ECLI:NL:RBNNE:2026:779

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
12 maart 2026
Publicatiedatum
13 maart 2026
Zaaknummer
LEE 25/4756
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:12 AwbArt. 8:55c AwbArt. 8:55d AwbArt. 4:17 AwbArt. 4:18 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank stelt nadere beslistermijn en dwangsom vast voor UWV bij niet tijdig beslissen op WIA-bezwaar

Deze bestuursrechtelijke uitspraak betreft de termijn waarbinnen het UWV moet beslissen op een bezwaarschrift van eiseres op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Het staat vast dat UWV de wettelijke beslistermijn heeft overschreden. UWV heeft toegelicht dat grote achterstanden en wachttijden ontstaan door een tekort aan verzekeringsartsen, waardoor prioriteit wordt gegeven aan eerste aanvragen op grond van de Wajong.

De rechtbank heeft eerder een uitgangspunt vastgesteld voor herbeoordelingen en sluit nu aan bij dit principe voor besluiten op bezwaar. Dit betekent dat UWV een besluit op bezwaar binnen 60 weken moet bekendmaken, gerekend vanaf de datum waarop de wettelijke beslistermijn is overschreden. Indien al een beoordeling door een verzekeringsarts heeft plaatsgevonden, geldt een kortere termijn van vier weken.

De rechtbank erkent de problematiek bij UWV, maar benadrukt het belang van tijdige besluitvorming voor de bezwaarmaker. Het opleggen van een onrealistische termijn zou leiden tot onnodige dwangsommen en ondermijnt de geloofwaardigheid van de rechtstaat. Daarom wordt een realistische termijn vastgesteld met een dwangsom van €100 per dag, met een maximum van €15.000.

In deze zaak moet UWV uiterlijk op 16 december 2026 een besluit op bezwaar nemen. Daarnaast wordt UWV veroordeeld tot betaling van een dwangsom voor de reeds verstreken termijn, het griffierecht en proceskosten aan eiseres. De rechtbank benadrukt dat de wetgever aan zet is om de structurele problemen in de uitvoering van het arbeidsongeschiktheidsstelsel op te lossen.

Uitkomst: UWV moet binnen 60 weken na overschrijding van de beslistermijn een besluit op bezwaar nemen en betaalt een dwangsom bij overschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 25/4756

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 maart 2026 in de zaak tussen

Vereniging voor Gereformeerd Primair Onderwijs Noordoost-Nederland, te Noordhorn, eiseres
(gemachtigde: K. Loef),
en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekering (Uwv)

(gemachtigden: E. Huls en M. Hoogeveen).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de termijn waarbinnen Uwv moet beslissen op het bezwaarschrift van eiseres op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet Wia). Dat de geldende beslistermijn is overschreden, staat tussen partijen niet ter discussie. Uwv heeft in de stukken en tijdens de zitting uitgelegd dat er grote achterstanden en wachttijden zijn door een tekort aan verzekeringsartsen. Een besluit op bezwaar zal niet op korte termijn genomen worden, omdat de prioriteit ligt bij eerste aanvragen op grond van de Wajong [1] en Wet Wia.
1.1.
De rechtbank heeft eerder al geoordeeld dat sprake is van een bijzonder geval gelet op het tekort aan verzekeringsartsen. In de uitspraak van 27 november 2025 [2] heeft de rechtbank de nadere beslistermijn en de hoogte van de dwangsom vastgesteld die als uitgangspunt worden gehanteerd in zaken waarbij het gaat om een (herbeoordelings)aanvraag en waarbij een medisch advies van een verzekeringsarts nodig is.
1.2.
In deze uitspraak stelt de rechtbank de nadere beslistermijn vast die als uitgangspunt geldt in zaken waarbij niet op tijd is beslist op een bezwaarschrift.

Procesverloop

2. Uwv heeft op 1 april 2025 besloten de Wia-uitkering van een (oud-)werkneemster van eiseres niet te wijzigen. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen deze beslissing. Eiseres heeft Uwv in gebreke gesteld, omdat nog geen beslissing op bezwaar was genomen. Vervolgens heeft eiseres beroep ingesteld, omdat Uwv niet op tijd zou hebben beslist.
2.1.
De rechtbank heeft het beroep op 3 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en zijn kantoorgenoten E. Kwakernaak en C.A. van der Berg en de gemachtigden van Uwv. Omdat het beroep alleen gaat over het niet tijdig beslissen, is de (oud-)werkneemster van eiseres niet uitgenodigd.

Beoordeling door de rechtbank

Het beroep is ontvankelijk en gegrond
3. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. [3]
3.1.
Uwv heeft de beslistermijn [4] verdaagd tot 21 oktober 2025. Tussen partijen is niet in geschil dat de beslistermijn om op het bezwaar te beslissen, is verstreken. Eiseres heeft Uwv rechtsgeldig in gebreke gesteld en gevraagd om alsnog binnen twee weken te beslissen. Uwv heeft dit niet gedaan en eiseres heeft vervolgens beroep ingesteld. Het beroep is ontvankelijk en gegrond.
De nadere beslistermijn
4. Als het beroep gegrond is en het bestuursorgaan nog geen besluit bekendgemaakt heeft, bepaalt de rechtbank dat het bestuursorgaan binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekendmaakt. [5] In bijzondere gevallen of als dit vanwege een wettelijk voorschrift nodig is, kan de rechtbank een andere termijn geven of een andere voorziening treffen. [6] Volgens vaste rechtspraak moet deze andere termijn niet onnodig lang, maar ook niet onrealistisch kort zijn. [7]
4.1.
In de uitspraak van 27 november 2025 [8] heeft de rechtbank geoordeeld dat er gelet op het tekort aan verzekeringsartsen sprake is van een bijzonder geval. De rechtbank heeft nadere beslistermijnen bepaald die in de regel worden gehanteerd als niet tijdig op een Wia-(herbeoordelings)aanvraag is beslist. In de uitspraak is niet ingegaan op de nadere beslistermijn bij besluiten op bezwaar. Omdat naar het oordeel van de rechtbank ook in die situatie sprake is van een bijzonder geval, is de vraag nu opnieuw welke beslistermijn de rechtbank aan Uwv moet opleggen.
De door Uwv geschetste problematiek
5. Uwv heeft in het aanvullende verweerschrift en tijdens de zitting – kort samengevat – een toelichting gegeven op de problematiek waardoor niet tijdig kan worden beslist. Volgens Uwv zijn er twee categorieën zaken waarbij het vaak niet lukt om op tijd te beslissen op het bezwaar. Hierbij gaat het allereerst om bezwaarzaken waarbij zowel een verzekeringsarts bezwaar & beroep [9] als een arbeidsdeskundige bezwaar & beroep ingezet moet worden. Uwv heeft toegelicht dat de wachttijd voor een afspraak met de VA b&b momenteel ongeveer vijf maanden is. De tweede categorie betreft bezwaarzaken waarbij er geen actueel sociaal-medisch oordeel is en dit alsnog moet worden verzorgd door de afdeling Sociaal-Medische Zaken. Gemiddeld wordt meer dan 315 dagen gewacht op de afhandeling van deze zogenoemde teruglegging.
5.1.
Uwv heeft verder gewezen op de Kamerbrief van 19 december 2025 [10] waarin de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft toegelicht dat sociaal-medische beoordelingen worden geprioriteerd gelet op de schaarse capaciteit. De Wajong- en WIA-claimbeoordelingen hebben prioriteit boven de andere sociaal-medische beoordelingen, omdat bij deze beoordeling het recht op een uitkering moet worden vastgesteld. In de brief is toegelicht dat Uwv ernaar streeft om een (zeer) beperkte groep mensen die in de meest schrijnende situaties verkeren, toch te helpen waar het gaat om herbeoordelingen en bezwaar- en beroepzaken. Tijdens de zitting is toegelicht deze prioritering ingaat vanaf 2026, dat werkwijzen nog moeten worden uitgewerkt en dat de precieze gevolgen voor bestaande zaken nog onduidelijk zijn. Anders dan voorheen krijgen zaken waarin een beroep niet tijdig beslissen wordt ingediend geen prioriteit meer.
De standpunten van partijen
6. Uwv heeft tijdens de zitting toegelicht dat gelet op het voorgaande de kans groot is dat een door de rechtbank vastgestelde nadere beslistermijn, hoe lang die ook is, niet wordt gehaald.
6.1.
Volgens eiseres is er gelet op dit standpunt van Uwv geen reden om af te wijken van de wettelijke beslistermijn van twee weken na de dag van verzending van de uitspraak. Verder wijst eiseres erop dat het tekort aan verzekeringsartsen al minstens tien jaar bekend is en dit nog steeds niet is opgelost. Ook wordt volgens eiseres niet altijd zorgvuldig gewerkt door Uwv hetgeen procedures in de hand werkt.
De nadere beslistermijn
7. De rechtbank acht de problematiek bij Uwv zeer zorgelijk. Een bezwaarmaker heeft een groot belang bij een zo snel mogelijk besluit. Daar tegenover staat dat Uwv in staat moet zijn om op een zorgvuldige wijze tot een besluit te komen. Het is zeer onwenselijk als wettelijke beslistermijnen worden overschreden en belanghebbenden lang op een beslissing moeten wachten. Aan de andere kant is het zinloos een beslistermijn te stellen waarbij op voorhand vaststaat dat Uwv die niet kan halen. Dit zou als resultaat hebben dat hoge bedragen aan dwangsommen worden verbeurd, die worden betaald met publieke middelen. De rechtbank ziet zich gelet op dat wat hiervoor, onder 5 tot en met 6.1, is geschetst voor een dilemma gesteld. Het is zeer de vraag welke nadere beslistermijn realistisch is. Uwv geeft immers bij voorbaat al aan dat een door de rechtbank vastgestelde nadere beslistermijn waarschijnlijk niet gehaald zal worden. Kortom: dat een uitspraak van de rechtbank waarschijnlijk niet nageleefd zal worden. Dit ondermijnt de geloofwaardigheid in de rechtstaat. De mate waarin de bestuursrechter effectief rechtsbescherming kan bieden, hangt immers ook af van de naleving van rechterlijke uitspraken door de overheid. De rechtbank acht dit zeer onwenselijk en zorgelijk. Eiseres heeft gewezen op verschillende rapporten en onderzoeken over het arbeidsongeschiktheidsstelsel. Duidelijk is dat er een groot probleem in de uitvoering is. Niet de rechter, maar de wetgever is aan zet om te komen tot een oplossing. Tegelijkertijd is het de rechtbank duidelijk geworden dat de inspanningen van Uwv niet op korte termijn zullen leiden tot het verkorten van de behandelduur. Al deze feiten, omstandigheden en belangen afwegende, komt de rechtbank tot de volgende beslistermijn en de daaraan verbonden dwangsom.
7.1.
De rechtbank zal voor wat betreft de nadere beslistermijn in bezwaarzaken aansluiten bij het eerder vastgestelde uitgangspunt voor herbeoordelingen. [11] Dit betekent dat de rechtbank in beroepen tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar in Wia-zaken zal bepalen dat Uwv een besluit moet bekendmaken binnen 60 weken, gerekend vanaf de datum waarop de wettelijke beslistermijn is overschreden. Van deze 60 weken moeten ten minste twaalf weken zijn gelegen na de dag van verzending van de uitspraak op het beroep gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Als de 60 weken al zijn verstreken op de datum van de uitspraak, dan geldt een nadere beslistermijn van twaalf weken na de dag van verzending van de uitspraak. Als blijkt dat er al een beoordeling door de verzekeringsarts heeft plaatsgevonden, zal de rechtbank bepalen dat Uwv een nadere beslistermijn krijgt van vier weken na de dag van verzending van de uitspraak.
Bijzondere feiten of omstandigheden
8. Bijzondere feiten of omstandigheden kunnen aanleiding geven om van de hiervoor genoemde termijnen af te wijken. Het is dan aan de partijen om bijzondere feiten of omstandigheden met betrekking tot de individuele zaak aan te voeren, die zouden moeten leiden tot verkorting dan wel verlenging van deze termijn.
Dwangsom
9. De rechtbank zal een dwangsom aan haar uitspraken verbinden voor iedere dag dat Uwv in gebreke blijft de uitspraak na te leven. [12] Volgens het landelijke dwangsombeleid [13] van de rechtbanken wordt daarbij in de regel een dwangsom bepaald van € 100,- per dag, met een maximum van € 15.000,-. De rechtbank ziet geen aanleiding om van deze beleidslijn af te wijken en zal in haar uitspraken aan overschrijding van de hiervoor genoemde nadere termijn deze dwangsom en maximumbedrag verbinden. Het voorgaande laat onverlet dat in concrete gevallen aanleiding kan bestaan van dit beleid af te wijken.
Toepassing op deze beroepszaak
10. Het beroep niet tijdig beslissen van eiseres is gegrond. De rechtbank zal bepalen dat Uwv een nadere beslistermijn krijgt van 60 weken na de datum waarop de beslistermijn op het bezwaar is verstreken. Dit betekent dat Uwv uiterlijk op 16 december 2026 een besluit op bezwaar bekend moet maken. De rechtbank bepaalt dat Uwv een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door Uwv. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-.
10.1.
Eiseres heeft verzocht om de bestuurlijke dwangsom vast te stellen. [14] Uwv heeft dit nog niet gedaan. De rechtbank doet dit op grond van artikel 8:55c van de Awb nu alsnog. De dwangsom is in dit geval verschuldigd voor de maximale periode en bedraagt € 1.442,-.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt, Uwv uiterlijk op 16 december 2026 een besluit op bezwaar bekend moet maken en Uwv de onder 10 genoemde dwangsom wordt opgelegd.
11. Omdat het beroep gegrond is moet Uwv het griffierecht en de proceskosten aan eiseres vergoeden. De rechtbank stelt de proceskostenvergoeding vast op € 934,-. [15] Ten slotte moet Uwv de bestuurlijke dwangsom aan eiseres vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
  • draagt Uwv op uiterlijk 16 december 2026 alsnog een besluit op het bezwaar bekend te maken;
  • bepaalt dat Uwv aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee het de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
  • stelt de hoogte van de door Uwv aan eiseres verschuldigde dwangsom als bedoeld in artikel 4:17 van Pro de Awb vast op € 1.442,-;
  • bepaalt dat Uwv het griffierecht van € 385,- aan eiseres moet vergoeden;
  • veroordeelt Uwv tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van
P.W. Karsowidjojo, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 12 maart 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten.
3.Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van Pro de algemene wet bestuursrecht (Awb).
4.Zie artikel 112, eerste lid, van de wet Wia.
5.Dit staat in artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb.
6.Dit volgt uit artikel 8:55d, derde lid, van de Awb.
7.De uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 21 oktober 2021, ECLI:NL;RVS:2021:2346, r.o. 10.7.
9.VA b&b.
10.Brief van de minister aan de Tweede Kamer van 19 december 2025, met kenmerk 2025-0000294616.
11.Zie de uitspraak van 27 november 2025 (ECLI:NL:RBNNE:2025:4829).
12.Gelet op artikel 8:55d, tweede lid van de Awb.
13.https://www.rechtspraak.nl/Onderwerpen/Overheidsorganisatie-beslist-niet-op-tijd/Paginas/extra-dwangsom.aspx.
14.Dit staat in artikel 4:17 en Pro 4:18, eerste lid, van de Awb.
15.Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door de gemachtigde verleende rechtsbijstand, waarbij 1 punt is gerekend voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor van 0,5.