ECLI:NL:RBNNE:2026:889

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
18 maart 2026
Publicatiedatum
24 maart 2026
Zaaknummer
LEE 26/2 en LEE 26/1
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5.1 WooArt. 5.1, tweede lid, aanhef en onder h WooArt. 8:72, vijfde lid, AwbArt. 8:86 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beslissing over openbaarmaking milieu-informatie over dierenaantallen en locatie verzamelplaats

De zaak betreft een beroep van Stichting Veehandelscentrum Noord Nederland tegen een besluit van de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur om op grond van de Wet open overheid (Woo) milieu-informatie openbaar te maken. Deze informatie betreft de aantallen dieren die op het bedrijf van verzoekster, een verzamelplaats voor dieren, worden aangevoerd en de locatie van dat bedrijf.

De voorzieningenrechter oordeelt dat deze gegevens milieu-informatie zijn die betrekking hebben op emissies, zoals bedoeld in artikel 5.1, zevende lid, van de Woo. De door verzoekster ingeroepen weigeringsgrond over beveiliging van personen en het voorkomen van sabotage is daarom niet van toepassing. Bovendien is de naam en het adres van verzoekster en haar verzamelplaats al openbaar via de website van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit.

De voorzieningenrechter verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Wel wordt de werking van het bestreden besluit één week geschorst vanaf de dag na verzending van het proces-verbaal, om verzoekster de mogelijkheid te geven hoger beroep in te stellen en eventueel schorsing te vragen. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen openbaarmaking van milieu-informatie wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen met een tijdelijke schorsing van één week.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummers: LEE 26/2 en LEE 26/1
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 18 maart 2026 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaken tussen

Stichting Veehandelscentrum Noord Nederland, uit Leeuwarden, verzoekster

(gemachtigde: F.Th.M. Peters),
en

de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, de minister

(gemachtigde: mr. J. van Essen).
Als derde-partij neemt aan de zaken deel:
Stichting Wakker Dieruit Amsterdam (Woo-verzoeker)
(gemachtigde: mr. T. van Alten).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster. Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist hij ook op het beroep van verzoekster daartegen. Artikel 8:86 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
1.1.
De minister heeft met het primaire besluit van 30 juni 2025 besloten op het verzoek op grond van de Wet open overheid (Woo) van Woo-verzoeker. In het bestreden besluit van 19 december 2025 heeft de minister het bezwaar van verzoekster tegen het primaire besluit kennelijk ongegrond verklaard. Verzoekster vraagt, bij wijze van voorlopige voorziening, om het schorsen van het besluit van 19 december 2025 totdat op haar beroep is beslist.
1.2.
Woo-verzoeker heeft schriftelijk gereageerd op het verzoek.
1.3.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 18 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van verzoekster, de gemachtigde van de minister en namens Woo-verzoeker de gemachtigde en [naam] .
1.4.
Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter het onderzoek gesloten en onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De informatie waarop het bestreden besluit ziet, heeft betrekking op aantallen dieren die op het bedrijf van verzoekster, een verzamelplaats voor dieren, worden aangevoerd en de locatie van dat bedrijf. De voorzieningenrechter is van oordeel dat deze informatie kwalificeert als milieu-informatie die betrekking heeft op emissies (als bedoeld in artikel 5.1, zevende lid, van de Woo). Reden daarvoor is dat het gaat om aantallen dieren en de plaats waar zij gehouden worden. Dat de dieren op transport zijn en maar kort aanwezig zijn op de verzamelplaats maakt dat niet anders. Vast staat immers dat de aanwezigheid van dieren op die plek leidt tot emissies. Ter zitting is vastgesteld dat op de verzamelplaats van verzoekster meerdere dagen in de week dieren aanwezig zijn en dat er een mestopslag aanwezig is. Voor de emissies maakt het geen verschil of die afkomstig zijn van dieren die langdurig op een locatie aanwezig zijn of van steeds wisselende dieren die maar kort op een locatie verblijven.
3. Omdat het gaat om milieu-informatie over emissies is, gelet op artikel 5.1, zevende lid, van de Woo, de door verzoekster gestelde Woo-weigeringsgrond [1] niet van toepassing op de gegevens over de plaats waar de dieren verzameld gehouden worden en over de aantallen dieren.
4. De voorzieningenrechter wijst er ten overvloede nog op dat, los van het voorgaande, de naam en adresgegevens van verzoekster en de door haar geëxploiteerde verzamelplaats via de website van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit al openbaar zijn.
5. De minister heeft dan ook terecht besloten de gevraagde gegevens openbaar te maken.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Omdat het beroep ongegrond is, is er geen aanleiding om de door verzoekster gevraagde voorlopige voorziening te treffen. Verzoekster krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
7. Wel treft de voorzieningenrechter op grond van artikel 8:72, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht de volgende voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter schorst de werking van het bestreden besluit tot één week, te rekenen vanaf de eerste dag na de verzending van het proces-verbaal van mondelinge uitspraak. Dat doet de voorzieningenrechter om te voorkomen dat in de tijd tussen het doen van mondelinge uitspraak en de verzending van het proces-verbaal daarvan de stukken openbaar worden gemaakt, terwijl verzoekster dan niet in de gelegenheid is om hoger beroep in te stellen en eventueel de hoger beroepsrechter te vragen het bestreden besluit te schorsen, en om verzoekster daarvoor een korte maar redelijke termijn te geven.
8. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om voorlopige voorziening af;
  • treft de voorlopige voorziening dat de werking van het bestreden besluit één week geschorst wordt, te rekenen vanaf de eerste dag na de verzending van dit proces-verbaal.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2026 door mr. W.R. van der Velde, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.A. Hulst, griffier.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover daarbij is beslist op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover daarbij is beslist op het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.

Voetnoten

1.artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder h: beveiliging van personen en voorkomen van sabotage