De rechtbank Noord-Nederland behandelde op 9 maart 2026 een zaak waarin het openbaar ministerie verdachte vervolgde wegens ontuchtige handelingen met een minderjarige in de periode van november 2002 tot november 2003. Verdachte was niet verschenen, maar werd vertegenwoordigd door een advocaat.
De verdediging verzocht de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie wegens verjaring van het recht tot strafvordering. Het openbaar ministerie stelde dat de verjaring was gestuit door een daad van vervolging, waaronder het toezenden van een concepttenlastelegging aan de raadsman en het verzoek tot onderzoekshandelingen.
De rechtbank oordeelde dat de verjaringstermijn van twaalf jaar was aangevangen op de dag na de achttiende verjaardag van het slachtoffer, namelijk 7 november 2011, en daarmee was verstreken op 7 november 2023. De rechtbank stelde dat de handelingen van het openbaar ministerie niet kwalificeerden als een daad van vervolging die de verjaring zou stuiten.
Daarom verklaarde de rechtbank het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging van verdachte voor het ten laste gelegde feit van ontuchtige handelingen met een minderjarige. De uitspraak werd gedaan door drie rechters, waarbij de jongste rechter niet kon medeondertekenen.