ECLI:NL:RBNNE:2025:4829

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
27 november 2025
Publicatiedatum
27 november 2025
Zaaknummer
LEE 25/2259
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:12 AwbArt. 8:55d AwbArt. 102 Wet Wia
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank stelt nadere beslistermijn en dwangsom vast voor UWV bij Wia-herbeoordelingen

Eiseres verzocht UWV om een herbeoordeling op grond van de Wet Wia, waarop UWV niet tijdig besliste vanwege een tekort aan verzekeringsartsen. De rechtbank bevestigt dat het beroep gegrond is en stelt nieuwe, realistische beslistermijnen vast: 40 weken voor eerste aanvragen en 60 weken voor herbeoordelingen, met een minimum termijn na uitspraak van respectievelijk vier en twaalf weken.

De rechtbank erkent het grote belang van een snelle beslissing voor aanvragers, maar houdt ook rekening met de noodzaak van zorgvuldigheid en de feitelijke capaciteitsproblemen bij UWV. Daarom wordt een dwangsom van €100 per dag met een maximum van €15.000 vastgesteld om naleving van de termijnen af te dwingen.

In deze zaak was de wettelijke beslistermijn met meer dan 160 weken overschreden. UWV krijgt nu een termijn van twaalf weken om alsnog te beslissen, met een dwangsom voor elke dag overschrijding. De rechtbank veroordeelt UWV ook tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiseres.

De uitspraak benadrukt dat bijzondere omstandigheden kunnen leiden tot afwijking van de termijnen, maar dat de vastgestelde termijnen een balans vormen tussen snelheid en realisme. Het tekort aan verzekeringsartsen en de complexiteit van beoordelingen blijven een structureel probleem dat de doorlooptijden beïnvloedt.

Uitkomst: De rechtbank stelt een nadere beslistermijn van twaalf weken en een dwangsom van €100 per dag met een maximum van €15.000 vast voor UWV om alsnog te beslissen op de Wia-herbeoordeling.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 25/2259

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 november 2025 in de zaak tussen

Fonville Schoonhouden B.V., uit Coevorden, eiseres

(gemachtigde: B. van der Plas),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekering, Uwv (gemachtigden: E. Huls en H. Nieboer).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de termijn waarbinnen Uwv moet beslissen op de aanvraag van eiseres om een herbeoordeling op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet Wia). Dat de geldende beslistermijn is overschreden, staat tussen partijen niet ter discussie. Uwv heeft in de stukken en tijdens de zitting uitgelegd waarom het niet is gelukt om op tijd een beslissing te nemen. Uwv kampt met grote achterstanden en wachttijden door een tekort aan verzekeringsartsen. Volgens de wet bepaalt de rechtbank bij een gegrond beroep een nadere beslistermijn van in beginsel twee weken na de dag van verzending van de uitspraak. Gelet op het tekort aan verzekeringsartsen heeft de rechtbank in eerdere uitspraken al geoordeeld dat bij Wia-herbeoordelingen sprake is van een bijzonder geval en Uwv meer tijd gegeven om te beslissen.
1.1.
De rechtbank stelt voorop dat een aanvrager een groot belang heeft bij een zo snel mogelijk besluit op zijn aanvraag. Daar staat tegenover dat Uwv in staat moet zijn om op een zorgvuldige wijze tot een besluit te komen. Hoewel het zeer onwenselijk is dat wettelijke beslistermijnen worden overschreden en belanghebbenden lang op een beslissing moeten wachten, is het zinloos een beslistermijn te stellen waarbij op voorhand al vaststaat dat Uwv die niet kan halen. Op basis van de actuele informatie van Uwv stelt de rechtbank in deze uitspraak de nadere beslistermijn en hoogte van de dwangsom vast die zij voortaan als uitgangspunt zal hanteren bij beroepen niet tijdig beslissen in Wia-zaken waarbij een medisch advies van een verzekeringsarts nodig is.
1.2.
Bij een eerste aanvraag en een gegrond beroep niet tijdig beslissen moet Uwv een besluit bekendmaken binnen 40 weken, gerekend vanaf de datum waarop de wettelijke beslistermijn is overschreden. Van deze 40 weken moeten ten minste vier weken zijn gelegen na de dag van verzending van de uitspraak op het beroep gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Als de 40 weken al zijn verstreken op de datum van de uitspraak, geldt een nadere beslistermijn van vier weken na de dag van verzending van de uitspraak. Bij een herbeoordelingsaanvraag en gegrond beroep niet tijdig beslissen moet Uwv een besluit bekendmaken binnen 60 weken, gerekend vanaf de datum waarop de wettelijke beslistermijn is overschreden. Van deze 60 weken moeten ten minste twaalf weken zijn gelegen na de dag van verzending van de uitspraak op het beroep gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Als de 60 weken al zijn verstreken op de datum van de uitspraak, dan geldt een nadere beslistermijn van twaalf weken na de dag van verzending van de uitspraak. Voor zowel de eerste aanvragen als de herbeoordelingsaanvragen geldt dat als blijkt dat er al een beoordeling door de verzekeringsarts heeft plaatsgevonden, de rechtbank zal bepalen dat Uwv een nadere beslistermijn krijgt van vier weken na de dag van verzending van de uitspraak. Deze beslistermijnen voldoen aan het criterium dat de beslistermijn niet onnodig lang en niet onrealistisch kort is. Als Uwv toch niet binnen deze termijn beslist, moet hij een dwangsom betalen. De rechtbank sluit aan bij het landelijke beleid van de rechtbanken en bepaalt de dwangsom op € 100,- per dag met een maximum van € 15.000,-.

Procesverloop

2. Eiseres heeft op 8 augustus 2022 een aanvraag ingediend voor een herbeoordeling op grond van de Wet Wia van (oud-)werknemer [werknemer] .
2.1.
Eiseres heeft Uwv op 5 oktober 2022 in gebreke gesteld, omdat nog geen beslissing op de aanvraag was genomen. Op 1 juli 2025 heeft eiseres beroep ingesteld omdat Uwv niet op tijd zou hebben beslist.
2.2.
Uwv heeft op 10 juli 2025 een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft partijen op 18 september 2025 laten weten het beroep op een zitting te zullen behandelen en Uwv gevraagd voorafgaand aan de zitting meer informatie te geven over het tekort aan verzekeringsartsen en de gevolgen daarvan voor de beslistermijn. Uwv heeft in het aanvullend verweerschrift van 2 oktober 2025 gereageerd op de door de rechtbank gestelde vragen en kwantitatieve informatie gegeven. [1]
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 14 oktober 2025 op een zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigden van het Uwv deelgenomen. De gemachtigde van eiseres is niet verschenen. Omdat het beroep alleen gaat over het niet tijdig beslissen, is de (oud-)werknemer van eiseres niet uitgenodigd.

Beoordeling door de rechtbank

Ontvankelijkheid beroep
3. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. [2]
4. Tussen partijen is niet in geschil dat de beslistermijn [3] om op de aanvraag te beslissen, is verstreken. Eiseres heeft Uwv rechtsgeldig in gebreke gesteld en gevraagd om alsnog binnen twee weken te beslissen. Uwv heeft dit niet gedaan en eiseres heeft vervolgens beroep ingesteld. Het beroep is ontvankelijk en gegrond.
Eerder door de rechtbank vastgestelde nadere beslistermijn bij Wia-herbeoordelingen
5. Als het beroep gegrond is en het bestuursorgaan nog geen besluit bekendgemaakt heeft, bepaalt de rechtbank dat het bestuursorgaan binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekendmaakt. [4] In bijzondere gevallen of als dit vanwege een wettelijk voorschrift nodig is, kan de rechtbank een andere termijn geven of een andere voorziening treffen. [5] Volgens vaste rechtspraak moet deze andere termijn niet onnodig lang, maar ook niet onrealistisch kort zijn. [6]
6. Het Uwv kampt met een structureel tekort aan verzekeringsartsen. Hierdoor is het voor het Uwv niet mogelijk om in alle zaken waarin voor een zorgvuldige beslissing een medisch advies van een verzekeringsarts nodig is, tijdig een besluit te nemen. Deze rechtbank heeft in eerdere uitspraken geoordeeld dat er, gelet op het tekort aan verzekeringsartsen, sprake is van bijzonder geval. Bij de beroepen niet tijdig beslissen, waarbij de herbeoordeling in het kader van de Wet Wia is verzocht door een werkgever, heeft de rechtbank eerder een beslistermijn opgelegd van vier maanden. Als de herbeoordeling is verzocht door een werknemer, heeft de rechtbank eerder een beslistermijn opgelegd van twee maanden. De rechtbank heeft in deze beroepszaak besloten een zitting te gelasten omdat zij nader geïnformeerd wil worden over het tekort aan verzekeringsartsen in Noord-Nederland en wat dit betekent voor de beslistermijn.
De door Uwv geschetste problematiek
Het tekort aan verzekeringsartsen
7. Uwv heeft in het aanvullend verweerschrift en tijdens de zitting – kort samengevat – het volgende toegelicht. De bruto capaciteit aan artsen voor de Wet Wia is momenteel 50,72 fte, terwijl volgens de begroting 84,48 fte benodigd is. [7] Afgerond is het tekort aan artsen dus 40%. De regio Noord-Nederland zit daarmee in een slechtere situatie dan gemiddeld. Het landelijk tekort is ongeveer een derde. [8] De 50,72 fte die nu nog werkzaam zijn bij sociaal-medische beoordelingen moeten deels ingezet worden op andere wetten. De minister heeft Uwv opgedragen om prioriteit te geven aan beoordelingen Wajong en eerste aanvragen Wet Wia. [9] Sinds maart 2025 wordt de hoogste prioriteit gegeven aan Wajong-beoordelingen. [10] Per saldo is daardoor de beschikbare capaciteit voor de Wet Wia slechts 39,84 fte.
8. Het Uwv verwacht geen ommekeer in het tekort. Hierbij spelen diverse omstandigheden een rol. Mensen werken langer door, hebben relatief meer gebreken en tot ongeveer 2030 groeit het aantal werkenden in Nederland door. Daarnaast ziet Uwv vergrijzing bij de artsen en bovendien nemen de complexiteit en de benodigde capaciteit per beoordeling toe. [11]
Prioritering, doorlooptijden en dwangsommen
9. Uwv heeft toegelicht dat bij eerste aanvragen Wia alleen in uitzonderingsgevallen binnen de wettelijke termijn wordt beslist. Uit een door Uwv overgelegd overzicht van wachttijden van alle kantoren Sociaal-Medische Zaken blijkt dat de kantoren Groningen en Leeuwarden de langste doorlooptijden hebben. De doorlooptijd bij eerste aanvragen Wia voor kantoor Groningen is 40 weken, dit komt boven op de wettelijke beslistermijn van 8 weken. Kantoor Leeuwarden komt vlak daarna. Sinds 2021 ontvangt 75% van de cliënten van District Noord gedurende 10 maanden een voorschot totdat de sociaal-medische beoordeling is afgerond.
9.1.
Tijdens de zitting is gebleken dat het voor Uwv niet mogelijk is om de feitelijke doorlooptijd van de herbeoordelingen te schetsen. De reden hiervoor is dat het overgrote deel van de herbeoordelingen niet wordt opgepakt. Alleen de schrijnende situaties worden opgepakt. Bij een schrijnende situatie kan onder meer gedacht worden aan een cliënt die een vervolguitkering ontvangt en daarmee financieel in de problemen komt, terwijl een toename van klachten wordt ervaren. Daarnaast wordt prioriteit gegeven aan de aanvragen en herbeoordelingen op grond van de Wet Wia waar een beroep niet tijdig beslissen is ingediend, om te voorkomen dat rechterlijke dwangsommen betaald moeten worden. De instroom aan herbeoordelingsaanvragen in 2024 in de regio Noord was 1729. De doorlooptijd van 257 herbeoordelingen die in 2025 zijn uitgevoerd, bedraagt gemiddeld 292 dagen, waarvan 19 dagen nadat de medische beoordeling is afgerond. Dit komt neer op 42 weken.
9.2.
Toegelicht is dat in 2025, tot en met augustus, landelijk 7210 bestuursrechtelijke dwangsommen zijn betaald, waarvan 860 door regio Noord. Over dezelfde periode is landelijk 815 maal verzocht om een rechterlijke dwangsom, waarvan 91 voor regio Noord. Landelijk is in 44 gevallen een dwangsom betaald, waarvan 7 door regio Noord. In 2024 is een totaalbedrag van 18,1 miljoen euro betaald aan dwangsommen.
De nadere beslistermijn
10. Uwv heeft de rechtbank in het verweerschrift gevraagd een nadere beslistermijn vast te stellen van vier maanden na de verzenddatum van de uitspraak. Hierbij is aangesloten bij eerdere uitspraken van deze rechtbank en die van de rechtbank Overijssel [12] . Tijdens de zitting is toegelicht dat de termijn van vier maanden ontoereikend is gelet op de feitelijke doorlooptijden.
11. Deze rechtbank heeft in eerdere uitspraken geoordeeld dat bij het niet tijdig nemen van een besluit, gelet op het tekort aan verzekeringsartsen, sprake is van een bijzonder geval en dat een langere beslistermijn dan (de standaardtermijn van) twee weken gerechtvaardigd is. Omdat naar het oordeel van de rechtbank nog steeds sprake is van een bijzonder geval, is de vraag nu opnieuw welke nadere beslistermijn de rechtbank aan Uwv moet opleggen voor het bekendmaken van een besluit op de eerste aanvraag Wet Wia en op de aanvraag om een herbeoordeling Wet Wia, en welke dwangsom daaraan gekoppeld moet worden.
12. De rechtbank stelt voorop dat een aanvrager een groot belang heeft bij een zo snel mogelijk besluit op zijn aanvraag. Daar staat tegenover dat Uwv in staat moet zijn om op een zorgvuldige wijze tot een besluit te komen. Hoewel het zeer onwenselijk is dat wettelijke beslistermijnen worden overschreden en belanghebbenden lang op een beslissing moeten wachten, is het zinloos een beslistermijn te stellen waarbij op voorhand al vaststaat dat Uwv die niet kan halen. Dit zou als resultaat hebben dat hoge bedragen aan dwangsommen worden verbeurd, die worden betaald met publieke middelen. Ook ondermijnt dit de geloofwaardigheid in de rechtstaat. De mate waarin de bestuursrechter effectief rechtsbescherming kan bieden, hangt immers ook af van de naleving van rechterlijke uitspraken door de overheid. Uit de stukken en de toelichting tijdens de zitting is het de rechtbank duidelijk geworden dat de vele inspanningen van Uwv niet op korte termijn zullen leiden tot het verkorten van de gemiddelde behandelduur. Al deze feiten, omstandigheden en belangen afwegende, komt de rechtbank tot de volgende beslistermijnen en daaraan verbonden dwangsom.
Nadere beslistermijn bij het niet tijdig nemen van een besluit op eerste aanvragen Wet Wia
13. De rechtbank zal in beroepen tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een eerste aanvraag Wet Wia bepalen dat Uwv een nadere beslistermijn krijgt van 40 weken na de datum waarop de wettelijke beslistermijn op de aanvraag is verstreken. Gelet op hetgeen hiervoor, onder 9, is overwogen, is dit een realistische beslistermijn. Van deze 40 weken moeten ten minste vier weken zijn gelegen na de dag van verzending van de uitspraak op het beroep gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Als de 40 weken al zijn verstreken op de datum van de uitspraak, geldt een nadere beslistermijn van vier weken na de dag van verzending van de uitspraak. Er wordt ook een nadere beslistermijn van vier weken gegeven als er al een beoordeling door de verzekeringsarts heeft plaatsgevonden.
Nadere beslistermijn bij het niet tijdig beslissen nemen van een besluit op aanvragen om herbeoordeling Wet Wia
14. De rechtbank stelt vast dat er weinig gegevens bekend zijn om voor de herbeoordelingen Wet Wia een niet onnodig lange, maar ook niet onrealistisch korte nadere beslistermijn vast te stellen. Zoals hiervoor is overwogen onder 9.1, blijven de meeste herbeoordelingsaanvragen op de plank liggen en bedraagt de doorlooptijd van de aanvragen die wel worden opgepakt gemiddeld 42 weken. De rechtbank zal in beroepen tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een herbeoordeling Wet Wia bepalen dat Uwv een nadere beslistermijn krijgt van 60 weken na de datum waarop de wettelijke beslistermijn op het herbeoordelingsverzoek is verstreken. Van deze 60 weken moeten ten minste twaalf weken zijn gelegen na de dag van verzending van de uitspraak op het beroep gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit.
15. Als de 60 weken al zijn verstreken op de datum van de uitspraak, dan geldt een nadere beslistermijn van twaalf weken na de dag van verzending van de uitspraak. Als blijkt dat er al een beoordeling door de verzekeringsarts heeft plaatsgevonden, zal de rechtbank bepalen dat Uwv een nadere beslistermijn krijgt van vier weken na de dag van verzending van de uitspraak.
Bijzondere feiten of omstandigheden
16. Ten slotte kunnen bijzondere feiten of omstandigheden aanleiding geven om van de hiervoor genoemde termijnen af te wijken. Het is dan aan de partijen om bijzondere feiten of omstandigheden met betrekking tot de individuele zaak aan te voeren, die zouden moeten leiden tot verkorting dan wel verlenging van deze termijn.
Dwangsom
17. De rechtbank verbindt een dwangsom aan haar uitspraak voor iedere dag dat Uwv in gebreke blijft de uitspraak na te leven. [13] Volgens het landelijke dwangsombeleid [14] van de rechtbanken wordt daarbij in de regel een dwangsom bepaald van € 100,00 per dag, met een maximum van € 15.000,00. Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van weigerachtigheid bij Uwv. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om van deze beleidslijn af te wijken en zal in haar uitspraken aan overschrijding van de hiervoor genoemde nadere termijnen deze dwangsom en maximumbedrag verbinden. Het voorgaande laat onverlet dat in concrete gevallen aanleiding kan bestaan van dit beleid af te wijken.
Toepassing op deze beroepszaak
18. Het beroep niet tijdig beslissen van eiseres is gegrond. Uwv had binnen 8 weken moeten beslissen. Na het verstrijken van de wettelijke beslistermijn zijn meer dan 60 weken, namelijk 164 weken, verstreken. De rechtbank zal bepalen dat Uwv een nadere beslistermijn krijgt van twaalf weken na de dag van verzending van deze uitspraak. De rechtbank bepaalt dat Uwv een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door Uwv. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-.
18. Uwv heeft de maximale bestuurlijke dwangsom van € 1.442,- toegekend.

Conclusie en gevolgen

20. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt, Uwv de onder 18 genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen en aan Uwv de onder 18 genoemde dwangsom wordt opgelegd.
20.1.
Omdat het beroep gegrond is moet Uwv het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding voor de proceskosten. Uwv moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt volgens vaste rechtspraak € 453,50 omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden. [15] Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
  • draagt Uwv op binnen twaalf weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken;
- bepaalt dat Uwv aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
  • bepaalt dat Uwv het griffierecht van € 385,- aan eiseres moet vergoeden;
  • veroordeelt Uwv tot betaling van € 453,50 aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van
O.T. Smit, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 27 november 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Uwv heeft aangegeven dat de cijfers in het aanvullend verweerschrift met de nodige spoed zijn verzameld en niet op dezelfde wijze zijn geverifieerd als de verantwoordingsinformatie van Uwv aan de pers of Tweede Kamer, waardoor er kleine afwijkingen kunnen zijn.
2.Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3.Dit staat in artikel 102, derde lid, van de Wet Wia.
4.Dit staat in artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb.
5.Dit volgt uit artikel 8:55d, derde lid, van de Awb.
6.De uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 21 oktober 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2346 r.o. 10.7.
7.Bij de bruto capaciteit is onder andere geen rekening gehouden met opleidingen en bijscholingen. De netto capaciteit ligt daarvoor in regio Noord bijna 14% lager.
8.Voor 2026 zijn landelijk 1038 artsen benodigd en er zijn naar verwachting 700.
9.Brief van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 11 juni 2025 (Kamerstukken II 2024/25, 26448, nr. 846, § 2.5).
10.Brief van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 11 juni 2025 (Kamerstukken II 2024/25, 26448, nr. 846, § 2.4).
11.Brief van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 26 augustus 2022 (Kamerstukken II 2021/22, 26448, nr. 685 § 2.1).
12.De uitspraak van de rechtbank Overijssel van 8 oktober 2024, ECLI:NL:RBOVE:2024:5276.
13.Gelet op artikel 8:55d, tweede lid van de Awb.
14.https://www.rechtspraak.nl/Onderwerpen/Overheidsorganisatie-beslist-niet-op-tijd/Paginas/extra-dwangsom.aspx.
15.De uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 26 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1301, r.o. 21.3.