat deze vordering voldoende is onderbouwd en daarom geheel toewijsbaar is, vermeerderd met wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.
[slachtoffer 3] (parketnummer 18-129240-25, feit 3)
De officier van justitie heeft geconcludeerd dat deze vordering gedeeltelijk toewijsbaar is, te weten tot de herstelkosten van één van de zes ruiten, vermeerderd met wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de verdediging
[slachtoffer 1] (parketnummer 18-191961-25, primair)
De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
[slachtoffer 2] (parketnummer 18-129240-25, feit 1 primair)
De raadsman heeft bepleit de gevorderde immateriële schade te matigen tot een bedrag van 1.500,00.
[slachtoffer 3] (parketnummer 18-129240-25, feit 3)
De raadsman heeft bepleit dat de vordering toewijsbaar is tot een bedrag van 150,74, te weten de gemaakte herstelkosten ter vervanging van de vernielde ruit. De overige kosten worden betwist, omdat de gemaakte kosten ter vervanging van de overige vijf ruiten niet is onderbouwd.
Het oordeel van de rechtbank
[slachtoffer 1] (parketnummer 18-191961-25, primair)
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij de gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder parketnummer 18-191961-25 primair bewezen verklaarde. De vordering, waarvan de hoogte niet door verdachte en diens raadsman is betwist, zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 23 juni 2025.
[slachtoffer 2] (parketnummer 18-129240-25, feit 1 primair)
Ten aanzien van de materiële schade overweegt de rechtbank als volgt. Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij de gestelde schade van 250,00 heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder feit 1 primair van parketnummer 18-129240-25 bewezen verklaarde. Deze post, waarvan de hoogte niet door verdachte en diens raadsman is betwist, zal daarom worden toegewezen.
Ten aanzien van de immateriële schade overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank is van oordeel dat voldoende aannemelijk is gemaakt dat de benadeelde partij psychische schade heeft geleden en dat ook deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder feit 1 primair van parketnummer 18-129240-25 bewezen verklaarde. De benadeelde partij is immers in het centrum van Assen uit het niets door verdachte aangevallen en in zijn buik gesneden met een stuk glas. De begroting van immateriële schade geschiedt naar billijkheid met inachtneming van alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de aansprakelijke te maken verwijt, alsmede de aard van de gevolgen daarvan voor de benadeelde partij, de ernst daarvan en de verwachting ten aanzien van het herstel. Voorts dient de rechter bij de begroting, indien mogelijk, te letten op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend. Gelet hierop acht de rechtbank 1.500,00 billijk ter vergoeding van de door hem geleden schade. De rechtbank zal deze post daarom tot dit bedrag toewijzen en het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk verklaren.
Het totaalbedrag van 1.750,00 zal worden toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 28 april 2025.
[slachtoffer 3] (parketnummer 18-129240-25, feit 3)
Naar het oordeel van de rechtbank is door het bewezen verklaarde rechtstreekse schade toegebracht aan één van de zes ruiten van de voordeur van de benadeelde partij. Uit de vordering volgt echter dat deze ziet op de vervanging van alle zes de ruiten. Met de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de schade toewijsbaar is tot een bedrag van 150,74. Te weten de herstelkosten ter vervanging van één ruit inclusief btw. De rechtbank zal de vordering daarom tot dit bedrag toewijzen en voor het overige niet-ontvankelijk verklaren.
Schadevergoedingsmaatregel
Omdat de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank telkens de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.
Veroordeling in de kosten
De rechtbank zal verdachte telkens veroordelen in de kosten die de benadeelde partijen tot aan deze uitspraak in verband met de vorderingen hebben gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partijen ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moeten maken.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f, 37a, 38, 38a, 38z, 45, 57, 60a, 285, 287, 302 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het primair ten laste gelegde onder parketnummer 18-191961-25 en het onder feit 1 primair, feit 2 en feit 3 ten laste gelegde van parketnummer 18-129240-25 bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:

Een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.
Gelast dat veroordeelde ter beschikking zal worden gesteld en stelt daarbij de volgende voorwaarden:
Veroordeelde maakt zich niet schuldig aan een strafbaar feit;
Veroordeelde werkt mee aan het reclasseringstoezicht. Deze medewerking houdt onder andere in:
  • Veroordeelde meldt zich op afspraken bij de reclassering. De reclassering bepaalt hoe vaak dat nodig is;
  • Veroordeelde laat een of meer vingerafdrukken nemen en laat een geldig identiteitsbewijs zien. Dit is nodig om de identiteit van veroordeelde vast te stellen;
  • Veroordeelde houdt zich aan de aanwijzingen van de reclassering. De reclassering kan aanwijzingen geven die nodig zijn voor de uitvoering van het toezicht of om veroordeelde te helpen bij het naleven van de voorwaarden;
  • Veroordeelde helpt de reclassering aan een actuele foto waarop zijn/haar gezicht herkenbaar is. Deze foto is nodig voor opsporing bij ongeoorloofde afwezigheid.
  • Veroordeelde werkt mee aan huisbezoeken;
  • Veroordeelde geeft de reclassering inzicht in de voortgang van begeleiding en/of behandeling door andere instellingen of hulpverleners;
  • Veroordeelde vestigt zich niet op een ander adres zonder toestemming van de reclassering;
  • Veroordeelde werkt mee aan het uitwisselen van informatie met personen en instanties die contact hebben met veroordeelde, als dat van belang is voor het toezicht.
3. Als de reclassering dat nodig vindt en veroordeelde daarmee instemt, kan veroordeelde voor een time-out worden opgenomen in een Forensisch Psychiatrisch Centrum (FPC) of andere instelling. Deze time-out duurt totdat de reclassering of veroordeelde deze beëindigt, maar maximaal zeven weken, met de mogelijkheid van verlenging met nog eens maximaal zeven weken, tot maximaal veertien weken per jaar;
4. Veroordeelde gaat niet naar het buitenland of het Caribisch deel van het Koninkrijk der Nederlanden, zonder toestemming van de reclassering;
5. Veroordeelde laat zich zolang de reclassering dat nodig vindt opnemen in en behandelen door de FVK Basalt of een soortgelijke zorginstelling, te bepalen door de voor plaatsing verantwoordelijke instantie. Ook wanneer blijkt dat overbruggingszorg nodig is zal veroordeelde hier zijn medewerking aan verlenen. De zorginstelling bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is onder andere gericht op de psychische problematiek, verslavingsproblematiek, agressiebeheersing en cognitieve vaardigheden van veroordeelde. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat veroordeelde voorgeschreven medicatie zal gebruiken. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen van de zorginstelling en de behandelaren. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg of verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang nodig vindt, werkt veroordeelde mee aan de indicatiestelling en plaatsing;
6. Veroordeelde laat zich behandelen door een ambulante zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is onder andere gericht op zijn psychische problematiek, verslavingsproblematiek, agressiebeheersing en cognitieve vaardigheden. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat veroordeelde voorgeschreven medicatie zal gebruiken;
7. Veroordeelde verblijft, als de reclassering dat nodig vindt, in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt;
8. Veroordeelde gebruikt geen verdovende middelen die zijn genoemd in lijst I (harddrugs) en of lijst II (softdrugs) van de Opiumwet, noch middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA, tenzij de reclassering hiervoor toestemming heeft gegeven. De reclassering voegt aan dit middelenverbod ook benzodiazepines toe. Veroordeelde moet meewerken aan controles door middel van urineonderzoek, ademonderzoek of een speekseltest. De reclassering bepaalt de frequentie en het type controle.
Draagt GGZ VNN Leeuwarden op de veroordeelde bij de naleving van de voorwaarden hulp en steun te verlenen.
Beveelt dat de op grond van artikel 38, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht gestelde voorwaarden en het hierop uit te oefenen toezicht,
dadelijk uitvoerbaar zijn.
Schorst de voorlopige hechtenismet ingang van het tijdstip waarop de duur van deze hechtenis gelijk wordt aan de duur van de aan veroordeelde onvoorwaardelijke opgelegde gevangenisstraf. Aan deze schorsing zijn dezelfde voorwaarden verbonden zoals hiervoor onder 1 tot en met 8 opgenomen bij de opgelegde maatregel van terbeschikkingstelling.
Legt aan veroordeelde op de
maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking
als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht.
Ten aanzien van benadeelde partij
[slachtoffer 1], parketnummer 18-191961-25, primair:
Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] toe en veroordeelt verdachte om aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] te betalen:
  • het bedrag van 9.011,35 (zegge: negenduizend elf euro en vijfendertig eurocent);
  • de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 23 juni 2025 tot de dag van algehele voldoening;
  • de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.
Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 1] aan de Staat te betalen een bedrag van 9.011,35 (zegge: negenduizend elf euro en vijfendertig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 juni 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit 2.511,35 aan materiële schade en 6.500,00 aan immateriële schade.
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 70 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.
Ten aanzien van benadeelde partij
[slachtoffer 2], parketnummer 18-129240-25, feit 1 primair:
Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte om aan benadeelde partij [slachtoffer 2] te betalen:
  • het bedrag van 1.750,00 (zegge: duizend zevenhonderdvijftig euro);
  • de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 28 april 2025 tot de dag van algehele voldoening;
  • de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.
Verklaart de vordering van benadeelde partij [slachtoffer 2] voor het overige niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van benadeelde partij [slachtoffer 2] aan de Staat te betalen een bedrag van 1.750,00 (zegge: duizend zevenhonderdvijftig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 april 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit 250,00 aan materiële schade en 1.500,00 aan immateriële schade.
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 17 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.
Ten aanzien van benadeelde partij
[slachtoffer 3], parketnummer 18-129240-25, feit 3:
Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte om aan benadeelde partij [slachtoffer 3] te betalen:
  • het bedrag van 150,74 (zegge: honderdvijftig euro en vierenzeventig eurocent);
  • de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 28 april 2025 tot de dag van algehele voldoening;
  • de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.
Verklaart de vordering van benadeelde partij [slachtoffer 3] voor het overige niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van benadeelde partij [slachtoffer 3] aan de Staat te betalen een bedrag van 150,74 (zegge: honderdvijftig euro en vierenzeventig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 april 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat geheel uit materiële schade.
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 1 dag kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.G.W. Lootsma-Oude Nijeweme, voorzitter, mr. S.T. Kooistra en mr. G.C. Koelman, rechters, bijgestaan door mr. M. Linde, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 5 maart 2026.
1. Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpaginas, zijn dit paginas uit het dossier van de politie
Eenheid Noord-Nederland, Districtsrecherche Fryslân met het proces-verbaal nummer NN1R025078 (genaamd: PREHNIET), doorgenummerd 1 tot en met 142, met losse aanvullingen. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van voornoemd dossier.
2 Pagina 86.
3 Pagina 76.
4 Paginas 52, 132 en 133.
5 Forensisch medisch rapportage, opgesteld door [arts i.o.] , forensisch arts in opleiding onder supervisie
van [arts] , forensisch arts d.d. 18 september 2025, paginas 1 tot en met 4, 15 en 17.
6 Paginas 32 en 36.
7 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpaginas, zijn dit paginas uit het dossier van de politie
Eenheid Noord-Nederland met het proces-verbaal nummer PL0100-2025109933, doorgenummerd 1 tot en met 75, met losse aanvullingen. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van voornoemd dossier.
8 Pagina 9.
9 Pagina 22.
10 Pagina 22.
11 Pagina 15.
12 Pagina 28.
13 Pagina 30.
14 Pagina 34.
15 Pagina 37.
16 Pagina 30.
17 Paginas 23 en 27.