Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Stichting Jeugdbescherming Noord
1.Het verloop van de procedure
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 21 augustus 2025;
- het F9-formulier met bijlagen namens oma mz, ontvangen op 25 november 2025;
- twee geluidsopnamen namens oma mz, ontvangen op 25 november 2025;
- het verweerschrift met bijlagen, ontvangen op 9 december 2025;
- een F9-formulier met bijlagen namens oma mz, ontvangen op 10 december 2025.
- oma mz met haar advocaat;
- [vertegenwoordiger van de GI] en [vertegenwoordiger van de GI] , namens de GI;
- mr. Baas, advocaat van de GI;
- [vertegenwoordiger van de raad] namens de Raad voor de Kinderbescherming, hierna te noemen: de Raad.
2.De feiten
3.Het verzoek
4.Het verweer van de GI
5.Het advies van de Raad
De Raad heeft zorgen over de huidige plaatsing. De Raad vindt het zorgelijk dat de pleegouders zeggen, dat zij ook andere dingen hebben gezien en gehoord over de relatie tussen ouders en daarover kunnen vertellen. Wat gaat deze plaatsing op lange termijn voor [minderjarige] betekenen? De Raad begrijpt dat [minderjarige] nu als vijfjarige onbevangen kind kan zijn op die plek. Maar de vraag is of het pleeggezin ook het eenduidige verhaal in volle omvang kan omarmen en of zij hun eigen gevoelens terzijde kunnen zetten. Zo niet, dan gaat [minderjarige] tussen de regels door een andere boodschap horen. Dat is een extra zorg qua ontwikkelingsbedreiging.
De Raad is van mening dat ook voor het contact tussen [minderjarige] en oma mz specialistisch maatwerk nodig is om te kijken wat hij hierin nodig heeft. De GI geeft telkens aan dat het contact tussen de moeder van [minderjarige] en oma mz in de periode voor haar overlijden heel beperkt was. Maar hierin speelt de achtergrond van intieme terreur en het daarmee gepaard gaande isoleren van moeder van de rest van haar familie door vader ook een rol. De GI dient daar iets mee te doen.
De Raad biedt aan om onderzoek te doen naar de voogdij en wat het beste is voor [minderjarige] en de rechtbank hierover te adviseren. De Raad zal de zaak dan met spoed oppakken.
6.De beoordeling
Inmiddels mag het een feit van algemene bekendheid zijn dat femicide in het groot deel van de gevallen voorafgegaan wordt door een patroon van steeds verder escalerend partnergeweld, waarbij kinderen die getuige zijn geweest van dat geweld als gevolg daarvan op meerdere ontwikkelingsgebieden problemen ondervinden.
De jeugdzorgwerker heeft toegelicht dat in dit geval de andere ouder (de dader) niet meer in leven was en het Handelingsprotocol niet over femicide zou gaan. De GI heeft ingezet op het bewaren van de rust voor [minderjarige] , te meer omdat hij in korte tijd geconfronteerd werd met twee uitvaarten.
De rechtbank vindt deze motivering van de GI volstrekt ontoereikend en onbegrijpelijk. Het Handelingsprotocol gaat per definitie uit van de zeer complexe situatie die het geval van partnerdoding (en een geval als dit waarin beide ouders dood zijn is nog complexer dan wanneer ‘alleen’ sprake is van partnerdoding) vrijwel direct ontstaat en is nu juist geschreven als houvast voor professionals om daarin (met aandacht voor het krachtenspel tussen de families) van slachtoffer en dader) het juiste te doen voor de betrokken kinderen. De rechtbank is van oordeel dat het Handelingsprotocol in die zin geen ruimte laat voor de GI om een eigen afweging te maken. Juist in de situatie van [minderjarige] had met de grootst mogelijk voortvarendheid een psychotraumacentrum geconsulteerd moeten worden over zowel de inzet van specifieke vormen van hulpverlening als de (voorlopige) verblijfplaats van [minderjarige] .
'Onderzoekers zien het maken van een Words & Pictures over de ruzies, het huiselijk geweld ende ware toedracht van het overlijden van zijn oudersals een startpunt van een langer traject van behandeling van [minderjarige] , waarin traumabehandeling en rouw centraal moeten staan.' [onderstreping rechtbank].Nogmaals, de GI had regie moeten voeren op het verhaal over de daadwerkelijke doodsoorzaak van de ouders van [minderjarige] richting alle bij [minderjarige] betrokken volwassenen en professionals. De GI had oma vz of de pleegouders begeleiding of hulpverlening kunnen aanbieden bij het begrijpen en onderkennen van het belang van [minderjarige] hierin.
Gelet op de uitspraak van de jeugdzorgwerker ter zitting dat het een utopie is dat er een eenduidige visie over het verhaal van [minderjarige] gaat zijn, verwacht de rechtbank niet dat de GI op korte termijn meer regie op dit punt zal gaan voeren. Sterker, het lijkt erop dat de GI zelfs het idee heeft ook niet van de pleegouders te mogen of kunnen verwachten dat zij een ander verhaal vertellen dan overeenkomend met hun eigen beleving.
Dat het de GI ontbreekt aan lange termijn visie ten aanzien van de door hen gemaakte keuzes blijkt ook uit de mededeling van de jeugdzorgwerker ter zitting, dat zij de zorgen van oma mz over de gevolgen van het vertellen van meerdere verhalen op lange termijn wel kan begrijpen, maar deze niet acuut genoeg vindt om nu al hulp op in te zetten.
uiterlijk 30 maart 2026in te dienen. Oma mz en de GI krijgen daarna twee weken de gelegenheid, dus
tot en met 13 april 2026, om hun visie hierover schriftelijk kenbaar te maken. Vervolgens zal er opnieuw een mondelinge behandeling van de meervoudige kamer van de rechtbank plaatsvinden op
dinsdag 28 april 2026 om 13.00 uur.
uiterlijkper 1 juni 2026 beëindigen. De rechtbank gaat er daarbij vanuit dat tot die tijd de GI en de betrokken jeugdzorgwerkers de voogdij over [minderjarige] naar behoren zullen blijven uitvoeren en in het belang van [minderjarige] zullen blijven handelen.
7.De beslissing
Stichting Jeugdbescherming Noord en Veilig Thuis Groningen, gevestigd te Assen over
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2020 in [geboorteplaats] per een nader te bepalen datum;
uiterlijk op 30 maart 2026of zoveel eerder als mogelijk rapport en advies uit te brengen;
uiterlijk binnen veertien dagenna ontvangst van bovengemeld Raadsrapport, derhalve uiterlijk op 13 april 2026, zich schriftelijk hierover uit te laten;
dinsdag 28 april 2026 om 13.00 uurom het nog voorliggende verzoek verder te bespreken;
- degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.