ECLI:NL:RBOBR:2013:2961
Rechtbank Oost-Brabant
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening bijstand wegens gezamenlijke huishouding
Verzoeker diende een aanvraag in voor bijstand naar de norm van een alleenstaande nadat zijn eerdere uitkering was beëindigd omdat hij volgens verweerder een gezamenlijke huishouding voert met een vriend bij wie hij verblijft.
Verzoeker stelde dat hij vanwege bedreigingen door buren zijn woning had moeten verlaten en dat er sprake was van dringende redenen voor bijstand. Hij voerde ook aan dat zijn financiële situatie was verslechterd.
De voorzieningenrechter oordeelde dat de aanvraag een nieuwe aanvraag betrof en dat het aan verzoeker was om aan te tonen dat er gewijzigde omstandigheden waren. Dit is niet gelukt omdat hij nog steeds bij de vriend woont en de taak- en zorgverdeling ongewijzigd is.
Het beroep op artikel 16 WWB Pro wegens dringende redenen faalde omdat verzoeker niet is uitgesloten van de kring van rechthebbenden en de afwijzing niet op die grond is gebaseerd.
De rechtbank concludeerde dat het besluit, zij het met gewijzigde motivering, in bezwaar stand kan houden en wees het verzoek om voorlopige voorziening af.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de afwijzing van de bijstandsaanvraag wordt afgewezen wegens het ontbreken van gewijzigde omstandigheden.