ECLI:NL:RBNNE:2026:90

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
16 januari 2026
Publicatiedatum
19 januari 2026
Zaaknummer
24/2953
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoeken om handhaving van een pluimveehouderij in verband met geuroverlast en vergunningverlening

In deze uitspraak van de Rechtbank Noord-Nederland op 16 januari 2026, wordt het beroep van eiser gegrond verklaard. Eiser had verzocht om handhaving van de pluimveehouderij van vergunninghouder in Borger-Odoorn, omdat hij meende dat de afwijzing van zijn verzoeken om handhaving onvoldoende gemotiveerd was. De rechtbank oordeelt dat het college van burgemeester en wethouders de afwijzing niet voldoende heeft onderbouwd. Eiser had in 2023 handhavend opgetreden tegen de pluimveehouderij, waarbij hij stelde dat de afstand tussen zijn woning en de pluimveestal niet voldeed aan de eisen van het Activiteitenbesluit. De rechtbank concludeert dat het college niet heeft aangetoond dat de afstandseisen zijn nageleefd en dat de vergunninghouder niet voldoet aan de voorwaarden voor een goede huisvesting van de dieren. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt het college op om een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens moet het college het griffierecht en proceskosten aan eiser vergoeden.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummers: LEE 24/2953

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 januari 2026 in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. M.E.W.M. Rupert),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Borger-Odoorn,

(gemachtigden: mr. H. Leijten en mr. R.T. Hekman).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
Maatschap [naam]uit [woonplaats] (vergunninghouder)
(gemachtigde: mr. ing. B.M. Brandenburg-Stroo).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de verzoeken om handhaving van eiser over de pluimveehouderij van vergunninghouder aan de [adres] in [woonplaats]. Eiser is het niet eens met de afwijzing van zijn verzoeken om handhaving. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de afwijzing van de verzoeken om handhaving onvoldoende heeft gemotiveerd
.Eiser krijgt dus gelijk en het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Het college heeft op 7 december 2021 een omgevingsvergunning (OBM) verleend aan vergunninghouder voor aanpassingen bij de pluimveehouderij aan de [adres] in [woonplaats]. De vergunning is verleend voor het toepassen van een ander stalsysteem in de bestaande stal, het plaatsen van een tweede pluimveestal, het vergroten van de werktuigenberging en een mestopslag.
2.1.
Eiser heeft het college op 17 juli 2023 en 4 september 2023 verzocht om handhavend op te treden. Het college heeft eisers verzoeken om handhaving op 16 november 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 3 juni 2024 op het bezwaar van eiser is het college bij de afwijzing van de handhavingsverzoeken gebleven.
2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.3.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. De vergunninghouder heeft ook gereageerd op het beroepschrift.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 24 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser met zijn gemachtigde, de gemachtigden van het college en de gemachtigde van de vergunninghouder samen met [naam] en [naam].
2.5.
De rechtbank heeft op 24 september 2025 ook het beroep van eiser met zaaknummer LEE 25/3204 behandeld. De rechtbank doet apart uitspraak op dat beroep.

Beoordeling door de rechtbank

Wat is het toetsingskader?
3. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Nu de verzoeken om handhaving zijn ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing.
3.1.
De relevante regelgeving is opgenomen in de bijlage.
Moest het college onderzoeken of er sprake is van een overtreding van artikel 3.119 van het Activiteitenbesluit?
4. Eiser voert aan dat het college onvoldoende heeft onderzocht of de ervaren overlast het gevolg is van een overtreding van artikel 3.119 van het Activiteitenbesluit milieubeheer (Activiteitenbesluit). Eisers woning is een geurgevoelig object. De afstand tussen de woning en de nieuw gebouwde pluimveestal bedraagt om en nabij 50 meter. Maar het college heeft volgens eiser ten onrechte geen rekening gehouden met de uitloop van de stal. Dat de uitloop bij het dierenverblijf hoort, volgt uit vaste rechtspraak. [1] Rekeninghoudend met de uitloop ligt het dierenverblijf op minder dan 25 meter van de woning.
5. De rechtbank stelt vast dat eiser in zijn brief van 17 juli 2023 heeft verzocht om handhaving omdat de pluimveehouderij volgens hem een niet werkend filtersysteem heeft waardoor er giftige stoffen worden uitgestoten die de gezondheid van omwonenden schaden. Eiser verzoekt het college er zorg voor te dragen dat de ammoniakproductie en de uitstoot van giftige stoffen gestopt wordt. Op 4 september 2023 heeft eiser verzocht om te handhaven op de emissie-eisen voor stallen opgericht na 1 juli 2022. Verder heeft eiser in beide verzoeken gesteld dat de omgevingsvergunning moet worden ingetrokken omdat die onder valse voorwendselen is verleend.
5.1.
Het college stelt in het primaire besluit dat de verzoeken zijn opgevat als een verzoek over geur-, ammoniak-, en fijnstofemissies van de pluimveehouderij.
Het college overweegt in het primaire besluit dat huisvestingssystemen voor landbouwhuisdieren die worden gehouden overeenkomstig de biologische productiemethode uitgezonderd zijn van de maximale emissiewaarden voor ammoniak en fijnstof uit het Besluit emissiearme huisvesting (Beh). Volgens het college is er ook geen sprake van strengere emissie-eisen sinds 1 juli 2022. Omdat de pluimveehouderij aan de [adres] een biologische pluimveehouderij is en er dus geen maximale emissie-eisen voor ammoniak en fijnstof gelden, is er met betrekking tot die emissies volgens het college geen sprake van een overtreding.
Verder is in het primaire besluit opgenomen dat bij de beoordeling van de omgevingsvergunning in 2021 is getoetst aan de geuremissiefactoren uit de Wet geurhinder en veehouderij. Op beide stallen zijn verhoogde dakkokers aangebracht en de ventilatoren in de achterwand van de bestaande stal C zijn niet meer in gebruik. Volgens het college is dit in overeenstemming met de omgevingsvergunning en daarom is geen sprake van een overtreding voor wat betreft de geuremissies. Ook is in het primaire besluit gesteld dat er geen grondslag is om de vergunning in te trekken.
In het bestreden besluit is het primaire besluit gehandhaafd.
5.2.
De rechtbank overweegt dat de aan vergunninghouder verleende OBM, een vergunning zonder voorschriften was. [2] Voor de pluimveehouderij golden (voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet) de voorschriften uit het Activiteitenbesluit, waaronder artikel 3.119 van het Activiteitenbesluit. In dat artikel was voorgeschreven dat -uitzonderingen daargelaten - het oprichten, uitbreiden of wijzigen van een dierenverblijf verboden is, als na de oprichting, uitbreiding of wijziging de afstand van de buitenzijde van een dierenverblijf tot de dichtstbijzijnde buitenzijde van een geurgevoelig object minder dan 50 meter bedraagt, indien het geurgevoelig object binnen de bebouwde kom is gelegen, of minder dan 25 meter bedraagt, indien het geurgevoelig object buiten de bebouwde kom is gelegen. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de definitie in artikel 1 van het Activiteitenbesluit, dat gerekend moet worden vanaf de grens van de uitloop omdat dit een niet overdekte ruimte is waarbinnen het pluimvee wordt gehouden.
5.3.
De rechtbank stelt vast dat zowel uit het primaire besluit als uit het bestreden besluit niet blijkt of naar aanleiding van het ingediende verzoek om handhaving is getoetst aan de afstandseis uit artikel 3.119 van het Activiteitenbesluit. Het enkele feit dat de OBM verleend is en het college ten tijde van vergunningverlening heeft getoetst of aan de geuremissiefactoren uit de Wet geurhinder en veehouderij werd voldaan, is onvoldoende voor een gemotiveerde beantwoording van het door eiser ingediende verzoek om handhaving. Dat in het kader van vergunningverlening is getoetst of aan het bepaalde in de Wet geurhinder en veehouderij werd voldaan, laat onverlet dat voor de pluimveehouderij de rechtstreeks werkende bepalingen uit het Activiteitenbesluit gelden en bij een verzoek om handhaving beoordeeld moet worden of daaraan voldaan wordt. Het college heeft op de zitting nog gesteld dat de afstand tussen de grens van het dierenverblijf en de woning van eiser 29 meter is maar die stelling is door het college verder niet onderbouwd en ook is niet gebleken vanaf welk punt tot welk punt die afstand van 29 meter zou zijn gemeten.
Het bestreden besluit is op dit onderdeel onvoldoende gemotiveerd.
5.4.
Deze beroepsgrond van eiser slaagt. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen en het college de opdracht geven een nieuw besluit op het bezwaar te nemen. De rechtbank gaat hieronder nog in op de andere beroepsgronden van eiser omdat eventuele andere door de rechtbank geconstateerde gebreken dan ook kunnen worden hersteld in het nieuw te nemen besluit op bezwaar.
Moest het college onderzoeken of er sprake is van een overtreding van artikel 3.123 van het Activiteitenbesluit?
6. Verder voert eiser aan dat het college onvoldoende heeft onderzocht of de inrichting voldoet aan de voorwaarden die noodzakelijk zijn voor een goede huisvesting. Omdat er een hoger aantal kippen op een kleiner stuk grond loopt, wordt niet voldaan aan de eis van 4m2 per dier uit de EU-verordening. Daardoor is er een overtreding van artikel 3.123, derde lid, van het Activiteitenbesluit.
7. Het is vaste rechtspraak [3] dat de reikwijdte van een handhavingsverzoek na het primaire besluit niet meer kan worden uitgebreid. Zoals hiervoor onder 5 is overwogen, heeft eiser verzocht om handhaving omdat de pluimveehouderij volgens hem een niet werkend filtersysteem heeft waardoor er giftige stoffen worden uitgestoten die de gezondheid van omwonenden schaden, handhaving van de emissie-eisen en intrekking van de vergunning omdat de vergunning onder onjuiste of onvolledige opgave is verleend.
De rechtbank overweegt dat het college dus moest beoordelen of er door een niet werkend filtersysteem schadelijke stoffen werden uitgestoten en of de vergunning op basis van een onjuiste opgave was verleend.
Deze grond van eiser gaat echter over handhaving van artikel 3.123 van het Activiteitenbesluit omdat volgens eiser te weinig ruimte beschikbaar is per dier waardoor geen sprake zou zijn van gebruik en onderhoud overeenkomstig de voorwaarden die noodzakelijk zijn voor een goede werking van het huisvestingssysteem. Gelet op de inhoud van de handhavingsverzoeken is dit een niet toegestane uitbreiding van het handhavingsverzoek na het primaire besluit. De rechtbank zal daarom ook niet ingaan op deze beroepsgrond met betrekking tot artikel 3.123, derde lid, van het Activiteitenbesluit.
Is er voldoende onderzoek gedaan naar geuroverlast?
8. Verder stelt eiser dat het college onvoldoende onderzoek heeft verricht naar de door hem ervaren hinder door geur. Er is slechts eenmaal een controle uitgevoerd bij de vergunninghouder. De toezichthouder is niet bij eiser geweest.
9. De rechtbank overweegt dat eiser heeft verzocht om de ammoniakproductie en de uitstoot van giftige stoffen te stoppen. Uit het primaire besluit blijkt dat het college dit verzoek breder heeft opgevat en ook heeft getoetst of er sprake kan zijn van ongewenste geuremissies. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat de aanpassingen in overeenstemming zijn met de omgevingsvergunning en er daarom geen sprake is van een overtreding voor wat betreft de geuremissies.
9.1.
De rechtbank overweegt dat eiser in zijn verzoek van 17 juli 2023 alleen algemeen heeft gesteld dat het stinkt in zijn huis en op zijn erf. Hij heeft geen specifiek door hem ervaren overlast benoemd.
9.2.
Bij het verlenen van de omgevingsvergunning in 2021 heeft het college getoetst of de aangevraagde verandering van het pluimveebedrijf voldeed aan de (destijds) geldende eisen voor geurbelasting uit de Wet geurhinder en veehouder. In de omgevingsvergunning is overwogen dat de geurbelasting door de uitbreiding en wijziging van de pluimveehouderij minder wordt ten opzicht van de eerder vergunde situatie. Hoewel er een toename is van geuremissie wordt volgens het college door toepassing van een ander stalsysteem, het verwijderen van de horizontale ventilatie en het verhogen van de verticale ventilatie, de geurbelasting op de meeste locaties minder. Uit de (V-Stacks)berekeningen volgt volgens het college dat ruimschoots wordt voldaan aan de geurnorm van 8,0 odour units per kubieke meter lucht (OUE) voor een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom en de geurnorm van 2,0 OUE voor een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom. Deze vergunning is onherroepelijk.
9.3.
Uit het verslag van de toezichthouder volgt dat tijdens het controlebezoek op 13 september 2023 is geconstateerd dat om te voldoen aan de geuremissiefactoren, verhoogde dakkokers op stal C en E zijn aangebracht. De toezichthouder heeft verder geconstateerd dat de vaste mest wordt afgedraaid in de mestloods waarin een mestcontainer staat opgesteld. De uitvoering is volgens de toezichthouder op deze punten in overeenstemming met de verleende omgevingsvergunning. Door eiser is dat niet betwist.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college, gelet op de door eiser gedane verzoeken, zorgvuldig onderzoek gedaan naar de geuremissie van de pluimveehouderij. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Moet de vergunning worden ingetrokken?
10. Verder voert eiser aan dat de vergunning op onjuiste of onvolledige opgave van gegevens is verleend. Het college is ervan uitgaan dat er sprake is van een biologisch bedrijf waardoor het Beh niet van toepassing is. Maar volgens eiser is er na de uitbreiding in een straal van 150 meter rondom de uitloopopening onvoldoende grond beschikbaar om te voldoen aan de eis van 4 m2 per dier. Het bedrijf voldoet niet aan de eisen voor een biologische pluimveehouderij in de EU-verordening 2020/464 [4] waardoor de vergunning op grond van onjuiste dan wel onvolledige informatie is verleend en voor intrekking op grond van artikel 5.19, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in aanmerking komt.
11. De rechtbank overweegt dat ten tijde van het bestreden besluit in het Beh was vastgelegd wat de maximale emissiewaarde mocht zijn voor ammoniak in kg NH3 per dierplaats per jaar en voor zwevende deeltjes in gram PM10 per dierplaats per jaar voor huisvestingssystemen voor dieren. Op grond van artikel 2, tweede lid, onder b, van het Beh was dit besluit (en de daarin gestelde emissie-eisen) echter niet van toepassing op huisvestingssystemen voor landbouwhuisdieren die worden gehouden overeenkomstig de biologische productiemethode. Volgens de definitie in artikel 1 van het Beh gaat het dan om de biologische productiemethode als bedoeld in EU Verordening 2018/848. [5]
11.1.
Het college heeft in het primaire besluit en het bestreden besluit (gelezen in samenhang met het advies van de bezwaarschriftencommissie van 14 mei 2024) gesteld dat er geen grondslag is om de omgevingsvergunning in te trekken. Verder is in het verweerschrift en op de zitting toegelicht dat Stichting SKAL Biocontrole (SKAL) de instantie is die beoordeelt of een bedrijf wel of niet voldoet aan de (EU)eisen voor een biologische productiemethode. Het college stelt dat vergunninghouder beschikt over een certificaat van SKAL dat er sprake is van biologische bedrijfsvoering conform de EU-eisen. Daarom ziet het college geen reden om aan te nemen dat vergunninghouder niet voldoet aan de verplichte uitloopruimte per leghen. Het college stelt voorafgaand aan het bestreden besluit telefonisch navraag te hebben gedaan bij SKAL en van SKAL de bevestiging te hebben gekregen dat vergunninghouder, op het moment van het bestreden besluit, nog steeds beschikte over een geldig certificaat. Verder stelt het college dat er, ook al gelden de normen niet, wel wordt voldaan aan de maximale emissiewaarde voor ammoniak voor niet-biologische bedrijven uit het Beh.
11.2.
De rechtbank is van oordeel dat het college zich in het bestreden besluit terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen grondslag is om de omgevingsvergunning van 7 december 2021 in te trekken omdat er geen indicatie is dat de vergunning door een onjuiste of onvolledige opgave is verleend. SKAL is een door de EU erkende instantie voor controle op onder andere de naleving van EU Verordening 2018/848. Tot aan in ieder geval het moment dat het bestreden besluit is genomen, beschikte vergunninghouder over een certificaat van SKAL waaruit blijkt dat vergunninghouder dieren houdt conform EU Verordening 2018/848. Het college mocht er daarom van uitgaan dat vergunninghouder in ieder geval ten tijde van vergunningverlening voldeed aan de EU-eisen voor biologische productiemethode. De rechtbank betrekt bij dat oordeel dat het college zich bewust is van de discussie die speelt over de vraag of vergunninghouder nog voldoet aan de certificeringseisen en gecontroleerd heeft bij SKAL of vergunninghouder nog beschikt over een geldig certificaat.
Deze beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

12. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met artikel 7:12 van de Awb. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.
12.1.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat het college een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak.
12.2.
Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten.
Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 3 juni 2024;
- draagt het college op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 51 aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W.C.M. van Emmerik, rechter, in aanwezigheid van mr. S. G. Steenbergen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage wet- en regelgeving

Wet geurhinder en veehouderij

Artikel 3
1. Een omgevingsvergunning met betrekking tot een veehouderij wordt geweigerd indien de geurbelasting van die veehouderij op een geurgevoelig object, gelegen:
a.binnen een concentratiegebied, binnen de bebouwde kom meer bedraagt dan 3,0 odour units per kubieke meter lucht;
b.binnen een concentratiegebied, buiten de bebouwde kom meer bedraagt dan 14,0 odour units per kubieke meter lucht;
c.buiten een concentratiegebied, binnen de bebouwde kom meer bedraagt dan 2,0 odour units per kubieke meter lucht;
d.buiten een concentratiegebied, buiten de bebouwde kom meer bedraagt dan 8,0 odour units per kubieke meter lucht.
2. In afwijking van het eerste lid bedraagt de afstand tussen een veehouderij en een geurgevoelig object dat onderdeel uitmaakt van een andere veehouderij, of dat op of na 19 maart 2000 heeft opgehouden deel uit te maken van een andere veehouderij:
a.ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en
b.ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen.
3. Indien de geurbelasting, bedoeld in het eerste lid, groter is dan aangegeven in dat lid of de afstand, bedoeld in het tweede lid, kleiner is dan aangegeven in dat lid, wordt een omgevingsvergunning, in afwijking van het eerste en tweede lid, niet geweigerd indien de geurbelasting niet toeneemt en het aantal dieren van één of meer diercategorieën niet toeneemt.
4. Indien de geurbelasting, bedoeld in het eerste lid, groter is dan aangegeven in dat lid, het aantal dieren van één of meer diercategorieën toeneemt, en een geurbelastingreducerende maatregel zal worden toegepast, dan wordt een omgevingsvergunning verleend voor zover het betreft de wijziging van het aantal dieren, voorzover de toename van de geurbelasting ten gevolge van die wijziging niet meer bedraagt dan de helft van de vermindering van de geurbelasting die het gevolg zou zijn van de toegepaste geurbelastingreducerende maatregel bij het eerder vergunde veebestand.

Wabo

Artikel 5.19
1. Het bestuursorgaan dat bevoegd is een vergunning of ontheffing te verlenen, kan de vergunning of ontheffing geheel of gedeeltelijk intrekken, indien:
a.de vergunning of ontheffing ten gevolge van een onjuiste of onvolledige opgave is verleend;
(…).
3. Een bestuursorgaan gaat niet tot intrekking als bedoeld in het eerste of tweede lid over dan nadat het de betrokkene de gelegenheid heeft geboden binnen een daartoe te bepalen termijn zijn handelen alsnog in overeenstemming te brengen met de vergunning of ontheffing, onderscheidenlijk de voorschriften of algemene regels, bedoeld in het eerste of tweede lid, na te leven.

Activiteitenbesluit

Artikel 1
(…)
dierenverblijf: al dan niet overdekte ruimte waarbinnen landbouwhuisdieren worden gehouden;
(…)
geurgevoelig object:geurgevoelig object als bedoeld in artikel 1 van de Wet geurhinder en veehouderij;
Artikel 3.119
1. Onverminderd de artikelen 3.115 tot en met 3.117 is het oprichten, uitbreiden of wijzigen van een dierenverblijf verboden, indien na de oprichting, uitbreiding of wijziging de afstand van de buitenzijde van een dierenverblijf tot de dichtstbijzijnde buitenzijde van een geurgevoelig object:
a.minder dan 50 meter bedraagt, indien het geurgevoelig object binnen de bebouwde kom is gelegen, of
b.minder dan 25 meter bedraagt, indien het geurgevoelig object buiten de bebouwde kom is gelegen.
2. Het eerste lid is niet van toepassing, indien de afstand van de buitenzijde van het dierenverblijf tot de dichtstbijzijnde buitenzijde van een geurgevoelig object niet afneemt, en
a.bij een dierenverblijf als bedoeld in artikel 3.115 het aantal dieren per diercategorie met geuremissiefactor niet toeneemt en de geurbelasting die de inrichting op enig geurgevoelig object veroorzaakt niet toeneemt;
b.bij een dierenverblijf als bedoeld in artikel 3.116 het aantal dieren per diercategorie met geuremissiefactor niet toeneemt, de geurbelasting die de inrichting op enig geurgevoelig object veroorzaakt niet toeneemt en de afstand tot een geurgevoelig object niet afneemt, indien die kleiner is dan de afstand, genoemd in artikel 3.116, eerste lid, of
c.bij een dierenverblijf als bedoeld in artikel 3.117 het aantal dieren per diercategorie zonder geuremissiefactor niet toeneemt en de afstand tot een geurgevoelig object niet afneemt, indien die kleiner is dan de afstand, genoemd in artikel 3.117, eerste lid.
Artikel 3.123
(…)
3. Degene die een inrichting drijft waarin landbouwhuisdieren worden gehouden in een huisvestingssysteem, draagt er zorg voor dat het huisvestingssysteem wordt gebruikt en onderhouden overeenkomstig de voorwaarden die noodzakelijk zijn voor een goede werking van het huisvestingssysteem.

Besluit emissiearme huisvesting

Artikel 1
(…)
biologische productiemethode:biologische productiemethode als bedoeld in Verordening (EU) 2018/848 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 inzake de biologische productie en de etikettering van biologische producten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 834/2007 van de Raad (PbEU 2018, L 150);
Artikel 2. (reikwijdte)
(…).
2. Dit besluit is niet van toepassing op:
a.vrijloopstallen voor landbouwhuisdieren van de diercategorie melk- en kalfkoeien ouder dan 2 jaar;
b.huisvestingssystemen voor landbouwhuisdieren die worden gehouden overeenkomstig de biologische productiemethode, met uitzondering van huisvestingssystemen voor landbouwhuisdieren van de diercategorie melk- en kalfkoeien ouder dan 2 jaar;

Voetnoten

1.Eiser verwijst naar de uitspraak van de Afdeling van 15 september 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2066.
2.Artikel 5.13a van het Besluit omgevingsrecht.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 20 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1138.
4.Uitvoeringsverordening (EU) 2020/464 van de Commissie van 26 maart 2020 tot vaststelling van een aantal uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EU) 2018/848 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de documenten die nodig zijn voor de erkenning met terugwerkende kracht van perioden in het kader van de omschakeling, de productie van biologische producten en de door de lidstaten te verstrekken informatie
5.EU Verordening 2018/848 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 inzake de biologische productie en de etikettering van biologische producten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 834/2007 van de Raad (PbEU 2018, L 150).