ECLI:NL:RBNNE:2026:883

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
24 maart 2026
Publicatiedatum
24 maart 2026
Zaaknummer
18-224788-24
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 36f SrArt. 57 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor ontuchtige handelingen met minderjarige onder zijn zorg

De rechtbank Noord-Nederland heeft op 24 maart 2026 uitspraak gedaan in de zaak tegen verdachte, die werd beschuldigd van ontuchtige handelingen met een minderjarige die hij verzorgde en opvoedde als behorende tot zijn gezin. De feiten vonden plaats tussen 1 maart en 1 mei 2021 in de gemeente Midden-Groningen. Verdachte heeft meerdere keren seksuele handelingen verricht, waaronder het met vingers binnendringen van de vagina van het slachtoffer, een meisje jonger dan twaalf jaar.

De rechtbank baseerde haar oordeel op de gedetailleerde en consistente verklaring van het slachtoffer, die steun vond in de gedeeltelijke bekentenis van verdachte zelf. Verdachte ontkende het binnendringen niet volledig, maar erkende de aanrakingen grotendeels. De rechtbank achtte het bewezen dat verdachte het lichaam van het slachtoffer seksueel binnendrong.

De strafmotivering benadrukte de ernst van het misbruik, het vertrouwen dat verdachte als bonusvader genoot, en de impact op het slachtoffer. Ondanks het lage recidiverisico en het advies van de reclassering, legde de rechtbank een gevangenisstraf van 12 maanden op, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden zoals meldplicht en ambulante behandeling.

Daarnaast werd verdachte veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van in totaal €5.520,61 aan het slachtoffer, bestaande uit materiële en immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 1 mei 2021. Een deel van de gevorderde schade werd niet-ontvankelijk verklaard en kan bij de burgerlijke rechter worden ingediend.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 12 maanden gevangenisstraf, waarvan 4 maanden voorwaardelijk, en betaling van schadevergoeding aan slachtoffer.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht
Locatie Groningen
parketnummer 18-224788-24
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 24 maart 2026 in de zaak van het Openbaar Ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1976 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 10 maart 2026.
Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. P.Th. van Jaarsveld, advocaat te Groningen. Het Openbaar Ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. H. Mous.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
hij in of omstreeks de periode van 1 maart 2021 tot en met 1 mei 2021 te [plaats] , gemeente Midden-Groningen, althans in Nederland, met een kind dat hij verzorgde of opvoedde als behorende tot zijn gezin, althans een aan zijn zorg of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, te weten [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] 2010), die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, een of meer handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten:
  • het brengen van zijn vingers in de vagina en/of op en/of tussen de schaamlippen van die [slachtoffer] , en/of
  • het wrijven over de schaamlippen van die [slachtoffer] ;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij in of omstreeks de periode van 1 maart 2021 tot en met 1 mei 2021 te [plaats] , gemeente Midden-Groningen, althans in Nederland met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2010, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten:
  • het brengen van zijn vingers in de vagina en/of op en/of tussen de schaamlippen van die [slachtoffer] , en/of
  • het wrijven over de schaamlippen van die [slachtoffer]
terwijl voornoemde [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2010 en zijnde minderjarig, aan zijn zorg of waakzaamheid was toevertrouwd.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair ten laste gelegde feit.
Standpunt van de verdediging
De raadsman van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van hetgeen hem primair ten laste is gelegd. Hij heeft daartoe aangevoerd dat er zich onvoldoende wettig bewijs in het dossier bevindt om tot een bewezenverklaring hiervan te kunnen komen, nu er zich voor de hieromtrent door [slachtoffer] afgelegde verklaring geen steunbewijs in het dossier bevindt en verdachte dit heeft ontkend. Ten aanzien van hetgeen verdachte subsidiair ten laste is gelegd heeft de raadsman geen bewijsverweer gevoerd.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
1. De door verdachte ter zitting van 10 maart 2026 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:
Het is drie keer gebeurd dat ik [slachtoffer] heb aangeraakt. De eerste keer was op een ochtend; een paar dagen daarvoor kreeg ik van haar moeder te horen dat zij schaamhaar begon te krijgen. Ik heb toen aan [slachtoffer] gevraagd of ik daar aan mocht zitten. Dit gebeurde in het huis van haar moeder in [plaats] , op de bank. De tweede keer dat het gebeurde kwam ze terug van school en was ze doorweekt vanwege de regen. Ik heb tegen haar gezegd dat ze zich moest gaan omkleden. Ik ben toen achter haar aan gelopen en uit een opwelling heb ik opnieuw aan haar gezeten. Ik heb toen met mijn handen aan haar kruis gezeten. Even daarna ging zij beneden op de bank zitten en toen is het weer gebeurd. Ik heb aan haar vagina gezeten en over haar schaamlippen gewreven. Ik kan me meer niet herinneren dat ik met mijn vingers tussen haar schaamlippen ben geweest, maar het zou wel per ongeluk gebeurd kunnen zijn.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 5 april 2024, opgenomen op pagina 11 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2024019220 d.d. 11 juli 2024, inhoudend als verklaring van [getuige] :
A: 2,5 maanden terug zat ik in een therapie sessie met [moeder slachtoffer] . Er was een geheim achter gehouden voor mij. Het ging over seksueel misbruik van [slachtoffer] . Zij zou misbruikt zijn door [verdachte] , dit is de ex-partner van [moeder slachtoffer] . Dit heeft plaats gevonden ergens in maart 2021. [slachtoffer] was toen 10 jaar. Via mijn vrouw hoorde ik later de details. [verdachte] heeft met zijn vingers bij [slachtoffer] haar vagina gezeten.
V: Wanneer is dit gebeurd? A: Maart/april 2021.
V: Wat heeft [slachtoffer] aan jou verteld over wat haar is overkomen? A: Dat [verdachte] haar misbruikt heeft.
V: Waar is dit gebeurd?
A: In de woning van [moeder slachtoffer] .
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 11 april 2024, opgenomen op pagina 17 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [slachtoffer] :
A: Ik moest naar school en ik ging naar beneden. De ex van mijn moeder lag op de bank. Hij vroeg of hij mij mocht aanraken. Ik wist niet wat hij bedoelde. Ik dacht misschien wil hij mijn haar aanraken. Dus ik zei ja. Hij zei: "Kom erbij liggen". Toen ging hij met zijn hand bij mijn vagina. Een paar dagen daarna was het een regenachtige dag en ik kwam thuis. Ik was helemaal nat van de regen dus ik ging naar boven om mij om te kleden. Ik wilde net de deur op slot doen. Maar hij was mij net voor en deed de deur open. Hij probeerde mij te zoenen. Toen ging hij weer met zijn hand bij mijn vagina.
V: De eerste keer dat het gebeurde. Wat kun je daarover vertellen?
A: Hij lag op zijn zij op de bank. Hij zei toen meteen al: "Mag ik jou aanraken". Ik dacht toen aan mijn haar ofzo. Ik ging er toen bijliggen. Hij ging toen een beetje voelen en toen naar mijn vagina. Hij ging er eerst niet gelijk in. Hij ging eerst een beetje aan de voorkant. Hij ging eerst wrijven ofzo. Hij ging daarna echt naar mijn vagina. Hij ging daar ook echt wrijven.
V: Wat kun je vertellen over de meest heftige keer.
A: Dat was van de regenachtige dag, dat was kort na de eerste keer. Ik kwam thuis en ging meteen naar boven. Hij ging mij proberen te zoenen. Hij ging met zijn vingers in mijn vagina. Toen we beneden waren toen ging hij dat nog een keer doen, met zijn vingers in mijn vagina. Hij deed mijn joggingbroek naar voren en ging met twee vingers in mijn vagina. Hij ging op en neer.
V: Je ging naar beneden en toen?
A: Ik ging op de bank zitten en hij ging bij mij zitten. Hij trok toen weer mijn broek naar voren en ging met zijn vingers weer in mijn vagina. Hij ging naast mij zitten, zei niets, trok mijn broek naar voren en ging met zijn vingers erin.
V: Wat deed hij precies toen hij naast jou zat?
A: Hetzelfde als wat hij boven deed, hij ging weer met zijn vingers erin.
Bewijsoverwegingen
De rechtbank stelt voorop dat zich bij zedenzaken vaak de situatie voordoet dat slechts twee personen aanwezig waren bij de seksuele handelingen: het vermeende slachtoffer en de vermeende dader. Dat is hier ook het geval. Blijkens vaste jurisprudentie kan het strafbare feit bij een ontkennende verdachte worden bewezen als de verklaring van het slachtoffer betrouwbaar is en voldoende steun vindt in enig ander bewijsmiddel. Het is voldoende wanneer de verklaring van het slachtoffer op onderdelen steun vindt in andere bewijsmiddelen, afkomstig van een andere bron dan degene die de belastende verklaring heeft afgelegd. Het steunbewijs hoeft niet alle onderdelen van de tenlastelegging te dekken.
Verdachte heeft de ten laste gelegde feiten grotendeels bekend, behoudens het binnendringen van de vagina van [slachtoffer] .
Ten aanzien van het binnendringen van de vagina overweegt de rechtbank als volgt.
[slachtoffer] heeft bij de politie verklaard over de seksuele handelingen die verdachte met haar verrichtte. Naar het oordeel van de rechtbank is de door [slachtoffer] afgelegde verklaring authentiek, consistent, gedetailleerd en genuanceerd. Zij heeft verklaard dat verdachte met zijn vingers tussen haar schaamlippen is geweest en dat hij ook met zijn vingers in haar vagina is geweest. Over de wijze waarop de handelingen plaatsvonden verklaarde [slachtoffer] gedetailleerd. Zo verklaarde zij dat verdachte haar joggingbroek en ondergoed naar voren deed en toen met twee vingers in haar vagina ging en vervolgens met zijn vingers op en neer bewoog. Zij heeft op wezenlijke punten genuanceerd verklaard, waaruit blijkt dat zij de gebeurtenissen in haar verklaring niet overdrijft, maar wat er is gebeurd juist specifiek probeert te omschrijven. Dat [slachtoffer] daarbij een duidelijk onderscheid maakte tussen de situatie waarin verdachte zijn vingers op haar vagina hield of in haar vagina deed, sterkt de rechtbank in haar oordeel.
De verklaring van [slachtoffer] vindt bovendien op concrete onderdelen steun in ander bewijsmateriaal, namelijk in de verklaringen van verdachte zelf. Hij heeft immers de ten laste gelegde seksuele handelingen grotendeels bekend. Verdachte heeft verklaard dat hij haar schaamlippen en haar vagina heeft aangeraakt en dat het zou kunnen dat hij per ongeluk tussen haar schaamlippen in is geweest. Op wezenlijke punten komen de verklaringen van verdachte en [slachtoffer] derhalve overeen. De rechtbank ziet gelet op het voorgaande geen aanleiding om te twijfelen aan de verklaring van [slachtoffer] .
De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen vast dat verdachte met zijn handelingen het lichaam van [slachtoffer] seksueel is binnengedrongen, door zijn vingers tussen haar schaamlippen en in haar vagina te brengen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
Hij in de periode van 1 maart 2021 tot en met 1 mei 2021 te [plaats] , met een kind dat hij verzorgde of opvoedde als behorende tot zijn gezin, te weten [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] 2010), die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, handelingen heeft gepleegd die mede bestonden uit
het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten:
  • het brengen van zijn vingers in de vagina en tussen de schaamlippen van die [slachtoffer] , en
  • het wrijven over de schaamlippen van die [slachtoffer] .
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:
primair.met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, terwijl de schuldige het feit begaat tegen een kind dat hij verzorgt of opvoedt als behorend tot zijn gezin, meermalen gepleegd.
Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde feit wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren en met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden van een meldplicht en het volgen van ambulante behandeling.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft gepleit voor een lagere straf dan geëist door de officier van justitie, nu slechts het subsidiair ten laste gelegde feit bewezen verklaard kan worden. De raadsman heeft daarnaast verzocht om rekening te houden met de proceshouding van verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, de over hem opgemaakte rapportages, het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Verdachte heeft zich in korte tijd meermaals schuldig gemaakt aan het plegen van ontuchtige handelingen met [slachtoffer] , de minderjarige dochter van zijn toenmalige vriendin. Die handelingen bestonden mede uit het seksueel binnendringen van haar lichaam en vonden plaats in de woning van de moeder van [slachtoffer] , terwijl haar moeder op die momenten niet thuis was.
Verdachte heeft met zijn handelen op zeer grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van [slachtoffer] . Daarmee heeft verdachte ook haar normale seksuele en lichamelijke ontwikkeling doorkruist. Ten aanzien van [slachtoffer] vervulde verdachte een opvoedende rol, zij zag hem als haar bonusvader. Verdachte heeft in zijn rol als bonusvader misbruik gemaakt van het vertrouwen van [slachtoffer] , terwijl hij als bonusvader één van de belangrijkste bakens van veiligheid en geborgenheid voor [slachtoffer] had moeten zijn. In plaats daarvan heeft hij misbruik gemaakt van het overwicht dat hij als volwassene en opvoeder op haar had. Hij heeft alleen maar oog gehad voor bevrediging van zijn eigen lustgevoelens, zonder zich te bekommeren om de schade die hij daarmee bij [slachtoffer] en de overige gezins- en familieleden aanrichtte.
Het is een feit van algemene bekendheid dat kinderen die in hun jeugd seksueel zijn misbruikt, hier ook op latere leeftijd nog de (psychische) gevolgen van (kunnen) ondervinden. Dit heeft de rechtbank tevens kunnen afleiden uit de verschillende stukken van de kant van [slachtoffer] die zich in het dossier bevinden en haar eigen verklaring ter terechtzitting.
De rechtbank neemt dit alles verdachte zeer kwalijk en overweegt dat voor het plegen van dergelijke strafbare feiten in beginsel geen andere straf passend is dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.
Ter beantwoording van de vraag op welke wijze de onderhavige zaak moet worden afgedaan, heeft de rechtbank ook acht geslagen op de persoon van verdachte. De rechtbank heeft in dat kader acht geslagen op het advies van de reclassering in het rapport van 26 januari 2026. Daaruit blijkt dat de reclassering het recidiverisico laag inschat. Dit heeft volgens de reclassering te maken met het feit dat verdachte first offender is en dat hij de meeste leefgebieden op orde heeft. De reclassering schrijft dat niet valt te verwachten dat een behandeling het recidiverisico dat al laag is, verder zal doen afnemen. De reclassering adviseert daarom een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen.
Ter terechtzitting heeft verdachte aangegeven dat hij nog altijd niet goed begrijpt hoe het zo ver heeft kunnen komen. De rechtbank acht het, gelet op de ernst van dit feit en de impact die het heeft op een slachtoffer, van belang dat verdachte dat inzicht wél krijgt om te voorkomen dat het in de toekomst weer gebeurt. De rechtbank zal daarom, in afwijking van het advies van de reclassering, een gedeelte van de gevangenisstraf in voorwaardelijke vorm opleggen en daaraan de voorwaarde van ambulante hulpverlening koppelen.
Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden (met aftrek overeenkomstig artikel 27 van Pro het Wetboek van Strafrecht), waarvan 4 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren, passend en geboden. Aan het voorwaardelijk deel van de gevangenisstraf koppelt de rechtbank de bijzondere voorwaarden van een meldplicht en ambulante behandeling. De rechtbank komt daarmee tot een lagere straf dan door de officier van justitie geëist, nu zij van oordeel is dat, gelet op de straffen die in vergelijkbare gevallen worden opgelegd, in dit geval met voornoemde straf voldoende recht wordt gedaan aan de ernst van het bewezen verklaarde strafbare feit.

Benadeelde partij

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van 4.157,54 ter vergoeding van materiële schade en 7.500,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering kan worden toegewezen, inclusief wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot immateriële schade moet worden gematigd nu slechts het subsidiair ten laste gelegde feit bewezen kan worden. Ten aanzien van de materiële schade heeft de raadsman aangevoerd dat de gevorderde verplaatste schade verlofopname van de ouders van [slachtoffer] - niet voor toewijzing in aanmerking komt.
Oordeel van de rechtbank
Materiële schade
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij de gestelde materiële schade heeft geleden als het gaat om de reis- en parkeerkosten en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde. De vordering ter hoogte van
520,61, waarvan de hoogte niet door de verdediging is betwist, zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 mei 2021.
Ten aanzien van de door de benadeelde partij gevorderde kostenpost “verplaatste schade”, beschikt de rechtbank over onvoldoende informatie om de exacte hoogte daarvan te kunnen beoordelen. Schorsing van het onderzoek om de benadeelde partij de hoogte van de schade alsnog te laten aantonen, zal leiden tot een onevenredige belasting van het strafgeding en daartoe zal dan ook niet worden overgegaan. De rechtbank zal de vordering, voor zover het gaat om de gestelde verplaatste schade ter hoogte van 3.636,93, daarom niet-ontvankelijk verklaren. Dat deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Immateriële schade
Immateriële schade komt voor vergoeding in aanmerking indien er sprake is van een geval als bedoeld in artikel 6:106 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna BW). De rechtbank is van oordeel dat het gestelde geestelijk letsel voldoende ernstig is om te kunnen spreken van een aantasting in de persoon als bedoeld in artikel 6:106 BW Pro. Dit is door de verdediging ook niet betwist. Gelet op alle omstandigheden, de bedragen die in vergelijkbare zaken zijn toegekend en gelet op de Rotterdamse schaal, zal de rechtbank de vordering toewijzen tot een bedrag van 5.000,00 vermeerderd met wettelijke rente vanaf 1 mei 2021. Voor wat betreft het meer gevorderde aan immateriële schade zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren. Dat deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 244 en 248 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het primair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf
een gedeelte, groot 4 maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op 3 jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of gedurende die proeftijd de hierna te noemen voorwaarden niet heeft nageleefd.
Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.
Stelt als bijzondere voorwaarden:
dat de veroordeelde zich op uitnodiging meldt bij Reclassering Nederland, [adres] , en dat hij zich daarna zal blijven melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt en dat hij zich daarbij houdt aan de aanwijzingen die hem door of namens de reclassering worden gegeven;
dat de veroordeelde meewerkt aan diagnostiek en, indien geïndiceerd, een behandeling door De Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling.
Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
  • ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
  • medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.
Ten aanzien van het primaire feit:
Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte om aan [slachtoffer] te betalen:
  • het bedrag van 5.520,61 (zegge: vijfduizend vijfhonderdtwintig euro en eenenzestig cent);
  • de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 mei 2021 tot de dag van algehele voldoening;
  • de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.
Verklaart de vordering van [slachtoffer] voor het overige niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat te betalen een bedrag van 5.520,61 (zegge: vijfduizend vijfhonderdtwintig euro en eenenzestig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 mei 2021 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit 520,61 aan materiële schade en 5.000,00 aan immateriële schade.
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 52 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.
Dit vonnis is gewezen door mr. T.R. Bosker, voorzitter, mr. M.S. van der Kuijl en mr. S. Zwarts, rechters, bijgestaan door mr. M.A.W. Egberink, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 24 maart 2026.