ECLI:NL:RBNNE:2026:998

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
30 maart 2026
Publicatiedatum
30 maart 2026
Zaaknummer
18-341252-25
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 36f SrArt. 55 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor ontploffing zwaar knalvuurwerk en woninginbraak in Drachten

Op 31 oktober 2025 heeft verdachte nabij de voordeur van de woning van het slachtoffer in Drachten een stuk zwaar knalvuurwerk (Cobra) tot ontploffing gebracht, waarbij gevaar voor personen en goederen te duchten was. Tevens is verdachte in diezelfde woning wederrechtelijk binnengedrongen. De rechtbank acht bewezen dat verdachte dit feit alleen heeft gepleegd en spreekt hem vrij van medeplegen.

De bewijsvoering bestond uit verklaringen van het slachtoffer, getuigenverklaringen, chatberichten van verdachte, en proces-verbaal van politieonderzoeken. De verklaringen en het bewijs wijzen erop dat verdachte de Cobra heeft afgestoken, ondanks een verwonding aan zijn hand. De rechtbank verwierp het verweer dat medeverdachte de ontploffing zou hebben veroorzaakt.

De rechtbank weegt de ernst van het gebruik van zwaar illegaal vuurwerk, de inbraak in de woning en het gevaar voor de bewoners zwaar mee. Verdachte heeft geen verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen. Gezien de omstandigheden en het reclasseringsadvies legt de rechtbank een gevangenisstraf van 24 maanden op, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden zoals meldplicht en gedragsinterventie.

De benadeelde partij [slachtoffer 1] wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering tot schadevergoeding wegens onvoldoende onderbouwing. De vordering van [slachtoffer 2] wordt gedeeltelijk toegewezen voor materiële schade aan de woning, begroot op €2.752,26 exclusief btw, met wettelijke rente en proceskosten. Verdachte wordt veroordeeld tot betaling van dit bedrag aan de Staat met mogelijkheid tot gijzeling bij niet-betaling.

De straf en voorwaarden zijn bedoeld om gedragsverandering te bevorderen en recidive te voorkomen, mede gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals ADHD en middelenmisbruik.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 24 maanden gevangenisstraf, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, voor ontploffing van zwaar knalvuurwerk en woninginbraak.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht
Locatie Leeuwarden
Parketnummer: 18-341252-25
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 30 maart 2026 in de zaak van het Openbaar Ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1996 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] ,
thans gedetineerd te [instelling] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 16 maart 2026.
Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. C.M. Kamminga, advocaat te Leeuwarden. Het Openbaar Ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. H. Mous.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1
hij op of omstreeks 31 oktober 2025 te omstreeks 23.00 uur, althans gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, te Drachten, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft/hebben gebracht door nabij en/of voor de voordeur van een woning, gelegen aan [adres] , aldaar, in gebruik bij en/of eigendom van [slachtoffer 1] , een stuk (zwaar) (knal)vuurwerk, met open vuur in aanraking te brengen en/of aan te steken en/of tot ontbranding te brengen, waardoor deze (aldaar) tot ontploffing kwam, terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor goederen, te weten voor de voordeur en/of ruit van voornoemde voordeur en/of voor meer ander(e) onderde(e)l(en) van die woning en/of voor de inventaris van/in die woning, gelegen aan of bij [adres] en/of voor naastgelegen panden en/of woningen en/of voor de in die panden en/of woning(en) aanwezige goederen/inventaris en/of
-levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor (een) ander(en), te weten voor één of meer bewoner(s) van die woning, gelegen aan of bij [adres] en/of voor (de) in de belendende woning(en) aanwezige bewoner(s)/perso(o)n(en), te duchten was;
2
hij op of omstreeks 31 oktober 2025 te Drachten, in de gemeente Smallingerland, in de woning gelegen aan of bij [adres] , aldaar, bij een ander, te weten bij (onder meer) [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , althans bij een ander of anderen dan bij verdachte, in gebruik wederrechtelijk is binnengedrongen.

Beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het ten laste gelegde onder 1 en 2. Hij heeft met betrekking tot feit 1 het standpunt ingenomen dat sprake is van medeplegen en dit standpunt als volgt onderbouwd. Verdachte en medeverdachte [medeverdachte] zijn samen naar de woning van aangever [slachtoffer 2] gegaan om daar geld te halen dat aangever hen beiden naar verluidt nog verschuldigd was. Uit de verklaring van verdachte volgt dat er een taakverdeling bestond tussen verdachte en [medeverdachte] . [medeverdachte] stond bij de voordeur en verdachte heeft via de achterdeur de woning van aangever betreden en zou vervolgens de voordeur voor zijn medeverdachte opendoen. Aangever heeft verdachte echter in zijn hand gestoken en de woning uitgejaagd. Verdachte is vervolgens naar voorkant van de woning gegaan waar ook [medeverdachte] zich bevond. Verdachte heeft daar een Cobra tot ontploffing gebracht. Het is onmogelijk dat [medeverdachte] daar niets van heeft geweten. Op de telefoon van [medeverdachte] zijn WhatsApp-berichten aangetroffen waarin [medeverdachte] aangever heeft
bedreigd met het tot ontploffing brengen van een Cobra bij diens woning. Er is sprake geweest van een vooropgezet plan waar beide verdachten van op de hoogte waren, hetgeen blijkt uit het geregelde vervoer naar de woning toe en het meenemen van een Cobra. Daarnaast heeft de officier van justitie betoogd dat bij deze ontploffing gevaar voor personen te duchten was.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het onder 1 ten laste gelegde. Hij heeft in essentie beargumenteerd dat het scenario dat medeverdachte [medeverdachte] de Cobra tot ontploffing heeft gebracht aannemelijker is dan het scenario waarin verdachte de veroorzaker is. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd. Verdachte heeft weliswaar op meerdere momenten in chatberichten aangegeven dat hij de gevel of voordeur bij aangever [slachtoffer 2] eruit heeft geblazen, echter ontbreekt bij verdachte in tegenstelling tot zijn medeverdachte specifieke daderkennis en wijst het objectieve bewijs naar zijn medeverdachte. [medeverdachte] heeft namelijk via WhatsApp-berichten van tevoren bij aangever aangekondigd dat bij het uitblijven van betaling er een ontploffing met een Cobra zal gaan plaatsvinden bij aangever zijn woning. Ook zijn er vingerdrukken van [medeverdachte] gevonden aan de voorkant van aangever zijn woning. Verdachte heeft daarentegen vooral tegenover de ontvangers van zijn berichten onvrede willen uiten over de door aangever veroorzaakte verwonding aan zijn hand en daarbij aangegeven dat in zijn optiek daarop een passende reactie is gevolgd. Daarnaast vereist het afsteken van een Cobra het gebruik van twee handen. De kans dat hierbij met een verwonde hand geen bloedsporen worden achtergelaten is bijzonder klein. De berichten die verdachte later die avond via Snapchat en Whatsapp verzond en waarin hij schreef over de ontploffing, waren pure grootspraak. Bovendien kunnen er vraagtekens worden geplaatst bij de betrouwbaarheid van de verklaring van getuige [getuige ] , omdat deze getuige een belang heeft om belastend over verdachte te verklaren, zodat anderen daarmee worden ontlast. Getuige [getuige ] heeft namelijk verklaard dat [medeverdachte] hem nog regelmatig belt vanuit de gevangenis. Uit de verklaring van [getuige ] volgt ook dat [medeverdachte] op de hoogte was van het getuigenverhoor van [getuige ] . Verdachte was daarentegen hiervan niet op de hoogte en getuige [getuige ] heeft niet veel contact meer met verdachte.
De raadsman heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat er in het dossier onvoldoende aanknopingspunten bevinden voor het bewijs van medeplegen. Hij heeft ten slotte betoogd dat bij een bewezenverklaring het te duchten gevaar beperkt is gebleven tot gevaar voor goederen, omdat aangever op moment van ontploffing op de bank zat te bellen en hij niet heeft verklaard dat hij heeft gevreesd voor zijn leven of letsel heeft opgelopen.
De raadsman heeft zich met betrekking tot feit 2 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
De betrouwbaarheid van de verklaring van getuige [getuige ]
De raadsman heeft de betrouwbaarheid van de verklaring van getuige [getuige ] in twijfel getrokken, omdat deze getuige een belang zou hebben om belastend over verdachte te verklaren. De rechtbank is van oordeel dat uit de enkele omstandigheid dat tussen [medeverdachte] en getuige [getuige ] contact is geweest vanuit de gevangenis niet volgt dat bij deze getuige een belang bestond om belastend over verdachte te verklaren en deze verklaring reeds hierom onbetrouwbaar is. De rechtbank neemt hierbij in beschouwing dat [getuige ] dit contact zelf desgevraagd aan de politie kenbaar heeft gemaakt. Daarnaast staat zijn verklaring niet op zichzelf, maar past deze bij de inhoud van de door verdachte zelf gestuurde berichten. De rechtbank acht de verklaring van deze getuige betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs.
Het oordeel van de rechtbank
Bewijsmiddelen
De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
Ieder bewijsmiddel is ook in onderdelen slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 1 november 2025, opgenomen op pagina 18 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland van het onderzoek BOSTULP/ NN1R025142 d.d. 20 januari 2026, voor zover inhoudende de verklaring van aangever [slachtoffer 1] :
Plaats delict: [adres] te Drachten
Op 31 oktober 2025 hoorde ik commotie en harde kloppen en rammen op het voorraam van mij woning. Ik zag [medeverdachte] en [verdachte]
(de rechtbank begrijpt: medeverdachte [medeverdachte] en verdachte)staan en ik herkende ze meteen. Opeens hoorde ik mensen over de schutting in de achtertuin klimmen en hoorde stemmen. Ik zag dat [verdachte] aan de openslaande deuren van de woonkamer trok. Een van de openslaande deuren werd opgebroken door [verdachte] en ik zag dat hij in de woning stond. Ik ben ter zelfverdediging hierop achter [verdachte] gerend. Dit lukte waardoor zij door de achtertuin wegvluchten. Opeens hoorde ik een harde knal bij de voordeur en ik zag heel veel rook uit de gang komen. Ik heb in de gang gekeken en zag dat de voordeur openstond.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aanvullend verhoor aangever d.d. 2 november 2025, opgenomen op pagina 21 e.v. van voornoemd dossier, voor zover inhoudende de verklaring van aangever [slachtoffer 1] :
A: [verdachte] probeerde naar de voordeur te lopen om de rest binnen te laten. Toen heb ik een mes gepakt om hem weg te jagen.
[]
V: Heb je hem gezegd dat hij de woning uit moest gaan? A: Dat heb ik wel 50 keer gezegd.
[]
V: Dan is [verdachte] uit de woning, en wat gebeurde er toen?
A: Ik zat op de bank. Ik belde met de meldkamer. Toen werd mijn voordeur er ineens uitgeblazen. []
V: Hoeveel tijd zat er tussen het moment dat je [verdachte] uit de woning duwt en de explosie bij je voordeur?
A: 3 minuten ongeveer.
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 1 november 2025, opgenomen op pagina 28 e.v. van voornoemd dossier, voor zover inhoudende de relatering van de verbalisant [verbalisant ] :
Ik kreeg op 31 oktober 2025 een melding van een dreigende situatie aan de [adres] in Drachten. Ter plaatse zag ik dat de gang van de woning vol rook stond. Ik zag dat de voordeur kapot was en dat de brievenbus aan de overkant van de straat lag.
4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 17 december 2025, opgenomen op pagina 44 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant ] :
Verdachte [verdachte] zijn telefoon werd in beslag genomen. De data van dit toestel werden veiliggesteld.
Ik zag dat de gebruiker van het toestel de naam [gebruikersnaam 1] gebruikte als gebruikersnaam op Snapchat. Ik zag een gesprek welke plaats vond op 1 november 2025 tussen de gebruiker van het toestel en contact genaamd [gebruikersnaam 2] ( [naam] ). Ik zag dat [gebruikersnaam 1] om 01:19 uur het volgende stuurde:
[gebruikersnaam 1] (owner)
1-11-2025 00:19:19 (UTC
+ 0)
Ben gestoken door die
[slachtoffer 1] .
[gebruikersnaam 1] (owner)
1-11-2025 00:19:28 (UTC
+ 0)
Heb zn gevel opgeblazen
Ik zag dat de gebruiker van het toestel de naam “ [gebruikersnaam 3] gebruikte als gebruikersnaam op WhatsApp. Ik zag een gesprek welke plaatsvond op 31 oktober 2025 tussen de gebruiker van het toestel en een contact genaamd “ [gebruikersnaam 4] .
[gebruikersnaam 3]
31-10-2025 23:44:34
(UTC + 0)
Ben gestoken net in mn klauw
door [slachtoffer 1]
[gebruikersnaam 3]
1-11-2025 10:47:48 (UTC
Bro kanker [slachtoffer 1] gaat
+ 0)
dood meen heb zn voor deur er
uitgeblazen
5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 17 januari 2026, opgenomen op pagina 85 e.v. van voornoemd dossier, voor zover inhoudende de verklaring van getuige [getuige ] :
Op 31 oktober 2025 waren we bij [medeverdachte] thuis. [medeverdachte] begon over dat hij geld tegoed had van [slachtoffer 2] . Ze wilden er heen maar [medeverdachte] en [verdachte] waren allebei wel aan de drank dus ik reed. Ik reed ongeveer drie straten verder dan waar de woning van [slachtoffer 2] was en [verdachte] en [medeverdachte] stapten uit en liepen weg. Ineens hoorde ik een hele harde klap. Even later hoorde ik [medeverdachte] aankomen rennen. Toen zag ik [verdachte] aankomen lopen. [verdachte] was heel boos dat hij was gestoken. Ik hoorde [verdachte] zeggen: “ik heb dat ding in de brievenbus gedaan.” De volgende ochtend vond ik in de auto die wij meehadden een Cobra in de hoes achter de bijrijdersstoel. Dit was de plek waar [verdachte] zat. [verdachte] heeft ook persoonlijk tegen mij gezegd dat hij de Cobra door de bus heeft gegooid.
6. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 29 december 2025, opgenomen op pagina 134 e.v. van voornoemd dossier, voor zover inhoudende de verklaring van medeverdachte [medeverdachte] :
Toen kwam [verdachte] naar buiten
(de rechtbank begrijpt: uit de woning van aangever). [verdachte] zegt rennen en ik ben gaan rennen. Voordat ik het wist hoorde ik een knal.
Bewijsoverweging met betrekking tot feit 1
Beoordeling van het bewijs
De rechtbank stelt aan de hand van de bewijsmiddelen de volgende opeenvolging van gebeurtenissen vast. Verdachte is samen met [medeverdachte] naar de woning van aangever gegaan. [getuige ] heeft hen met de auto gebracht. [medeverdachte] heeft op de ramen van aangever staan bonken en verdachte heeft via de achterdeur de woning van aangever betreden. Vervolgens heeft aangever verdachte de woning uitgejaagd. Verdachte en [medeverdachte] hebben op enig moment beiden aan de voorkant van de
woning gestaan. [medeverdachte] is eerst naar de auto gerend en verdachte is [medeverdachte] gevolgd. Hierna heeft er een ontploffing aan de voorkant van aangever zijn woning plaatsgevonden.
Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte op meerdere momenten en aan meerdere personen heeft medegedeeld dat hij de Cobra heeft afgestoken. Zo heeft verdachte vlak na de ontploffing via chatberichten gestuurd dat hij de gevel van aangever heeft opgeblazen dan wel aangever zijn voordeur eruit heeft geblazen. Ook heeft getuige [getuige ] op de terugreis en dus vlak na het gebeuren, verdachte meermalen horen zeggen dat hij een Cobra door de brievenbus van aangever heeft gegooid. De ochtend na de ontploffing heeft [getuige ] een Cobra in de hoes op de autostoel gevonden waar verdachte op de avond van de ontploffing heeft gezeten. Bovendien heeft [getuige ] gezien dat [medeverdachte] na de ontploffing eerst bij de auto aankwam en daarna verdachte. Dit ondersteunt de verklaring van [medeverdachte] dat hij is gaan rennen nadat verdachte zei dat hij moest gaan rennen, hetgeen past bij de hiervoor weergegeven tijdlijn en het scenario waarin verdachte de ontploffing teweeg heeft gebracht. De rechtbank beschouwt voornoemde feiten en omstandigheden in onderling samenhangend verband en stelt vast dat verdachte de Cobra tot ontploffing heeft gebracht.
Voor zover de raadsman heeft aangevoerd dat de kans bijzonder klein is dat verdachte met een verwonde hand een Cobra heeft afgestoken zonder daarbij bloedsporen achter te laten, is de rechtbank gezien hebbende de foto van deze verwonding in het dossier van oordeel dat deze wond niet van een dusdanige ernst was dat deze in de weg staat aan het aannemen van het scenario waarin verdachte de ontploffing heeft veroorzaakt. Daar komt bij dat de verwonding aan de bovenkant van de hand zat en dus niet de handpalm.
Partiële vrijspraak voor het medeplegen
Voor het bewijs van medeplegen is vereist dat uit het bewijs volgt dat medeverdachte [medeverdachte] opzet had op zowel de deelnemingsvorm als het gronddelict. Uit het dossier volgt dat [medeverdachte] en verdachte samen naar de woning van aangever zijn gegaan om aangever te dwingen tot aflossing van een geldschuld. Hieruit kan worden afgeleid dat het opzet van [medeverdachte] was gericht op een bedreiging, mishandeling en/of een afpersing al dan niet met geweld. De rechtbank kan echter niet vaststellen dat het opzet van [medeverdachte] zich ook heeft uitgestrekt tot het teweegbrengen van een explosie, ook niet in voorwaardelijke zin. Het dossier bevat hiervoor geen aanknopingspunten. Niet is vast komen te staan dat er enige voorafgaande afstemming tussen [medeverdachte] en verdachte heeft plaatsgevonden (niet in de auto of eerder in de woning van [medeverdachte] ) over het gebruik van een Cobra of dat [medeverdachte] die avond een Cobra heeft gezien. Evenmin zijn er aanwijzingen dat [medeverdachte] kennis had van het voornemen van verdachte. De bedreiging die [medeverdachte] twee weken eerder aan aangever heeft verstuurd staat in tijd te ver verwijderd van het pleegmoment om daaraan enige conclusie te kunnen verbinden. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de uitvoering van het afsteken van de Cobra berust op een door verdachte zelfstandig ter plekke genomen wilsbesluit. Hieruit volgt dat verdachte dit feit alleen heeft gepleegd.
Het te duchten gevaar
Volgens algemene ervaringsregels levert het tot ontploffing brengen van zwaar knalvuurwerk gevaar voor zowel personen als goederen op als deze bij een woning wordt bewerkstelligd en de bewoner(s) in de woning aanwezig zijn. De hitte en drukgolf die bij een dergelijke explosie vrijkomt, kunnen gehoorschade, ontvlamming van voorwerpen in de omgeving en lichamelijk letsel veroorzaken. Objecten in de omgeving of de brokstukken en scherven daarvan kunnen door de impact van de explosie met hoge snelheid worden weggeslingerd. Als deze objecten of de brokstukken daarvan in contact komen met het lichaam, dan kan dit leiden tot (zwaar) lichamelijk letsel. Indien een persoon zich in de directe nabijheid van de ontploffing bevindt kan zelfs dodelijk letsel worden veroorzaakt. Uit het dossier volgt dat aangever zich op moment van de ontploffing in de woning bevond en verdachte daarvan op de hoogte was. Weliswaar bevond hij zich op het moment van de ontploffing nog in de woonkamer, maar het was zeker niet denkbeeldig geweest dat hij in plaats daarvan richting de voordeur zou zijn gegaan. Zeker nu verdachte vlak daarvoor de woning
was uitgevlucht en naar de voorzijde van de woning was gelopen en [medeverdachte] op de voorruit stond te bonken. De ontploffing heeft zich dus in de nabijheid van aangever en diens woning plaatsgevonden waardoor dit te duchten gevaar voor zowel personen als goederen oplevert. Het is enkel aan gelukkig toeval toe te schrijven dat niemand als gevolg van deze explosie gewond is geraakt.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1 en 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
1
hij op 31 oktober 2025 te Drachten opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door nabij en/of voor de voordeur van een woning, gelegen aan [adres] in gebruik bij [slachtoffer 1] , een stuk zwaar knalvuurwerk tot ontbranding te brengen waardoor deze tot ontploffing kwam, terwijl daarvan
  • gemeen gevaar voor goederen, te weten voor de voordeur en ruit van voornoemde voordeur en voor andere onderdelen van die woning en de inventaris in de woning gelegen aan [adres] ;
  • levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten voor de bewoner van die woning gelegen aan [adres] te duchten was;
2
hij op 31 oktober 2025 te Drachten in de woning gelegen aan [adres] bij een ander, te weten bij [slachtoffer 1] in gebruik, wederrechtelijk is binnengedrongen.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:
de eendaadse samenloop van opzettelijk een ontploffing teweegbrengen terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is;
in de woning bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen.
Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.
Strafmotivering
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft voor het ten laste gelegde onder 1 en 2 een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren gevorderd met daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden overeenkomstig het reclasseringsadvies en een bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid van deze voorwaarden.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bij een veroordeling voor het ten laste gelegde onder 1 en 2 de rechtbank verzocht om een lagere straf op te leggen dan geëist zodat verdachte zijn woning kan behouden. Hij heeft bij een veroordeling voor enkel het onder 2 ten laste gelegde een straf gelijk aan de duur van het reeds ondergane voorarrest bepleit.
Het oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, het reclasseringsadvies van 18 februari 2026, het uittreksel uit de justitiële documentatie van 19 februari 2026, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging. De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De ernst van de feiten
Verdachte is met een aantal anderen naar Drachten gereden om daar geld te vorderen van het slachtoffer. Aangekomen bij het slachtoffer dringt hij vrijwel direct via de achterdeur de woning van het slachtoffer binnen. Als verdachte daar in zijn hand wordt gestoken, verlaat hij de woning en korte tijd later laat hij een aangestoken Cobra ontploffen in de hal van de woning van het slachtoffer. Het is een feit van algemene bekendheid dat dit zware en illegale vuurwerk in toenemende mate wordt gebruikt om anderen te intimideren of om een rekening te vereffenen. Meestal in het criminele circuit, regelmatig met enorm veel schade en in een enkel geval zelfs met dodelijke afloop of zwaargewonden. Deskundigen hebben meermalen duidelijk gemaakt dat het gebruik van een Cobra, zeker als een paar aan elkaar zijn getapet, gelijkstaat aan het gebruik van een handgranaat en dat dit gezien moet worden als een groot maatschappelijk probleem met ook grote risicos voor omwonenden en andere onschuldigen. Hoewel het in deze zaak waarschijnlijk gaat om een enkel exemplaar hadden ook hier de gevolgen veel ernstiger kunnen zijn, bijvoorbeeld als het slachtoffer niet in de woonkamer was gebleven, maar naar de hal was gelopen. Nu is de schade beperkt gebleven tot beschadigingen aan de woning. Het valt de verdachte zeer te verwijten dat hij dit zware illegale vuurwerk doelbewust heeft gebruikt om richting het slachtoffer zijn gram te halen. Daarnaast is hij s avonds laat de woning binnengedrongen, de plek waar iemand zich veilig moet kunnen voelen. Verdachte heeft tot en met de zitting geen verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen.
De persoon en de persoonlijke omstandigheden.
Uit het uittreksel uit de justitiële documentatie blijkt dat verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke feiten.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het reclasseringsadvies. De reclassering heeft geconstateerd dat bij verdachte sprake is van ADHD, PDD-NOS (ontwikkelingsstoornis) en ODD (oppositioneel-opstandige gedragsstoornis) en middelenmisbruik. De reclassering beschouwt het sociale netwerk, middelengebruik en psychosociaal functioneren als risicofactoren. Het ontbreken van een stabiel inkomen en dagbesteding zijn risico verhogend. De reclassering schat het recidiverisico in als hoog. Zij acht een justitieel kader passend en geïndiceerd voor gedragsverandering en het verminderen van het recidiverisico. De reclassering adviseert een (deels) voorwaardelijke straf met oplegging van bijzondere voorwaarden.
Verdachte heeft zich bereid verklaard tot naleving van de geadviseerde voorwaarden.
De strafmaat
De rechtbank overweegt dat de ernst van de feiten om een stevige vergeldende reactie vraagt. Het gebruik van zwaar knalvuurwerk voor het beslechten van conflicten is op dit moment een groot maatschappelijk probleem waar handhavend tegen opgetreden moet worden met een straf die voldoende afschrikt en waarmee tegelijkertijd afkeuring tot uitdrukking wordt gebracht. De rechtbank is dan ook van oordeel dat op het gedrag van verdachte de reactie van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur moet volgen. De rechtbank heeft acht geslagen op straffen die in vergelijkbare strafzaken worden opgelegd en komt tot het oordeel dat de strafeis van de officier van justitie in dit geval passend is. De rechtbank ziet geen aanleiding om een lagere straf op te leggen, omdat daarmee de ernst van de feiten wordt miskend.
De rechtbank legt, alles afwegende, aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden op waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren met daaraan verbonden de voorwaarden overeenkomstig het reclasseringsadvies.
De rechtbank ziet geen noodzaak om de geadviseerde voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren. Aan verdachte is een gevangenisstraf opgelegd die in duur aanzienlijk langer is dan het reeds ondergane voorarrest, hetgeen betekent dat verdachte nog een lange periode in detentie zal verblijven en het reclasseringstoezicht na deze veroordeling niet meteen kan aanvangen.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van Pro het Wetboek van Strafvordering.

Benadeelde partij

De volgende personen hebben zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding:
[slachtoffer 1] tot een bedrag van 1592,- ter vergoeding van materiële schade;
[slachtoffer 2] , tot een bedrag van 6660,46 ter vergoeding van materiële schade.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich met betrekking tot de vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] op het standpunt gesteld dat deze niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard,
omdat deze onvoldoende zijn onderbouwd.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] primair op het standpunt gesteld dat deze vordering afgewezen dient te worden, omdat uit het dossier niet blijkt dat de gestelde schade aan de telefoon door het handelen van verdachte is ontstaan. Subsidiair is het verzoek van de raadsman om de gestelde schade aan de telefoon te matigen.
De raadsman heeft ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] het standpunt ingenomen dat de gestelde schade aan de achterdeur en de Ring-deurbel toewijsbaar is. Hij heeft zich, gelet op de bepleite vrijspraak, op het standpunt gesteld dat de gestelde schade aan de voordeur niet toewijsbaar is.
Het oordeel van de rechtbank
De vordering van [slachtoffer 1]
De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft gesteld dat zijn telefoon en elektrische fiets beschadigd zijn geraakt als gevolg van de bewezen verklaarde feiten. Namens verdachte is deze stelling betwist. De rechtbank kan aan de hand van het strafdossier niet vaststellen dat de benadeelde partij de gestelde schade heeft geleden, omdat daarvan nergens melding is gemaakt in het dossier. Schorsing van het onderzoek om de benadeelde partij de schade alsnog te laten aantonen, zal leiden tot een onevenredige belasting van het strafgeding en daartoe zal dan ook niet worden overgegaan. De rechtbank zal daarom de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering tot schadevergoeding.
De rechtbank zal bepalen dat de benadeelde partij en verdachte ieder hun eigen proceskosten dragen.
De vordering van [slachtoffer 2]
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij [slachtoffer 2] , eigenaar van het pand, de gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde. Niettemin komt de hoogte van de begrote schade de rechtbank niet redelijk voor. Daarnaast dient het begrote bedrag exclusief btw toegewezen te worden nu hij zelf een bouwbedrijf heeft en btw kan aftrekken. De rechtbank zal de op grond van artikel 6:97 van Pro het Burgerlijk Wetboek de schade abstract begroten op het bedrag van 2.752,26 en dit bedrag toewijzen met vermeerdering van de wettelijke rente vanaf 31 oktober 2025 en voor het overige afwijzen.
Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 55, 57, 138, 157 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf
een gedeelte, groot 6 (zes) maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van
de proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op
3 (drie) jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of gedurende die proeftijd de hierna te noemen voorwaarden niet heeft nageleefd.
Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.
Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd:

Meldplicht bij reclassering

1. Veroordeelde meldt zich na invrijheidstelling gedurende de proeftijd op afspraken met de verslavingsreclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt de verdachte zich na invrijheidstelling binnen 3 werkdagen nadat de proeftijd is ingegaan bij VNN Reclassering [plaats] op het adres [adres] . De reclassering zal contact met betrokkene opnemen voor de eerste afspraak.

Gedragsinterventie middelengebruik

2. Veroordeelde neemt binnen de proeftijd deel aan de gedragsinterventie Leefstijl 24/7 van de reclassering of aan een andere gedragstraining die gericht is op verslaving/middelengebruik, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de training nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de afspraken en aanwijzingen van de trainer. Deze interventie kan bij een gevangenisstraf in de PI reeds worden ingezet. Mocht de interventie daar niet tijdig afgerond kunnen worden, dan kan veroordeelde de interventie buiten verder afmaken.

Ambulante behandeling met mogelijke kortdurende opname

3. Veroordeelde laat zich gedurende de proeftijd behandelen door de Forensische Polikliniek van Verslavingszorg Noord Nederland [plaats] of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op verslavingsproblematiek en psychische problematiek. Indien er sprake is van een terugval in middelengebruik/bij overmatig middelengebruik en/of een zodanige verslechtering van de psychische toestand van betrokkene dat een kortdurende klinische opname voor detoxificatie/ stabilisatie/ observatie/ diagnostiek/ crisisbehandeling noodzakelijk is, kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een dergelijke kortdurende klinische opname voor de duur van maximaal 7 weken. Indien de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert, nadat dit door de rechter is bevolen, laat veroordeelde zich opnemen in een zorginstelling te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing.

Verbod verdovende middelen

4. Veroordeelde gebruikt gedurende de proeftijd geen harddrugs, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. Veroordeelde moet gedurende de proeftijd meewerken aan controles. Dit kunnen zijn urineonderzoek en speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.

Dagbesteding

5. Veroordeelde spant zich in voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur.

Inzicht financiën

6. Veroordeelde geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en eventuele schulden. Veroordeelde werkt mee aan het aflossen van eventuele schulden en het treffen van afbetalingsregelingen.
Beheersing middelengebruik
7. Veroordeelde werkt gedurende de proeftijd mee aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te leren beheersen van alcohol en softdrugs. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek, ademonderzoek en/of speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.

Contactverbod

8. Veroordeelde zoekt of heeft gedurende de proeftijd op geen enkele wijze direct of indirect met de hierna te noemen personen, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het contact:
  • aangever [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum] 2002;
  • medeverdachte [medeverdachte] , geboren op [geboortedatum] 1994.
Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of
meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het
Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zo lang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.
Ten aanzien van de feiten onder 1 en 2

Benadeelde partij [slachtoffer 1]

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk in zijn vordering tot schadevergoeding. Deze vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Bepaalt dat de benadeelde partij en verdachte ieder hun eigen proceskosten dragen.

Benadeelde partij [slachtoffer 2]

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte om aan [slachtoffer 2] te betalen:
  • het bedrag van 2.752,26 (zegge: tweeduizend en zevenhonderd en tweeënvijftig euro en zesentwintig eurocent);
  • de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 31 oktober 2025 tot de dag van algehele voldoening;
  • de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.
Wijst de vordering voor het meer gevorderde af.
Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer 2] aan de Staat te betalen een bedrag van 2.752,26 (zegge: tweeduizend en zevenhonderd en tweeënvijftig euro en zesentwintig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 oktober 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 27 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.
Dit vonnis is gewezen door mr. O.F. Brouwer, voorzitter, mr. M.M. Spooren en
mr. A. Dijkstra, rechters, bijgestaan door mr. J.K. Qiu, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 30 maart 2026.