ECLI:NL:RBNNE:2026:884

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
24 maart 2026
Publicatiedatum
24 maart 2026
Zaaknummer
18-054002-23
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 342 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens gebrek aan steunbewijs in zedenzaken tegen verdachte

De rechtbank Noord-Nederland behandelde op 24 maart 2026 een zaak tegen verdachte die werd beschuldigd van seksueel misbruik van een minderjarig slachtoffer in de periode van juli 2021 tot februari 2023. Het Openbaar Ministerie vorderde een gevangenisstraf van 30 maanden op basis van de verklaring van het slachtoffer en enkele aanvullende getuigenverklaringen.

De verklaring van het slachtoffer was gedetailleerd en authentiek, maar de rechtbank oordeelde dat deze verklaring onvoldoende werd ondersteund door onafhankelijk bewijs. De overige verklaringen, waaronder die van een anonieme getuige, de echtgenote van verdachte en een persoon die veertig jaar geleden ook slachtoffer was, boden geen direct steunbewijs voor de ten laste gelegde feiten.

Gezien het ontbreken van het wettelijk vereiste steunbewijs volgens artikel 342, tweede lid, Wetboek van Strafvordering, sprak de rechtbank verdachte vrij. Daarnaast werd de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding niet-ontvankelijk verklaard omdat de feiten niet bewezen zijn en deze vordering bij de burgerlijke rechter moet worden ingediend.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens ontbreken van voldoende steunbewijs naast de verklaring van het slachtoffer.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht
Locatie Groningen
parketnummer 18-054002-23
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 24 maart 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1950 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 10 maart 2026. Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. M.H. Heeg, advocaat te Groningen.
Het Openbaar Ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. H. Mous.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij in of omstreeks de periode van 1 juli 2021 tot en met 17 februari 2023 te [plaats] , gemeente Midden-
Groningen, met [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] 2014), die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, een of meer handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , hebbende verdachte meermalen, althans eenmaal, zijn penis en/of vinger(s) in de vagina en/of tussen de schaamlippen van die [slachtoffer] geduwd/gebracht en/of hiermee heen en weer gaande bewegingen gemaakt;
2.
hij in of omstreeks de periode van 1 juli 2021 tot en met 17 februari 2023 te [plaats] , gemeente Midden-Groningen, met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2014, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, hebbende verdachte,
-meermalen, althans eenmaal, de blote vagina van die [slachtoffer] bestast en/of
-meermalen, althans eenmaal, de hand van die [slachtoffer] op zijn blote penis gelegd en/of die [slachtoffer] vervolgens zijn penis laten aftrekken en/of
-zich meermalen, althans eenmaal, door die [slachtoffer] laten aftrekken.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het onder 1 en 2 ten laste gelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden. Daartoe heeft hij aangevoerd dat de verklaring van [slachtoffer] over het seksueel misbruik betrouwbaar is en dus bruikbaar is voor het bewijs. Die betrouwbaarheid volgt onder meer uit het feit dat de verklaring van [slachtoffer] veel details bevat, bijvoorbeeld over specifieke (seksuele) handelingen en de wijze waarop deze uitgevoerd dienden te worden. Daarnaast zijn er meerdere bewijsmiddelen die de verklaring van [slachtoffer] ondersteunen. Allereerst de verklaring van een anonieme getuige, die heeft verklaard dat hij heeft gezien dat de verdachte over de borsten van [slachtoffer] wreef terwijl zij met haar rug tegen hem aanleunde, terwijl de vader van [slachtoffer] op dat moment bezig was met het repareren van zijn auto. Verder vindt de verklaring van [slachtoffer] steun in het proces-verbaal van aanhouding van verdachte, waarin de echtgenote van de verdachte heeft verklaard dat [slachtoffer] en de verdachte af en toe wel eens stoeiden, waarbij [slachtoffer] dan bovenop de verdachte zat. Tot slot wordt de verklaring van [slachtoffer] ondersteund door de verklaring van [naam 1] , die heeft verklaard dat zij veertig jaar geleden ook seksueel is misbruikt door de verdachte.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van hetgeen hem ten laste is gelegd. Zij heeft daartoe aangevoerd dat er zich onvoldoende wettig en overtuigend bewijs in het dossier bevindt om tot een bewezenverklaring te kunnen komen, nu er voor de door [slachtoffer] afgelegde verklaring geen steunbewijs in het dossier bevindt.
Oordeel van de rechtbank
Op 20 februari 2023 heeft bij de politie een zogeheten “voorbereiding studioverhoor” gesprek plaatsgevonden met [slachtoffer] en op 21 februari 2023 is zij als getuige gehoord. [slachtoffer] heeft - samengevat - verklaard dat zij meerdere keren seksueel is misbruikt doordat verdachte zijn vingers en geslachtsdeel in haar vagina heeft gebracht en zij aan het geslachtsdeel van verdachte moest zitten. Dit zou op verschillende plekken in en rondom de woning van verdachte zijn gebeurd en telkens als er niemand in de buurt was. [slachtoffer] heeft verklaard dat zij dit niet wilde, maar dat verdachte dan tegen haar zei dat ze nog even door moest gaan omdat hij het lekker vond. Ook zei hij tegen haar dat ze het tegen niemand mocht zeggen.
Ter terechtzitting en bij de politie heeft verdachte ontkend dat hij [slachtoffer] seksueel heeft misbruikt. Het dossier bevat geen verklaringen van getuigen die de ten laste gelegde gedragingen hebben waargenomen.
Zedenzaken kenmerken zich doorgaans door de omstandigheid dat slechts twee personen aanwezig zijn bij de veronderstelde seksuele handelingen: het slachtoffer en de verdachte.
In het tweede lid van artikel 342 van Pro het Wetboek van Strafvordering is bepaald dat het bewijs dat de verdachte een feit heeft begaan niet uitsluitend kan worden aangenomen op basis van één bewijsmiddel, zoals de verklaring van het slachtoffer. Ook als die verklaring betrouwbaar wordt geacht, is die enkele verklaring onvoldoende om tot een bewezenverklaring te komen. De verklaring moet in ieder geval ondersteund worden door één bewijsmiddel uit een andere bron. Het ondersteunend bewijsmateriaal mag niet in een te ver verwijderd verband staan met de verklaring van het slachtoffer en dit bewijsmateriaal moet bovendien uit een andere bron stammen.
De rechtbank overweegt dat de door [slachtoffer] afgelegde verklaring authentiek overkomt, op zichzelf consistent is en geen evidente ongerijmdheden bevat. Dat gegeven alleen is echter, zoals uit de hierboven weergegeven wettelijke bepaling blijkt, niet genoeg om tot een bewezenverklaring te kunnen komen; vereist is dat de verklaring in enige mate steun vindt in een ander bewijsmiddel.
Verdachte heeft de door [slachtoffer] benoemde en ten laste gelegde seksuele handelingen telkens ontkend. In het dossier bevinden zich verklaringen van de vader van [slachtoffer] en de aangifte van de moeder van [slachtoffer] . Deze bewijsmiddelen zijn geheel gebaseerd op dat wat zij van [slachtoffer] hebben vernomen en vormen daarom geen steunbewijs voor de verklaring van [slachtoffer] .
De overige bewijsmiddelen, waaronder de verklaring van de anonieme getuige, het proces-verbaal van aanhouding en de verklaring van [naam 1] , leveren - hoewel stammend uit een andere bron dan [slachtoffer] - evenmin voldoende steunbewijs op. Geen van deze bewijsmiddelen geeft namelijk informatie over de ten laste gelegde seksuele handelingen of ondersteuning voor de door [slachtoffer] geschetste gang van zaken. Zij zijn als zodanig dan ook onvoldoende redengevend om als direct ondersteunend bewijs te dienen voor de ten laste gelegde feiten.
Er ontbreekt, gezien het voorgaande, steunbewijs dat onafhankelijk is van de verklaring van [slachtoffer] . Daarom wordt niet voldaan aan het bewijsminimum van artikel 342, tweede lid Sv. Dit betekent dat het wettig bewijs dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft gepleegd ontbreekt. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van de ten laste gelegde feiten.

Benadeelde partij

[naam 2] heeft zich als wettelijk vertegenwoordiger van [slachtoffer] als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van 1.719,52 ter vergoeding van materiële schade en 10.000,- ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd
met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden toegewezen.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering, gelet op de bepleite vrijspraak, niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht de feiten waaruit de schade zou zijn ontstaan niet bewezen. De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 1 en 2 is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.
Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.
Ten aanzien van de vordering van [naam 2] (feit 1 en 2)
Bepaalt dat de benadeelde partij [naam 2] , als vertegenwoordiger van [slachtoffer] , in zijn vordering niet-ontvankelijk is en dat deze slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.
Bepaalt dat de benadeelde partij haar eigen proceskosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. S. Zwarts, voorzitter, mr. M.S. van der Kuijl en mr. T.R. Bosker, rechters, bijgestaan door mr. M.A.W. Egberink, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 24 maart 2026.
mr. M.S. van der Kuijl is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.